Tag Archives: Niet Aangeboren Hersenletsel

De nieuwkomer

Nieuwkomer

Hij is een jaar jonger dan ik, het revalideren is niet gelukt en nu woont hij bij ons op de afdeling voor mensen met Niet Aangeboren Hersenletsel. Zijn linker arm en been doen niet meer mee. Toch doet hij zoveel mogelijk zelf en zag ik hem ‘s avonds zijn brood smeren en snijden.

Ik observeer hem en tegelijkertijd ook hoe de andere bewoners op hem reageren. Het gaat goed, maar aan hem meen ik vooral te merken dat hij niet lastig wil zijn. Of dat werkelijk zo is moet de tijd leren, maar het is mijn eerste indruk.

Het gekke is dat wanneer mensen niet lastig willen zijn, ze dit op een andere manier wel zijn. Dat klinkt een beetje gek, dat hoor ik zelf ook. Ik zal het proberen uit te leggen:
Ik meen aan hem te zien dat hij iets wil vragen, maar tegelijkertijd merkt hij op dat ik druk bezig ben. Er gaat een bewoonster met haar echtgenoot mee naar het diner in het verzorgingshuis aan de overkant. Zij moet haar pillen nog innemen, haar bloedsuiker moet gecontroleerd om te bepalen hoeveel insuline ik haar moet geven en in de gang staat de ergotherapeut op me te wachten die me iets door wil geven. Maar hij wil iets vragen en gaat strategisch midden in de huiskamer zitten en volgt wat ik doe. Als ik een andere kant op loop draait zijn rolstoel mee. Lastig, want hij kan beter gewoon zijn vraag stellen.

Als ik klaar ben met de medicatie van de bewoonster en de wachtende ergotherapeut te woord heb gestaan loop ik naar hem toe en vraag of ik iets voor hem doen kan.

Hij wil graag zijn jas aan zodat hij nog even naar buiten kan om te roken. Tja, dat wil ik best doen, maar het is bijna etenstijd en de tafel moet nog gedekt. Bovendien is hij dan niet op tijd terug en die etenstijden houden we toch wel in ere. Had hij mij dit eerder gevraagd, dan had ik hem zijn jas aan kunnen trekken en daarna me met die medicatie bezig kunnen houden om tenslotte de ergotherapeut te woord te staan.

“Ik wil u graag helpen met uw jas, maar dan doe ik dat na het eten, want het is echt etenstijd, we zijn al wat aan de late kant.”

Hij vindt het prima, als hij dan maar na het eten mag gaan roken. Natuurlijk mag dat.

Rond een uur of acht wil hij naar bed geholpen worden. Gelukkig geeft hij dit goed aan en ik leg hem uit dat ik over tien minuten bij hem kom, omdat ik net een andere bewoner naar bed zou gaan brengen.

Ik red het om na tien minuten bij hem te zijn en help hem naar bed. Intussen maak ik een praatje met hem om te peilen wat voor soort man dit is. Hij vertelt, ik luister en stel af en toe een vraag.

Hij is moe en blij dat hij ligt en wil graag iets om te slapen. Helaas staat er geen slaapmedicatie op zijn medicijnlijst.

Om kwart voor elf gaat zijn bel en ik loop naar hem toe.

“U zult me wel gestoord vinden dat ik hiervoor bel”, zegt hij.

Ik maak een grapje en zeg: “Ja ik dacht al, wat ligt hier voor gestoord persoon in bed”. Hij kan er om lachen. Gelukkig, dat heb ik goed ingeschat.

Het probleem blijkt de jeuk aan zijn rechter bovenarm te zijn. Zijn linkerhand ligt doelloos naast zijn lichaam, daar heeft hij niets aan.

“Zal ik dan even krabben?” Ik probeer de plek te lokaliseren waar hij jeuk heeft. Ik zit er aldoor net naast. Dan wijst hij met zijn rechterhand op de linker bovenarm aan waar de jeuk zit.
“Handig, zo snap ik beter waar ik krabben moet” en ik krab over de plek waar het jeukt.

