Tag Archives: Niet Aangeboren Hersenletsel

Het is niet goed of het deugt niet

werkdruk

Natuurlijk wil ik eerst even die zwachtels bij hem omdoen omdat mijn collega dit niet mag. Dat kan nog net voordat ik om half acht onze bewoner ga helpen die dit als vaste tijd heeft om hem op die manier zoveel mogelijk structuur en houvast te geven.

Om tien over zeven ‘s morgens begin ik dus met zwachtelen. Ik ben nog geen minuut bezig of ik krijg de wind van voren over de dag ervoor. Toen had hij nadat ik hem gezwachteld had nog zo lang moeten wachten tot hij verder geholpen werd. Hij hoopte dat dit vandaag niet zo zou gaan en vroeg meteen maar of ik hem niet even helemaal kon helpen.

“Ik werk vandaag, net als gisteren, op de andere gang maar doe dit er even bij omdat mijn collega dit niet mag”.

“Ik snap niet dat ze dat soort mensen aannemen. Daar heb je toch helemaal niets aan?”

Deze reactie schiet mij in het verkeerde keelgat. We hebben dit weekend met ziekte te kampen en werken daardoor met een krappere personeelsbezetting.

“Ik mag toch hopen dat u dit niet straks ook tegen mijn collega zegt. Ik ben blij dat ze er is, want anders was ik alleen geweest vandaag en had u misschien nog langer moeten wachten.”

“Ja, ik weet wel dat jij daar ook niks aan kan doen, maar ik begrijp niet waarom ze niet gewoon meer personeel aannemen of ergens een potje reservepersoneel hebben. Er kan toch gewoon iemand voor die zieke invallen.”

“Hebt u enig idee hoe dit voor mij is? Ik kom bij u, zodat u vroeg geholpen kan worden en ik word begroet met een hoop gemopper. Jullie zijn hier met z’n zestienen en wij zijn maar met z’n tweeën. Die verdeling ligt wat scheef volgens mij en daardoor kunnen wij er niet voor zorgen dat jullie alle zestien op tijd geholpen worden. Wij beginnen altijd als eerste bij u, er zijn er die langer moeten wachten.”

“Ja, ik begrijp jou wel. Ik ben ook niet boos op jou en ik snap heus wel dat jullie niet alles tegelijk kunnen. Maar daar hoef ik toch niet de dupe van te worden?”

Het is vijf voor half acht en deze bewoner kan verder geholpen worden door mijn collega. Ik verlaat zijn kamer en ga naar de volgende bewoner die ligt te schreeuwen dat hij geholpen moet worden.

Om tien over zeven heb ik hem nog verteld dat ik om half acht bij hem zou zijn en dat hij tot die tijd niet hoeft te schreeuwen. Twintig minuten is lang voor hem en hij heeft het een kwartier volgehouden om rustig te blijven. Daar geef ik hem een compliment voor.

Op zo’n dag ga ik letterlijk een stapje langzamer lopen. Op die manier raak ik zelf niet gejaagd en voorkom ik dat ik die gejaagdheid overbreng op de bewoners. Maar om de dag op deze manier te beginnen is werkelijk niet leuk. Ik weet dat de bewoners kampen met niet aangeboren hersenletsel, maar ik vind het nog steeds geen vrijbrief voor dit soort gedrag. Als we dat wel zo zien en dat ook uitstralen denken bewoners dat alles maar gezegd en gedaan mag worden. Ik ben er zeker van dat er gerust wel wat blijft hangen van het tegengas dat ik geef.

Advertisements

De bokkenpruik op

bokkenpruik

Vaak wil ze ‘s morgens niet uit bed en eigenlijk wil ze dan niets. Even zo vaak wil ze ‘s avonds niet in bed geholpen worden, terwijl ze dan wel moe is.

Vanmorgen had ze ook de bokkenpruik op. Ik mocht haar bloedsuiker controleren, maar verder hield ze koppig vast aan haar “nee”. Lastig, want haar bloedsuiker was aan de lage kant en eten is dan de enige oplossing, maar ook dat wilde ze niet.

Ik gooi, als het om haar gaat, mijn vertelkunst in de strijd en zodra ik bij haar de kamer in kom begon ik mijn verhaal. Meestal over mijn kleinkinderen, maar ook wel eens over mijn ouders. Dan is ze afgeleid en kan ik haar gewoon helpen met wassen en aankleden. Aangezien ze gisteren de aankomst van Sinterklaas op tv had gezien besloot ik daarop voort te borduren.

