Tag Archives: onmacht

God is een rotwijf

 

God is een rotwijf

Hij is aan zijn rechterzijde gedeeltelijk verlamd en komt moeizaam de afdeling op in zijn rolstoel. De hele dag gaat hij op en neer, naar beneden naar het rookhok en weer terug. Zo te zien heeft hij haast en inderdaad, hij heeft hulp nodig want hij moet naar de wc.

Ondanks dat ik iemand anders aan het helpen ben pak ik meteen de sta-lift, want het is geen pretje als hij in het zijn broek doet.  Furieus wordt hij als hij dat ding ziet. “Sodemieter op met dat ding, ik moet heel nodig.”
Aangezien hij nauwelijks een sta-functie heeft wordt hij altijd geholpen met de sta-lift. Dat begint al als hij ‘s morgens in de badkamer geholpen wordt.
Ik probeer uit te leggen dat dit de meest praktische manier is om hem te helpen en dit voor mijn lijf ook nog eens de meest vriendelijke manier. Het interesseert hem niet, hij duwt mij met lift en al zijn slaapkamer uit. “Opsodemieteren nu met dat ding, rotwijf.” Er volgt nog een enorme scheldkannonade die ik langs mij heen probeer te laten glijden.

Ik zet de sta-lift weg en loop terug naar zijn slaapkamer om te kijken wat hij aan het doen is. Tot mijn verbazing heeft hij zichzelf het toilet op gesleept, maar zijn broek is nog omhoog. “Help me dan ook gewoon”, schreeuwt hij me toe. “Jullie kunnen ook niks!”
Met veel pijn en moeite duwt hij zichzelf een stukje omhoog zodat ik de broek naar beneden kan doen en zijn inco af kan doen. Het gaat hem allemaal niet snel genoeg en hij wordt steeds bozer.

“Ik ga de sta-lift pakken, want ik help u daar straks mee van het toilet.” Ik doe de band achter zijn rug en haak deze vast aan de lift die ik vervolgens op de rem zet.
“Ik kom over hooguit vijf minuten terug.”Hij gromt wat en ik loop naar de bewoner die ik al eerder aan het helpen was.

Als ik terugkom, nog geen vijf minuten later, ligt hij languit in zijn slaapkamer. Hij heeft kans gezien om de band aan één kan los te haken van de lift en heeft het vervolgens ook nog voor elkaar gekregen om deze een eind opzij te duwen met zijn voet.
“Schiet op, help me in mijn stoel.” Dit kan ik echt niet alleen en ik roep mijn collega er bij. Volgens hem wil ik hem niet alleen helpen. Wil ik iedereen helpen behalve hem en weer begint hij te schelden.
Samen helpen wij hem in zijn stoel. “Mijn broek moet nog omhoog!” Ik pak de sta-lift uit de badkamer en laat hem daarin staan zodat ik zijn broek goed kan doen.

Als hij weer zit vraagt hij poeslief om een paar peuken. Ik ga ze halen, ben te boos om nu een gesprek met hem aan te gaan.

Na het roken komt hij weer naar boven, vraagt of hij gewoon naar bed kan gaan. Dat doet hij zelf door zich vanuit zijn rolstoel op zijn bed te hijsen en zichzelf op te trekken naar het hoofdeind. Ik laat weten dat dit prima is, dat ik alleen zijn ogen nog kom druppelen. Hij begint alweer te schelden dat hij daar dan zeker weer een uur op moet wachten. “Over vijf minuten ben ik bij u.”

Weer bij hem ga ik het gesprek met hem aan en laat hem weten dat ik niet gediend ben van zijn scheldpartijen. “Ik begrijp dat u boos bent, maar ik ben hier om u te helpen, niet om uitgescholden te worden. Aan de situatie waarin u zit kan ik weinig doen, ik kan het voor alleen maar zo aangenaam mogelijk maken door u te helpen bij wat u niet kan.”

“Ik schold ook niet op jou, maar op God”, is zijn antwoord. Ik kan het nalaten en zeg: “Wel raar dat u God een rotwijf noemt”.

 

In de war en de weg kwijt.

kortsluiting-28044331

Eén ding weet ik zeker: Er kan maar beter niet iets fout gaan in je hersenen, want dan gaat er van alles mis. Lichamelijk wil het dan niet meer zo, laat staan overprikkeling of gedragsescalaties. Er ontstaat soms gewoon kortsluiting in je hoofd.

“Ik zie wel hoe het loopt”, was mijn gedachte toen ik de laatste keer de nachtdienst in ging. Het blijft onvoorspelbaar hoe zo’n nacht verloopt. De medicijnvoorraad moest nagekeken worden en zo nodig medicatie bijbesteld. Na mijn eerste rondje langs de bewoners ben ik daar meteen aan begonnen. Je weet uiteindelijk maar nooit of je er later nog aan toekomt.

De onrust begon al vroeg in de nacht. Hij zocht het toilet, moest vreselijk nodig plassen. Met grote ogen en hevig transpirerend zwalkte hij door zijn kamer. Ik deed de badkamerdeur open en liet hem zien waar het toilet was. Geen reactie, maar een maai met zijn arm zodat ik een stapje terug deed. Gelukkig kwam het nachthoofd meteen toen ik haar belde. Inmiddels liep hij over de gang, rammelde aan deuren. Het nachthoofd probeerde hem met een zoet lijntje mee te krijgen, maar weer maaide hij boos met zijn armen. Ondertussen deed ik alle slaapkamerdeuren dicht en haalde de spullen weg waar hij zich aan zou kunnen bezeren. De enige deur die nog open stond was zijn slaapkamerdeur, maar helaas liep hij die voorbij. Al zwalkend ging hij ons kantoor in, gaf het verrijdbare whiteboard een zet, schoof de tafel aan de kant en struikelde uiteindelijk over een plastic voorraadbak die meteen stuk was. Voorzichtig ging hij op de grond zitten en leek iets rustiger te worden. Dat bleek schijn, want van ons moest hij niets hebben.