Ik wens hem welterusten en loop terug naar het teamkantoor waarbij ik bedenk dat de manier waarop hij dit onder de aandacht bracht bij mij het gevoel versterkt dat deze man vooral niet lastig wil zijn.

Advertisements

Zijn versleten heup

heup

Voordat hij naar bed geholpen wordt help ik hem naar het toilet. Hij staat in de actieve lift, kreunt en zegt: “Wat kan dat zeer doen zeg, zo’n versleten heup”.

Ik laat hem op het toilet zakken en vraag hem te bellen als hij klaar is. Ik ruim wat op, sla zijn dekbed terug en leg alvast kleding klaar voor de volgende dag. Als hij belt loop ik naar hem toe.

“Wat kan dat toch zeer doen zeg, zo’n versleten heup”, zegt hij nog een keer. Ik beaam het, want ja, dat is ook pijnlijk.

“Ik moet er ook veel meer door plassen”, zegt hij.

“Daar heb ik nog nooit van gehoord, dat je meer moet plassen door een versleten heup.”

Hij kijkt me, over de rand van zijn bril, aan en zegt dan: “Nou, het kon toch wezen?”

 

 

Stoom uit mijn oren

stoom uit mijn oren

Sinds ongeveer een week hebben we er een nieuwe bewoner bij. Dat betekent een week of zes wennen aan elkaar. Hij aan ons en aan de andere bewoners en vice versa. Hij is iemand die van provoceren lijkt te houden en doet dat vooral tijdens de maaltijden. Dat is het moment dat iedereen in de huiskamer aanwezig is. De rest van de dag gaat iedereen toch een beetje zijn eigen gang.

Het is tweede Kerstdag, vlak voor de broodmaaltijd van 17.00 uur komt hij al luidruchtig binnen en praat een bewoner na die iets tegen mij zegt. Dat valt al meteen verkeerd bij de anderen. Hij gaat zitten vraagt zich meteen hardop af hoe lang het gaat duren voordat hij wat krijgt. Ik schenk koffie, thee en melk in en vervolg mijn werkzaamheden. Een aantal krijgen brood, boter en beleg en kan zichzelf dan verder redden. Onze nieuwe bewoner ook, ondanks dat zijn linkerhand niet goed meedoet. Op het moment dat ik voor zijn buurman brood begin te smeren begint het:
“Waarom moet ik zelf mijn brood klaarmaken en hij niet? Hij heeft twee klauwen en ik maar één.”

“U smeert tot nu nog alle keren zelf uw brood want uw linkerhand werkt nog een beetje mee en uw buurman heeft echt maar één hand tot zijn beschikking.”

Ik ga naar de volgende tafel en vraag wat de bewoners daar op brood willen. De ene wil nog wel wat van de salade, maar de ander wil iets wat hij beter niet kan eten omdat hij dan meestal halverwege moet braken.

“Jij wil altijd iets wat er niet is, of wat je niet mag!” hoor ik de nieuwe bewoner zeggen.

Ik vraag hem om zich niet met de anderen te bemoeien.

“Ik mag toevallig zeggen wat ik wil, ook als het jou niet uitkomt.”

Professioneel of niet, ik voel boosheid naar boven borrelen, maar ik reageer verder niet. Als iedereen van brood is voorzien ga ik de medicijnen delen. Voor hem trek ik de insulinepen op en pak een metformine tablet. “Alstublieft, uw medicijnen.”
“Steek die maar in je reet, samen met het brood en het beleg. Ik hoef die rommel niet.”

Ik pak de medicijnen weg en laat hem weten dat hij van mij de medicijnen niet hoeft in te nemen.
“Daar heeft u alleen uzelf mee, niet mij.”

“Ach mens, doe gewoon je werk en zeur niet.”

Het vervelendste is dat hij hiermee twee bewoners op zijn hand krijgt en dat er bij de rest van de bewoners een dodelijke stilte valt. Het is duidelijk dat wij als team hier iets mee moeten. Duidelijkheid naar de bewoner toe, duidelijkheid voor ons hoe te handelen. Hem nu naar zijn kamer sturen zal geen effect hebben.

Na de maaltijd verdwijnt hij weer naar zijn kamer. Zijn buurman zucht en zegt: “Wat een rotzooi is het hier”. Ik kan niet anders dan dit beamen.