“Weet je wie ik vannacht in mijn huis tegenkwam toen ik naar de wc ging? Sinterklaas en Zwarte Piet”.

“O meid echt waar? Wat leuk!”

“Ja, echt waar. Sinterklaas zei gisteren dat iedereen zijn schoen weer mocht zetten. Ik heb gewoon al mijn schoenen uit de kast gehaald en neergezet. Winterschoenen, sportschoenen, laarsjes, pantoffels, sandalen, slippers, gymschoenen en ook nog mijn schoenen met hakjes. Wat denk je dat Zwarte Piet zei?”

“Ja, wat zei hij?”

“Dat ik wel al mijn schoenen had neergezet, maar dat ik niet moest denken dat hij ook overal snoepjes in zou doen. Daar kon hij niet aan beginnen.”

“O meid, wat jammer!”

Ik borduurde nog wat voort op mijn Sinterklaasverhaal en al vertellend hielp ik haar met wassen en aankleden. Voordat ze het in de gaten had zat ze in haar stoel en reed ik haar naar de huiskamer zodat ze haar boterham met een gekookt eitje kon eten.

Een zalfje tegen de buikpijn

Kort door de bocht

“Hij heeft buikpijn en wil daar een zalfje voor”, laat mijn collega weten als ik aan het werk ga.

Ik schiet even in de lach, maar bedenk wel meteen dat ik deze zorgvraag waarschijnlijk moet vertalen in een totaal andere.

“Moet u naar het toilet?” Nee, dat is het niet, maar ik krijg wel een hele uitleg over een bevalling en dat het vervelend voelt als hij zit. En ja, hij wil een zalfje vanwege de buikpijn.

“Ja, een bevalling is pijnlijk, daar weet ik alles van, want ik heb drie kinderen.”

Ik weet ook, dat als hij niet op tijd naar het toilet geholpen wordt en hij het in zijn broek doet, de ontlasting straks overal zit. Aan zijn handen, in zijn haar, aan de muren en noem maar op.

“Weet u wat ik ga doen? Ik ga u toch even op het toilet helpen. Zet u de rolstoel even op de rem, dan haal ik de lift voor u.” Hij doet wat ik hem vraag en als ik terug kom met de lift leg ik hem uit dat ik, als hij op de wc zit, beter bij zijn buik kan. Dan kan ik zien of daar iets mis mee is en er eventueel een zalfje op smeren.
Als hij in de “sta-lift” staat en ik zijn broek naar beneden doe zie ik dat er al ontlasting in zijn inco zit. Niet veel gelukkig. Ik stel hem voor dat hij daar een poosje blijft zitten tot hij alles kwijt is.

Na een minuut of twintig geeft hij aan dat hij klaar is. Het was inderdaad een hele bevalling. Er hoeft geen zalf op zijn buik, want hij heeft geen buikpijn.

Hij kijkt me zelfs hoogstverbaasd aan en zegt: “Ik had helemaal geen buikpijn hoor!”

Zeiknat

zeiknat

Ja hoor, dat had ik weer. Ik had haar net in de sta-lift staan zodat ik haar van onderen kon wassen en aankleden en ineens schoot zij naar voren. Ze liet de lift los met haar ene hand, trok de waskom van het nachtkastje terwijl ik daar net een washandje uit zou halen. Zeiknat waren mijn spijkerbroek, schoenen en sokken. Het was wel duidelijk, ze wilde niet gewassen worden, maar het was wel even nodig.

Zorgprofessional of niet, ik was behoorlijk boos en liet dat merken. Zij weet heel goed wat ze doet, maar uit dat op wat ongebruikelijke wijze. Ik maakte af waar ik mee bezig was en liet haar in de rolstoel zakken.

“Ik wil koffie”, werd mij herhaaldelijk verteld. Tja en ik had even geen puf om nu heel vriendelijk en aardig een kop koffie voor haar in te schenken, zodat ik haar liet weten dat zij dat aan mijn collega moest vragen.

“Ik ga ondertussen mijn sokken uitdoen en andere schoenen aantrekken. Daarna heb ik het een poosje druk met mijn broek droog föhnen.”
Zo gezegd zo gedaan, sokken uit, schoenen omgeruild, steunzolen te drogen gelegd in mijn kluisje en toen, zittend op een kruk, mijn spijkerbroek droog föhnen. Dat duurde een mooi poosje terwijl ik de verdere zorg voor haar aan een ander overliet.