We besloten hem voorlopig met rust te laten. Af en toe keek ik om een hoekje om aan zijn blik en bewegingen te kunnen controleren hoe zijn stemming was.

Anderhalf uur later konden we hem weer benaderen en iets rustgevends geven. Hij had zijn urine laten lopen en was de oorzaak van zijn spanning dus kwijt. Samen hielpen we hem in zijn rolstoel en brachten hem naar zijn kamer. Hij kreeg een schone broek aan en ging zijn bed in. De rest van de nacht, inmiddels was het 5.00 uur, bleef het redelijk rustig. Slechts één keer, om 6.30 uur bleek hij in de kamer van zijn buurvrouw te zijn beland, maar toen kon ik hem bij de hand nemen en weer terug naar zijn eigen kamer brengen.

De volgende nacht was er met hem niets aan de hand, maar was er een ander onrustig. Ze is een jaar ouder dan ik en lag te roepen om haar man.
“Je man ligt thuis in zijn eigen bed”.

“Ik geloof je niet”.

“Mijn man ligt ook thuis in zijn eigen bed terwijl ik hier ben.”

Het stelde haar even gerust en ik bleef nog even bij haar voordat ik met mijn werk verder ging. Een half uur later hoorde ik haar weer schreeuwen: “Ik wil niet meer, ik kan niet meer.”

“Niet zo schreeuwen, je maakt het hele huis wakker.”

“Sorry, ik kan er niets aan doen. Ik ben in de war en ik begrijp er niets meer van. Het gaat niet goed met mij, dat zegt mijn man ook. Maar ik moet elke week naar therapie en daar zeggen ze dat het wel goed gaat met me. Ik snap het niet. En waar is mijn man?”

Ik hoorde het aan, trok haar even tegen me aan tot ze weer rustiger was.

“Zal ik de televisie aanzetten?” Ja, en dat om 2.30 uur in de nacht.

De televisie bleek een poosje een uitkomst, tot ik haar weer hoorde schreeuwen. Ik besloot wat minder vriendelijke op te treden: “Nu moet je ophouden met dat geschreeuw. Je buren worden boos, die kunnen niet slapen.”

Het hielp en af en toe keek ik bij haar om het hoekje. De ene keer was de televisie aan, de andere keer uit. Om een uur of vijf dacht ik dat ze sliep, maar ze bleek nog steeds wakker.
“Fijn dat je niet meer ligt te roepen” zei ik en trok haar weer tegen me aan.

“Lief dat je dat doet” en ze bleef een poosje tegen me aanhangen.

“Ik laat de televisie aan, maar ga nu wel weer aan het werk.”
Ook hebben we een bewoner die echt heel weinig meer kan. Elke nacht is het een uitdaging om haar te begrijpen. Om een uur of 0.30 belt ze en dan is er iets wat niet naar haar zin is. Met oogbewegingen probeert ze uit te leggen wat er dan mis is. Ik volg haar blik, maar noem bijna alle verkeerde dingen op. “Zal ik je laserpen maar aan je bril vastmaken?”

Een minimaal knikje en dan begint het aanwijzen van de letters op het letterbord. Hardop lees ik de letters voor en maak er woorden van. Haar laatste zin is duidelijk: “Jij moet beter ingewerkt worden.”

“Dit heeft niets met inwerken te maken. Ik kan je alleen beter leren begrijpen door dit vaak te doen.”

Ik voer handelingen uit waardoor zij comfortabeler in bed ligt. De laserpen mag weg en dan beginnen de oogbewegingen weer. Vriendelijk leg ik haar uit dat ik dit toch wel wat vervelend vind. De laserpen mag weg, want alles was goed en dan blijken er toch nog dingen niet goed te zijn.

Het duurt even, maar we komen er samen wel uit.

Elke nacht belt zij drie keer en de tweede nacht begrijp ik haar sneller en beter, maar aan haar kreten begrijp ik hoe gefrustreerd zij is.

“Ik begrijp dat het je frustreert dat ik je niet meteen begrijp. Maar ik ben ook gefrustreerd omdat ik jou niet meteen begrijp.”

Een al wat dementerende bewoner stond midden in de nacht de wastafel te poetsen. “Ja, ik dacht ik begin maar meteen, want ik heb nog veel te doen.”
“Het is 3.00 uur, dat is geen tijd om schoon te maken. Ga maar gauw weer terug in bed. Ik doe het gordijn wel een stukje open, dan kan je zien dat het nog donker is.”

Leuk bedacht van mij, maar een oplossing bleek het niet te zijn en dat had ik eigenlijk wel kunnen weten.

Weet je wat ik nog het meest gek vind aan nachtdiensten? Dat ik s’morgens doe wat ik normaal gesproken ‘s avonds doe: Mijn gezicht schoonmaken, nachtcrème inmasseren, want ja ook ik ben ijdel en wil zo min mogelijk rimpels, om vervolgens mijn bed in te stappen. Ha ha, nachtcrème terwijl de dag net begint.