Als ik de tafels afruim gaat mijn pieper en op het display zie ik dat de bel afkomstig is van de nieuwe bewoner. Ik besluit eerst alles op te ruimen voordat ik bij hem ga kijken. Hij ligt op bed en ik vraag hem wat ik voor hem kan doen.

“Wil je de televisie aan doen en ik wil een schone broek.”

Ik sta een poosje te kijken terwijl mijn hersenen op volle toeren draaien om te bedenken hoe ik hierop zal reageren. Het hele voorval van daarnet negeren of hem daar nog op aanspreken. Hij is nu gewoon weer vriendelijk. Ik besluit tot het laatste en pak er een stoel bij.
“Nog geen kwartier geleden kon ik geen goed doen, moest ik niet zeuren en gewoon mijn werk doen. Ik kon het brood, het broodbeleg en uw medicijnen in mijn reet steken en nu vindt u het de gewoonste zaak van de wereld dat ik uw televisie aanzet en u verschoon. Ik vind dit een rare gang van zaken en vraag me af hoe u het zou vinden als ik zou zeggen dat u die televisie en die schone broek in uw reet kan steken.”

Hij kijkt me een poosje aan en zegt niks, maar ik zie hem denken. Ik help hem met de schone broek, zet de televisie aan en wens hem een fijne avond.

Tien minuten later, als ik met mijn collega’s zit te eten en stoom afblaas over deze man komt hij met zijn scootmobiel langs. Of ik even wat sigaretten voor hem wil pakken. Daarna vertrekt hij, maar rijdt de verkeerde kant op. Hij verdwaalt nogal eens dus loop ik achter hem aan. Hij bleek nog niet naar beneden te gaan, maar moest zijn scootmobiel nog aan de lader zetten. Zijn accu is bijna leeg.

“U bent in de verkeerde gang, daar is uw kamer niet.”
“Dat gebeurt me hier iedere keer. Ik snap er niks van.”

“O, ik wel hoor. Wij verwisselen de gangen als u even een poosje op bed ligt.”

Hij kan er wel om lachen en zegt: “Ja, dat dacht ik al.”

“Dan is het in ieder geval niet uw schuld dat u verdwaalt.”

Zijn accu blijkt echt leeg, dus duw ik hem terug naar zijn kamer en ik kan het niet laten om toch nog iets over het eerdere voorval te zeggen: “Eigenlijk hebt u wel mazzel dat ik dit tijdens mijn pauze voor u doe. Zeker nadat u zich tijdens de maaltijd zo misdragen heeft. Ik had ook kunnen zeggen dat u die scootmobiel maar in u reet moest steken. Maar ja, dat ding is een beetje groot en gaat waarschijnlijk niet passen.”

De rest van de avond heb ik geen last van hem. Tegen 21,30 uur vraag ik hem zijn sigaretten en aansteker in te leveren, want hij is al een aantal keer betrapt op roken in bed. . Zonder problemen krijg ik de spullen van hem en ik wens hem goede nacht.

Tijdens dit soort diensten en helemaal tijdens de Kerst vraag ik me af waarom ik dit werk doe. Vaak zegt men dat dit zulk dankbaar werk is, terwijl dat echt niet altijd het geval is. Het is schipperen tussen alle kuren en korte lontjes van iedereen. Ik begrijp echt wel dat mensen het moeilijk hebben met hun afhankelijkheid. Ik begrijp alleen niet altijd waarom ze zich dan afzetten tegen degene waarvan ze hulp krijgen. Maar goed, ander werk? Ik zou eerlijk gezegd ook niet weten wat voor werk dan. Het blijft een boeiend beroep.

 

De verdwaalden

verdwaald

Misschien lag het aan het weer, of aan de naderende Kerst, wie zal het zeggen.

Ik bracht rond een uur of zes iets terug naar de tweede etage en zag daar een bewoner van de derde etage in de deuropening van een kamer. Haar kamer, maar dan een etage te laag. Ze wilde er niet meer weg en mijn collega’s vroegen of ik haar mee wilde nemen.