Na de warme maaltijd wilde zij naar bed en tot mijn verbazing werd dat vriendelijk gevraagd: “Mag ik alstublieft naar bed?” Meestal is het alleen: “Ik wil naar bed”. En dan niet één keer, maar gewoon als een soort mantra.

Ik heb haar naar bed geholpen en nog even over het voorval met de waskom gesproken.

“U bent toch bij uw volle verstand?”

“Ja!”
“Dan vind ik het wat raar dat u zo’n waskom over mij heen trekt.”

De volgende dag verliep rustig. Zij wilde niet uit bed, schreeuwde niet maar ineens bleek zij wel haar persoonlijke alarmbel te gebruiken. Dit had zij nog niet eerder gedaan, dus een beetje verbaasd was ik wel. Meestal horen we alleen geschreeuw als er iets is wat zij wil. Vaak wil zij dan uit bed en meestal is haar inco dan ook erg vies. Dus haar logica hebben we wel al ontdekt in hoe dit werkt.

Maar nu belde ze dus en ik liep bij haar naar binnen met de vraag wat ik voor haar kon doen. Tja, zij wilde uit bed en dit werd allemaal heel vriendelijk gezegd. Mijn eerste reactie was dat ik dit gedrag moest belonen, want tja, dit had ze niet eerder gedaan. Mijn tweede reactie was: Maar ik heb nu lunchpauze en als ik ieder verzoek rond die tijd honoreer dan schiet mijn lunchpauze er bij in. En eerlijk is eerlijk, ik moet toch eerst voor mezelf zorgen voordat ik goed voor een ander kan zorgen.

“Fijn dat u de bel hebt gebruikt. Ik heb nu alleen lunchpauze, maar als ik klaar ben met eten haal ik u meteen uit bed.”

Dat bleek niet helemaal haar bedoeling wat ze zette haar mantra weer in: “Ik wil uit bed”.

Ik legde haar weer uit hoe ik het ging doen en maakte met haar de afspraak dat zij niet zou gaan liggen schreeuwen en dat ik na mijn lunchpauze eerst haar uit bed zou halen. Daarna liep ik haar kamer uit. Ik had de deur nog niet dicht of het geschreeuw begon, zodat ik terug liep. Niet om haar meteen te helpen, maar om op haar goede verstand aan te spreken.

“Waarom schreeuwt u, dat was de afspraak niet. U bent toch goed bij uw verstand?”

Direct beaamde zij dit.

“Dan begrijp ik uw geschreeuw niet. De afspraak was dat u niet zou gaan schreeuwen en dat ik u na mijn lunchpauze direct uit bed zou halen.”

Heel even schreeuwde zij nog, maar toen werd het rustig. Na mijn lunchpauze heb ik haar een compliment gegeven dat zij zich aan de afspraak had gehouden en heb ik haar uit bed geholpen.

Ze heeft heerlijk zitten eten aan tafel en wilde na het eten vrijwel direct weer naar bed. Mijn collega zou haar helpen en liet haar weten dat ze nog even geduld moest hebben omdat er iemand dringend naar het toilet moest. En ook dat stukje verliep rustig.

Best fijn eigenlijk voor alle partijen.

 

Moord en brand schreeuwen

moord en brand schreeuwen

Geduld heeft hij niet. Aan zijn vaste tijden houdt hij stevig vast. Zo stevig dat hij vaak al een half uur van te voren aan het schreeuwen slaat. Dan heeft hij hulp nodig, anders komt hij te laat. Waar hij te laat komt? Bij het ontbijt, of bij de warme maaltijd of om te slapen. Als de gang van zaken ook maar iets afwijkt raakt hij van streek. Ook als hij gedoucht of gewassen wordt schreeuwt hij moord en brand. Het moet sneller, of hij mag niet te lang staan van de regering. En het ligt ook altijd aan ons, want hij schreeuwt omdat wij het niet goed doen, of in ieder geval niet snel genoeg.

Hij heeft een licht verstandelijke beperking, is autistisch en heeft door een hersenbloeding ook nog eens Niet Aangeboren Hersenletsel. Tja, maar dan kan hij toch niets aan zijn gedrag doen? Zo dacht ik ook een hele poos. Inmiddels ken ik hem bijna een jaar en ontdekte ik wat openingen.

Zijn bril was kapot. Die ligt ‘s nachts op zijn nachtkastje en deze had hij in een boze bui kapot gemaakt. Het was een dure bril, dus zijn familie was hier niet blij mee. Ik besloot eens te kijken of wij hem met hem af konden spreken dat hij zijn bril, naast zijn beker op zijn bureau zou leggen. Mijn collega en ik herhaalden deze afspraak die dag een aantal keer. Ook liet ik het hem zelf een aantal keer hardop herhalen.