“Gaat u mee naar boven, naar uw eigen kamer?”

“Nee hoor, daar ben ik al geweest. Als ik daar weer heen moet ga ik naar huis!”

Tja, in deze kamer kon ze niet blijven, die was niet van haar. Ik haalde de stoel van de rem en al pratend liep ik met haar naar de lift.

“Hier ben ik ook al geweest”, waren haar woorden toen de liftdeuren open gingen.

“De lift is toch de enige mogelijkheid om van beneden naar boven te komen. Met de rolstoel over de trap is niet zo handig.”

“Nee, daar krijg je ongelukken van.”

Ik bracht haar terug naar mijn collega’s van de andere gang op drie hoog. Daar zag ik een collega rennen en vliegen, want er was een bewoner van ons verzeild geraakt bij het verpleeghuis aan de overkant.

“Nee, dat is deze mevrouw niet, ik kwam haar tegen op de tweede etage.”

Mijn collega vloog de trappen af om de verdwaalde bewoner op te halen.

Later op de avond, het zal tegen negenen zijn geweest, zag ik vanuit mijn ooghoeken een man in een rolstoel langs de kamers gaan. Hij was duidelijk aan het zoeken en ik liep naar hem toe. Ik zag dat hij van mijn leeftijd was en zo te zien had hij een linkszijdige verlamming.

“Bent u op zoek naar iemand?”

“Nee, ik zoek mijn kamer.”

“Op welke etage woont u?”

“Dat weet ik niet?”

“Bent u aan het revalideren?”

Zichtbaar opgelucht knikte hij van ja.
“ Dan woont u op de eerste etage. Als u even wacht loop ik met u mee naar de lift”. Daar aangekomen reed hij de lift in.

“U moet naar één hoog.”

“Dan moet ik op deze knop drukken, toch?”

“Ja, helemaal goed!”

Ik ging weer terug naar de afdeling en hervatte mijn werkzaamheden.

Om elf uur, tijdens de overdracht vroeg ik mijn collega wie er aan de overkant terecht was geraakt. Het bleek iemand van één hoog te zijn. Waarschijnlijk de verkeerde kant op gegaan na het roken.

Onderweg naar huis, waarbij ik niet verdwaalde, bedacht ik hoe blij ik ben dat ik in het verpleeghuis werk en er niet hoef te wonen.

 

Het is niet goed of het deugt niet

werkdruk

Natuurlijk wil ik eerst even die zwachtels bij hem omdoen omdat mijn collega dit niet mag. Dat kan nog net voordat ik om half acht onze bewoner ga helpen die dit als vaste tijd heeft om hem op die manier zoveel mogelijk structuur en houvast te geven.

Om tien over zeven ‘s morgens begin ik dus met zwachtelen. Ik ben nog geen minuut bezig of ik krijg de wind van voren over de dag ervoor. Toen had hij nadat ik hem gezwachteld had nog zo lang moeten wachten tot hij verder geholpen werd. Hij hoopte dat dit vandaag niet zo zou gaan en vroeg meteen maar of ik hem niet even helemaal kon helpen.

“Ik werk vandaag, net als gisteren, op de andere gang maar doe dit er even bij omdat mijn collega dit niet mag”.

“Ik snap niet dat ze dat soort mensen aannemen. Daar heb je toch helemaal niets aan?”

Deze reactie schiet mij in het verkeerde keelgat. We hebben dit weekend met ziekte te kampen en werken daardoor met een krappere personeelsbezetting.

“Ik mag toch hopen dat u dit niet straks ook tegen mijn collega zegt. Ik ben blij dat ze er is, want anders was ik alleen geweest vandaag en had u misschien nog langer moeten wachten.”

“Ja, ik weet wel dat jij daar ook niks aan kan doen, maar ik begrijp niet waarom ze niet gewoon meer personeel aannemen of ergens een potje reservepersoneel hebben. Er kan toch gewoon iemand voor die zieke invallen.”

“Hebt u enig idee hoe dit voor mij is? Ik kom bij u, zodat u vroeg geholpen kan worden en ik word begroet met een hoop gemopper. Jullie zijn hier met z’n zestienen en wij zijn maar met z’n tweeën. Die verdeling ligt wat scheef volgens mij en daardoor kunnen wij er niet voor zorgen dat jullie alle zestien op tijd geholpen worden. Wij beginnen altijd als eerste bij u, er zijn er die langer moeten wachten.”

“Ja, ik begrijp jou wel. Ik ben ook niet boos op jou en ik snap heus wel dat jullie niet alles tegelijk kunnen. Maar daar hoef ik toch niet de dupe van te worden?”

Het is vijf voor half acht en deze bewoner kan verder geholpen worden door mijn collega. Ik verlaat zijn kamer en ga naar de volgende bewoner die ligt te schreeuwen dat hij geholpen moet worden.

Om tien over zeven heb ik hem nog verteld dat ik om half acht bij hem zou zijn en dat hij tot die tijd niet hoeft te schreeuwen. Twintig minuten is lang voor hem en hij heeft het een kwartier volgehouden om rustig te blijven. Daar geef ik hem een compliment voor.

Op zo’n dag ga ik letterlijk een stapje langzamer lopen. Op die manier raak ik zelf niet gejaagd en voorkom ik dat ik die gejaagdheid overbreng op de bewoners. Maar om de dag op deze manier te beginnen is werkelijk niet leuk. Ik weet dat de bewoners kampen met niet aangeboren hersenletsel, maar ik vind het nog steeds geen vrijbrief voor dit soort gedrag. Als we dat wel zo zien en dat ook uitstralen denken bewoners dat alles maar gezegd en gedaan mag worden. Ik ben er zeker van dat er gerust wel wat blijft hangen van het tegengas dat ik geef.

De bokkenpruik op

bokkenpruik

Vaak wil ze ‘s morgens niet uit bed en eigenlijk wil ze dan niets. Even zo vaak wil ze ‘s avonds niet in bed geholpen worden, terwijl ze dan wel moe is.

Vanmorgen had ze ook de bokkenpruik op. Ik mocht haar bloedsuiker controleren, maar verder hield ze koppig vast aan haar “nee”. Lastig, want haar bloedsuiker was aan de lage kant en eten is dan de enige oplossing, maar ook dat wilde ze niet.

Ik gooi, als het om haar gaat, mijn vertelkunst in de strijd en zodra ik bij haar de kamer in kom begon ik mijn verhaal. Meestal over mijn kleinkinderen, maar ook wel eens over mijn ouders. Dan is ze afgeleid en kan ik haar gewoon helpen met wassen en aankleden. Aangezien ze gisteren de aankomst van Sinterklaas op tv had gezien besloot ik daarop voort te borduren.

“Weet je wie ik vannacht in mijn huis tegenkwam toen ik naar de wc ging? Sinterklaas en Zwarte Piet”.

“O meid echt waar? Wat leuk!”

“Ja, echt waar. Sinterklaas zei gisteren dat iedereen zijn schoen weer mocht zetten. Ik heb gewoon al mijn schoenen uit de kast gehaald en neergezet. Winterschoenen, sportschoenen, laarsjes, pantoffels, sandalen, slippers, gymschoenen en ook nog mijn schoenen met hakjes. Wat denk je dat Zwarte Piet zei?”

“Ja, wat zei hij?”

“Dat ik wel al mijn schoenen had neergezet, maar dat ik niet moest denken dat hij ook overal snoepjes in zou doen. Daar kon hij niet aan beginnen.”

“O meid, wat jammer!”

Ik borduurde nog wat voort op mijn Sinterklaasverhaal en al vertellend hielp ik haar met wassen en aankleden. Voordat ze het in de gaten had zat ze in haar stoel en reed ik haar naar de huiskamer zodat ze haar boterham met een gekookt eitje kon eten.

Een zalfje tegen de buikpijn

Kort door de bocht

“Hij heeft buikpijn en wil daar een zalfje voor”, laat mijn collega weten als ik aan het werk ga.

Ik schiet even in de lach, maar bedenk wel meteen dat ik deze zorgvraag waarschijnlijk moet vertalen in een totaal andere.