Het bleek ‘s nachts even een probleem te zijn geweest, maar er werd volgehouden. Zijn bril ligt nu al weken niet meer op zijn nachtkastje en dat geeft geen problemen. Reden voor mij om met meer dingen te experimenteren. Kleine dingetjes die het leven voor iedereen wat aangenamer maken.

‘s Morgens schreeuwde hij tot we hem om half acht kwamen helpen. Dat moet toch anders kunnen, redeneerde ik. Zo liep ik op een gegeven moment bij hem naar binnen en sprak ik met hem af dat ik over vijf minuten terug zou komen en dat hij in die tijd niet zou schreeuwen. Natuurlijk lukte dat niet op stel en sprong, dus na vijf minuten kwam ik uiterst teleurgesteld bij hem: “Ik heb me aan de afspraak gehouden, maar jij niet. Dat vind ik niet eerlijk. Dat moet anders. Morgen gaan we het weer oefenen.”

Inmiddels weet hij heel goed hoe de afspraak is en hoor ik hem wel mopperen en zuchten, maar hij schreeuwt niet meer.

Verder uitbouwen dus. Als hij aangekleed in zijn rolstoel zit moet het liefst meteen alles opgeruimd, inclusief de actieve lift. Dan heb je dus je handen vol, laat je iets liggen dan begint hij te schreeuwen. Stukje bij beetje oefende ik met hem dat ik eerst de was en zijn vieze inco ging opruimen, want ja, die inco stonk. De actieve lift liet ik dan bewust staan, want mijn handen waren vol. Het werkte op dezelfde manier en de eerste keer schreeuwde hij moord en brand dat ik iets was vergeten. Toen ik terugkwam hielp ik hem er weer aan herinneren dat we een afspraak hadden en dat ik me daaraan gehouden had. Ook liet ik weten dat ik het toch wel jammer vond dat hij dat niet had gedaan. Sinds kort schreeuwt hij dan niet meer en vraagt hij zelfs: “Het ik goed gewacht?” Dan prijs ik hem de hemel in, want complimenten ontvangen vindt iedereen leuk.

Het laatste wat ik met hem geoefend heb en wat hij best snel onder de knie heeft is dat zijn raam open gaat als hij gedoucht is en gaat onbijten. Eerder was dat absoluut geen optie, want al schreeuwend ging hij dat raam meteen weer dicht doen. Tegenwoordig zeg ik: “Ik zet je raam open. Als jij je ontbijt op hebt mag je het dicht doen.” Dan gaat hij zuchtend en steunend richting de huiskamer, maar hij schreeuwt niet.

Soms laat hij bij zo’n afspraak weten dat hij het best moeilijk vind. Dan zeg ik: “Dat begrijp ik en dat mag je ook moeilijk vinden. Ik vind ook wel eens iets moeilijk.”

Onderhandelen in het verpleeghuis

hersenen

Ze is kort geleden bij ons komen wonen. Over zichzelf zegt ze: “Mijn verstand gaat nogal eens met me op de loop”. Dat is niet heel gek als je bedenkt dat ze Niet Aangeboren Hersenletsel heeft. Vaak is ze wispelturig en dwars, wil haar medicatie niet innemen en weigert ook nogal eens haar insuline. Dat is niet handig als je diabeet bent, maar dat inzicht heeft zij niet.

Tijdens de avondmaaltijd was ze beneden omdat ze bezoek had. Tegen een uur of zes besloot ik toch maar eens even een poging te wagen om haar bloedsuiker te controleren. Ik gaf het bezoek een hand en vroeg haar of ik haar bloedsuiker mocht prikken.
“Ja, maar niet waar zij bij zijn”, was haar reactie.

Ik vond dat prima maar sprak wel meteen met haar af dat ze naar boven zou komen als het bezoek vertrokken was.

Een kwartier later kwam zij de huiskamer in en zowaar, ik mocht haar bloedsuiker controleren. Die was erg hoog, zodat zij behalve de gebruikelijke dosering ook nog extra gespoten moest krijgen.

Laat dat nu net niet haar bedoeling zijn. “Nee, jullie altijd met je insuline. Flauwekul allemaal. Ik wil het niet.”
Ik besloot hier verder niet op in te gaan en hervatte mijn werkzaamheden. Af en toe keek ik naar haar en zag dat zij gebogen in haar stoel zat te zuchten.