“Moet u naar het toilet?” Nee, dat is het niet, maar ik krijg wel een hele uitleg over een bevalling en dat het vervelend voelt als hij zit. En ja, hij wil een zalfje vanwege de buikpijn.

“Ja, een bevalling is pijnlijk, daar weet ik alles van, want ik heb drie kinderen.”

Ik weet ook, dat als hij niet op tijd naar het toilet geholpen wordt en hij het in zijn broek doet, de ontlasting straks overal zit. Aan zijn handen, in zijn haar, aan de muren en noem maar op.

“Weet u wat ik ga doen? Ik ga u toch even op het toilet helpen. Zet u de rolstoel even op de rem, dan haal ik de lift voor u.” Hij doet wat ik hem vraag en als ik terug kom met de lift leg ik hem uit dat ik, als hij op de wc zit, beter bij zijn buik kan. Dan kan ik zien of daar iets mis mee is en er eventueel een zalfje op smeren.
Als hij in de “sta-lift” staat en ik zijn broek naar beneden doe zie ik dat er al ontlasting in zijn inco zit. Niet veel gelukkig. Ik stel hem voor dat hij daar een poosje blijft zitten tot hij alles kwijt is.

Na een minuut of twintig geeft hij aan dat hij klaar is. Het was inderdaad een hele bevalling. Er hoeft geen zalf op zijn buik, want hij heeft geen buikpijn.

Hij kijkt me zelfs hoogstverbaasd aan en zegt: “Ik had helemaal geen buikpijn hoor!”

Zeiknat

zeiknat

Ja hoor, dat had ik weer. Ik had haar net in de sta-lift staan zodat ik haar van onderen kon wassen en aankleden en ineens schoot zij naar voren. Ze liet de lift los met haar ene hand, trok de waskom van het nachtkastje terwijl ik daar net een washandje uit zou halen. Zeiknat waren mijn spijkerbroek, schoenen en sokken. Het was wel duidelijk, ze wilde niet gewassen worden, maar het was wel even nodig.

Zorgprofessional of niet, ik was behoorlijk boos en liet dat merken. Zij weet heel goed wat ze doet, maar uit dat op wat ongebruikelijke wijze. Ik maakte af waar ik mee bezig was en liet haar in de rolstoel zakken.

“Ik wil koffie”, werd mij herhaaldelijk verteld. Tja en ik had even geen puf om nu heel vriendelijk en aardig een kop koffie voor haar in te schenken, zodat ik haar liet weten dat zij dat aan mijn collega moest vragen.

“Ik ga ondertussen mijn sokken uitdoen en andere schoenen aantrekken. Daarna heb ik het een poosje druk met mijn broek droog föhnen.”
Zo gezegd zo gedaan, sokken uit, schoenen omgeruild, steunzolen te drogen gelegd in mijn kluisje en toen, zittend op een kruk, mijn spijkerbroek droog föhnen. Dat duurde een mooi poosje terwijl ik de verdere zorg voor haar aan een ander overliet.

Na de warme maaltijd wilde zij naar bed en tot mijn verbazing werd dat vriendelijk gevraagd: “Mag ik alstublieft naar bed?” Meestal is het alleen: “Ik wil naar bed”. En dan niet één keer, maar gewoon als een soort mantra.

Ik heb haar naar bed geholpen en nog even over het voorval met de waskom gesproken.

“U bent toch bij uw volle verstand?”

“Ja!”
“Dan vind ik het wat raar dat u zo’n waskom over mij heen trekt.”

De volgende dag verliep rustig. Zij wilde niet uit bed, schreeuwde niet maar ineens bleek zij wel haar persoonlijke alarmbel te gebruiken. Dit had zij nog niet eerder gedaan, dus een beetje verbaasd was ik wel. Meestal horen we alleen geschreeuw als er iets is wat zij wil. Vaak wil zij dan uit bed en meestal is haar inco dan ook erg vies. Dus haar logica hebben we wel al ontdekt in hoe dit werkt.

Maar nu belde ze dus en ik liep bij haar naar binnen met de vraag wat ik voor haar kon doen. Tja, zij wilde uit bed en dit werd allemaal heel vriendelijk gezegd. Mijn eerste reactie was dat ik dit gedrag moest belonen, want tja, dit had ze niet eerder gedaan. Mijn tweede reactie was: Maar ik heb nu lunchpauze en als ik ieder verzoek rond die tijd honoreer dan schiet mijn lunchpauze er bij in. En eerlijk is eerlijk, ik moet toch eerst voor mezelf zorgen voordat ik goed voor een ander kan zorgen.

“Fijn dat u de bel hebt gebruikt. Ik heb nu alleen lunchpauze, maar als ik klaar ben met eten haal ik u meteen uit bed.”

Dat bleek niet helemaal haar bedoeling wat ze zette haar mantra weer in: “Ik wil uit bed”.

Ik legde haar weer uit hoe ik het ging doen en maakte met haar de afspraak dat zij niet zou gaan liggen schreeuwen en dat ik na mijn lunchpauze eerst haar uit bed zou halen. Daarna liep ik haar kamer uit. Ik had de deur nog niet dicht of het geschreeuw begon, zodat ik terug liep. Niet om haar meteen te helpen, maar om op haar goede verstand aan te spreken.

“Waarom schreeuwt u, dat was de afspraak niet. U bent toch goed bij uw verstand?”

Direct beaamde zij dit.

“Dan begrijp ik uw geschreeuw niet. De afspraak was dat u niet zou gaan schreeuwen en dat ik u na mijn lunchpauze direct uit bed zou halen.”

Heel even schreeuwde zij nog, maar toen werd het rustig. Na mijn lunchpauze heb ik haar een compliment gegeven dat zij zich aan de afspraak had gehouden en heb ik haar uit bed geholpen.

Ze heeft heerlijk zitten eten aan tafel en wilde na het eten vrijwel direct weer naar bed. Mijn collega zou haar helpen en liet haar weten dat ze nog even geduld moest hebben omdat er iemand dringend naar het toilet moest. En ook dat stukje verliep rustig.

Best fijn eigenlijk voor alle partijen.

 

Moord en brand schreeuwen

moord en brand schreeuwen

Geduld heeft hij niet. Aan zijn vaste tijden houdt hij stevig vast. Zo stevig dat hij vaak al een half uur van te voren aan het schreeuwen slaat. Dan heeft hij hulp nodig, anders komt hij te laat. Waar hij te laat komt? Bij het ontbijt, of bij de warme maaltijd of om te slapen. Als de gang van zaken ook maar iets afwijkt raakt hij van streek. Ook als hij gedoucht of gewassen wordt schreeuwt hij moord en brand. Het moet sneller, of hij mag niet te lang staan van de regering. En het ligt ook altijd aan ons, want hij schreeuwt omdat wij het niet goed doen, of in ieder geval niet snel genoeg.

Hij heeft een licht verstandelijke beperking, is autistisch en heeft door een hersenbloeding ook nog eens Niet Aangeboren Hersenletsel. Tja, maar dan kan hij toch niets aan zijn gedrag doen? Zo dacht ik ook een hele poos. Inmiddels ken ik hem bijna een jaar en ontdekte ik wat openingen.

Zijn bril was kapot. Die ligt ‘s nachts op zijn nachtkastje en deze had hij in een boze bui kapot gemaakt. Het was een dure bril, dus zijn familie was hier niet blij mee. Ik besloot eens te kijken of wij hem met hem af konden spreken dat hij zijn bril, naast zijn beker op zijn bureau zou leggen. Mijn collega en ik herhaalden deze afspraak die dag een aantal keer. Ook liet ik het hem zelf een aantal keer hardop herhalen.

Het bleek ‘s nachts even een probleem te zijn geweest, maar er werd volgehouden. Zijn bril ligt nu al weken niet meer op zijn nachtkastje en dat geeft geen problemen. Reden voor mij om met meer dingen te experimenteren. Kleine dingetjes die het leven voor iedereen wat aangenamer maken.