Ze bleek pijn in haar rug te hebben. “Kan ik misschien iets voor u doen?”

“Ja, mijn rug masseren.”

“Prima, maar dan geef ik u wel eerst de insuline.”

“Oké, doe maar!”

Daarna boog ik me wat onhandig over de rugleuning van haar rolstoel om haar rug zo goed en zo kwaad als het ging te masseren. Heerlijk vond ze het.

 

Elkaar niet kunnen luchten of zien

hersenen

Ze hebben beiden dezelfde voornaam, maar ze kunnen elkaar niet luchten of zien.

Vandaag gingen ze, beiden in hun rolstoel, tegelijk naar beneden. Zonder elkaar een blik waardig te keuren zaten ze te wachten tot de lift kwam. Toen de deur open ging reed de een naar binnen, de ander bleef stug zitten waar hij zat. Hij bleef wachten op de volgende lift.

Toevalligerwijs kwamen ze tegelijk weer boven. Beide liftdeuren gingen open, ze reden samen de gang in en keken elkaar aan. De één bleef bij de lift staan terwijl de ander de afdeling op reed. Hij kwam pas in beweging toen de ander uit het zicht was.

 

Mega pijn

megapijn

Zijn gedrag is veranderd. Hij is sneller dan normaal geïrriteerd en reageert op de kleinste opmerking. Iedereen in de huiskamer moet het ontgelden. Maar ook als ik hem help doe ik weinig of niets goed. Het gaat niet snel genoeg of hij heeft te lang moeten wachten of de volgorde die ik hanteer is niet goed. Hij snauwt en scheldt dat het een lieve lust is. Even denk ik dat het persoonlijk is, dat hij alleen tegen mij zo doet, want ik lees het nergens in rapportages en ik hoor er ook niemand over.

En dan ineens valt bij mij het kwartje als hij zich verontschuldigd voor zijn gedrag. “Pijn is niet fijn”, zegt hij. Ik reageer op dat moment niet, want zelfs bij de meest goed bedoelde vraag ontploft hij.

Na de warme maaltijd loop ik naar hem toe: “Mag ik je een vraag stellen zonder dat je meteen boos wordt?”

Verbaasd kijkt hij me aan en knikt. “Is de pijn erger dan een poos geleden?”

Ja, pijn heeft hij, maar verder gaat hij niet op mijn vraag in.

De volgende ochtend help ik hem na het douchen, wat hij nog altijd zelf doet. “Ik heb echt mega pijn!”, zegt hij.

“Dat dacht ik al daarom vroeg ik je gisteren of de pijn erger is geworden.”

“Hoe weet jij dat, kan je dat aan mijn gezicht zien?”

“Nee, aan je gezicht zie ik het niet, maar ik merk het wel aan je gedrag. Je bent veel sneller boos en kan weinig van anderen hebben.”

“Ik wil het niet, maar door de pijn reageer ik zo, daar kan ik niks aan doen.”

“Misschien had je dit gewoon aan moeten geven, dan had ik in een eerder stadium met de arts over je pijn kunnen praten. Ik ga het voor de artsenvisite opschrijven, zodat zij iets aan je pijnmedicatie kan veranderen.”
Hij is er blij mee en vanaf dat moment verandert zijn gedrag ook weer een beetje. Niet zo snel aangebrand meer en minder gescheld en getier.

Toen ik hem gisteravond, met de passieve lift, naar bed hielp kon ik wel aan zijn gezicht zien dat hij pijn had. Op het moment dat ik de lift van zijn stoel naar het bed reed zei hij: “Ik ga niet schelden, ik ga niet schreeuwen, ik ga niet schelden, ik ga niet schreeuwen.”

Het leek wel een soort mantra.

De verkeerde pet

Pet

Tussen de middag wordt er warm gegeten en één van de bewoners zit erg onsmakelijk te eten. Hij hoest voortdurend, geeft een hoop slijm op en vraag om een bak. Die geef ik hem en vraag hem naar zijn kamer te gaan om daar verder te eten. Dit is ook de afspraak die wij met hem hebben gemaakt.

Hij wordt boos. “Ik bepaal zelf wel of ik naar mijn kamer ga” en maakt geen aanstalten om op te staan.

Ik loop naar hem toe, zet zijn rollator bij zijn stoel en laat weten dat hij gewoon met me mee moet gaan. De kom met het opgegeven slijm zet ik op zijn rollator. Hij loopt mee, maar vindt me behoorlijk onbeschoft. Tja, meestal vindt hij me een lieve zuster, behalve op dit soort momenten.

Weer terug in de huiskamer zegt één van de bewoners: “Zijn pet staat zeker verkeerd”.

Terwijl ik een andere bewoner help met het innemen van zijn medicijnen laat ik weten dat mijn pet inmiddels ook verkeerd staat. Waarop de bewoner die ik aan het helpen ben een giechelbui krijgt en al giebelend zegt: “En je hebt niet eens een pet op.”

Plechtig beloof ik dat ik volgende keer mijn pet mee zal nemen. Dan kan iedereen aan de stand van de pet zien hoe het met mijn humeur gesteld is.

Drank maakt meer kapot dan je lief is

Drank maakt meer kapot dan je lief is

Hij begint zijn dag met wat blikjes bier. Daarna worden ze verstopt zodat hij zich kan verbeelden dat wij het niet door hebben. Natuurlijk is hij nooit dronken en wat weten wij daar nou eigenlijk van. Nee, die zusters verbeelden zich dat ze echt alles weten en overal verstand van hebben.

Hij heeft een scootmobiel aangeschaft, of gekregen, dat weet ik niet precies. Het ding stond er ineens en dat wij het niet raadzaam vonden wanneer hij daarop ging rijden begreep hij niet. Hij moest wat lessen nemen bij de ergotherapeut. Natuurlijk was het niet vertrouwd, maar daar wilde hij niets van weten.

Gisteren, tijdens de broodmaaltijd, was hij boos. “Ik mag niet op mijn scootmobiel rijden. Gek zijn ze hier. Waar bemoeit iedereen zich eigenlijk mee”. Hij mocht er van mij even over mopperen, maar na drie keer wisten zijn tafelgenoten en ik het wel en ik verzocht hem er over te stoppen. Normaal gesproken vindt hij mij een lieve zuster, maar nu even niet. “Jij bent al net zo’n kreng!”

Na het eten verdwijnt hij meestal naar zijn kamer en belt hij rond een uur of half negen dat hij zijn zwachtels en korset af wil. Deze avond bleef het stil ik besloot rond een uur of negen maar eens een kijkje te gaan nemen. Kamer leeg, wel een rollator èn een rolstoel, maar geen scootmobiel.
Hè, verdorie nu was hij toch op dat ding weg gegaan. Het nachthoofd gebeld om dit te laten weten. Het is een open instelling, dus iedereen kan gaan en staan waar hij wil. Als hij echt niet boven water kwam zou ze de politie bellen.

Om kwart voor tien kwam hij de lift uit in zijn scootmobiel. Er liep een vrouw naast die zich de weg liet wijzen door hem. Ze kwam op mij af en stelde zich voor als medewerker van een kroeg niet ver bij het verpleeghuis vandaan.
“Hij is van zijn scootmobiel gevallen. Er was iets met zijn katheterzakje. Het was stuk of lek dacht hij en hij wilde het laten zien. Doordat hij zich naar beneden boog viel hij van de scootmobiel af. Zijn broek is helemaal nat, dus het zakje zal echt wel lek zijn. Ik ben maar even met hem mee gelopen, al wilde hij dat niet.”

Ik bedankte haar en zei dat ik naar hem toe zou gaan.

“Zou hij wel zonder vallen van zijn scootmobiel af kunnen komen?”

“Dat is wel de bedoeling. Mensen die op een scootmobiel rijden worden geacht hier zelf op en af te kunnen.”

Met een rood hoofd liep hij schommelend door zijn kamer. Hij begreep er niets van en kon er uiteraard ook niets aan doen. Zijn broek was nat en in zijn schoen voelde het ook nat. Ik maakte de broek los, en vroeg hem op de rand van zijn bed te gaan zitten. Eerst de broek uit, daarna zijn sokken en een steunkous, die ook drijfnat was. Daarna zijn zwachtels van zijn andere been, die gelukkig nog droog waren. Zijn katheterzakje had zo vol gezeten dat het op de naad geknapt was. maar dat alles daardoor nat was geworden begreep hij niet.
“Je had beter je katheterzakje even kunnen legen voordat je weg ging.”

“Ja, dat is weer mooi achteraf gepraat.”
“Dat is zo, maar als je van te voren even nadenkt hoef je niet achteraf te praten.”

Ik had makkelijk praten, want hij kon er toch echt niets aan doen.

Tja, drank maakt meer kapot dan je lief is, zelfs je katheterzakje.