‘s Morgens schreeuwde hij tot we hem om half acht kwamen helpen. Dat moet toch anders kunnen, redeneerde ik. Zo liep ik op een gegeven moment bij hem naar binnen en sprak ik met hem af dat ik over vijf minuten terug zou komen en dat hij in die tijd niet zou schreeuwen. Natuurlijk lukte dat niet op stel en sprong, dus na vijf minuten kwam ik uiterst teleurgesteld bij hem: “Ik heb me aan de afspraak gehouden, maar jij niet. Dat vind ik niet eerlijk. Dat moet anders. Morgen gaan we het weer oefenen.”

Inmiddels weet hij heel goed hoe de afspraak is en hoor ik hem wel mopperen en zuchten, maar hij schreeuwt niet meer.

Verder uitbouwen dus. Als hij aangekleed in zijn rolstoel zit moet het liefst meteen alles opgeruimd, inclusief de actieve lift. Dan heb je dus je handen vol, laat je iets liggen dan begint hij te schreeuwen. Stukje bij beetje oefende ik met hem dat ik eerst de was en zijn vieze inco ging opruimen, want ja, die inco stonk. De actieve lift liet ik dan bewust staan, want mijn handen waren vol. Het werkte op dezelfde manier en de eerste keer schreeuwde hij moord en brand dat ik iets was vergeten. Toen ik terugkwam hielp ik hem er weer aan herinneren dat we een afspraak hadden en dat ik me daaraan gehouden had. Ook liet ik weten dat ik het toch wel jammer vond dat hij dat niet had gedaan. Sinds kort schreeuwt hij dan niet meer en vraagt hij zelfs: “Het ik goed gewacht?” Dan prijs ik hem de hemel in, want complimenten ontvangen vindt iedereen leuk.

Het laatste wat ik met hem geoefend heb en wat hij best snel onder de knie heeft is dat zijn raam open gaat als hij gedoucht is en gaat onbijten. Eerder was dat absoluut geen optie, want al schreeuwend ging hij dat raam meteen weer dicht doen. Tegenwoordig zeg ik: “Ik zet je raam open. Als jij je ontbijt op hebt mag je het dicht doen.” Dan gaat hij zuchtend en steunend richting de huiskamer, maar hij schreeuwt niet.

Soms laat hij bij zo’n afspraak weten dat hij het best moeilijk vind. Dan zeg ik: “Dat begrijp ik en dat mag je ook moeilijk vinden. Ik vind ook wel eens iets moeilijk.”

Onderhandelen in het verpleeghuis

hersenen

Ze is kort geleden bij ons komen wonen. Over zichzelf zegt ze: “Mijn verstand gaat nogal eens met me op de loop”. Dat is niet heel gek als je bedenkt dat ze Niet Aangeboren Hersenletsel heeft. Vaak is ze wispelturig en dwars, wil haar medicatie niet innemen en weigert ook nogal eens haar insuline. Dat is niet handig als je diabeet bent, maar dat inzicht heeft zij niet.

Tijdens de avondmaaltijd was ze beneden omdat ze bezoek had. Tegen een uur of zes besloot ik toch maar eens even een poging te wagen om haar bloedsuiker te controleren. Ik gaf het bezoek een hand en vroeg haar of ik haar bloedsuiker mocht prikken.
“Ja, maar niet waar zij bij zijn”, was haar reactie.

Ik vond dat prima maar sprak wel meteen met haar af dat ze naar boven zou komen als het bezoek vertrokken was.

Een kwartier later kwam zij de huiskamer in en zowaar, ik mocht haar bloedsuiker controleren. Die was erg hoog, zodat zij behalve de gebruikelijke dosering ook nog extra gespoten moest krijgen.

Laat dat nu net niet haar bedoeling zijn. “Nee, jullie altijd met je insuline. Flauwekul allemaal. Ik wil het niet.”
Ik besloot hier verder niet op in te gaan en hervatte mijn werkzaamheden. Af en toe keek ik naar haar en zag dat zij gebogen in haar stoel zat te zuchten.

Ze bleek pijn in haar rug te hebben. “Kan ik misschien iets voor u doen?”

“Ja, mijn rug masseren.”

“Prima, maar dan geef ik u wel eerst de insuline.”

“Oké, doe maar!”

Daarna boog ik me wat onhandig over de rugleuning van haar rolstoel om haar rug zo goed en zo kwaad als het ging te masseren. Heerlijk vond ze het.