Tag Archives: Niet Aangeboren Hersenletsel

Rustige patienten

Hij woont al jaren bij ons in het verpleeghuis.

Gisteren vertelde hij dat hij eigenlijk piloot had willen worden, maar van zijn vader moest hij voor arts studeren. Zijn broer wilde arts worden en werd piloot.

Een zware studie en uiteindelijk koos hij ervoor om patholoog anatoom te worden. Nachten lang studeerde hij op de anatomie.

rustige patienten

“Waarom koos je voor deze specialisatie?”

“Ik vond het prettig dat de patienten allemaal zo rustig waren.”

Advertisements

Slavernij

hersenen

Als ik met zijn ochtendmedicatie binnen kom zit hij in zijn onderbroek op de rand van zijn bed.

“Dat was toch erg hoor, die discriminatie in Amerika. Gisteravond was er een programma op televisie en als je dan zag hoe die mensen behandeld werden. Verschrikkelijk!

Kijk, de slavernij was tot daar aan toe. Die mensen moesten hard werken, maar werden verder goed behandeld. Maar  discriminatie, verschrikkelijk.”

Hoe bedoelt u, inlevingsvermogen?

 

hersenen

Met z’n achten leven ze samen op een afdeling in het verpleeghuis. Alle acht met Niet Aangeboren Hersenletsel. Van enig inlevingsvermogen is geen sprake, ze dulden elkaar en hebben het regelmatig met elkaar aan de stok.

Soms rijden ze te dicht langs elkaar heen met hun rolstoel en meteen is het korte lontje ontstoken. Bam! Ruzie!

Soms probeert de een de ander te benaderen. Meestal een poging uit eigen belang om aandacht van de ander te krijgen. Bam! Ruzie!

Soms maakt iemand een grapje en ja hoor: Bam! Ruzie! Het kost ons de nodige energie om het allemaal in goede banen te leiden.

Tijdens mijn avonddienst, vorige week, had ik zomaar even tien minuten over waarin ik eigenlijk niets kon doen. Het was wachten tot het tijd was tot ik de bewoner die overal vaste tijden voor heeft, naar bed kon helpen. Ik besloot even bij hem te gaan zitten en knoopte een gesprekje aan.
“Wat heb jij vandaag allemaal gedaan?”

Hij moest er even diep over nadenken en eerlijk gezegd doet hij ook niet veel op een dag. Hij rijdt een beetje achter ons aan in zijn rolstoel om ons er op te wijzen dat het bijna tijd is om iets voor hem te doen.  De ene keer doet hij dat fanatieker dan de andere keer. Het ligt er een beetje aan hoeveel tijd wij kwijt zijn bij een ander rond de tijd dat hij geholpen moet worden. Steevast hoor je dan: “En ik dan? Ik moet ook geholpen worden. Moet ik dan weer wachten?”

Meestal moet hij inderdaad wachten, want dan is het nog niet zijn afgesproken tijd. Wijken we daarvan af, dan is het hek van de dam. Dan past hij zich naadloos aan bij dit nieuwe tijdstip.

Zo zaten wij even samen te praten, want ja, hij had beneden koffie gedronken, toen een andere bewoner zijn rolstoel draaide en er bij kwam zitten. Foute boel, gezicht op zeven dagen onweer, want dat was de bedoeling niet.

“Goeienavond …….”, zei de andere bewoner.

“Ja dahag!” was zijn reactie.

“Je kan ook gewoon goeienavond terug zeggen. Dat is wat mensen doen, dat is vriendelijke. De een zegt de ander gedag en dan doet de ander dat terug.

“Goeienavond!” kwam er toen, weliswaar geïrriteerd, uit zijn mond.

De andere bewoner ging nog verder en stak hem zijn hand toe.

“Geef hem maar een hand hoor. Je gaf mij net ook een hand.

Hij stak hem zijn hand toe en de ander zei: “Nu zijn we weer kameraden!”

“Ja dahag! Mooi niet” en hij reed weg, waardoor de andere bewoner zijn kans waarnam en mij zijn verhaal wilde doen.

Jammer, maar mooi niet, dacht ik op dat moment, want toen was het tijd dat ik die ene bewoner naar bed kon helpen.

De nieuwkomer – De Olympische spelen.

olympische spelen

 

Onze nieuwkomer heeft humor. Hij noemt zijn incomateriaal gewoon een pamper. Wij mogen dat niet zeggen, ook mogen we het niet over luier hebben, maar daar heeft hij maling aan. Voor hem is het een pamper en het liefst zou hij er een plastic broek overheen willen zodat de boel gewoon droog blijft.

Hij voelt het niet als hij moet plassen en meestal is zijn ‘pamper’ ‘s morgens helemaal verzadigd en zijn bed flink nat. Vandaar die plastic broek waarbij ik opperde dat ik wel een vuilniszak wilde pakken, waar hij flink om moest lachen.

Ook vanmorgen was zijn ‘pamper’ verzadigd en toen ik hem ondersteunde bij het lopen naar de badkamer zakte hij van zijn billen.

“Wil je even blijven staan, dan doe ik je inco af. Dan ben je even een naaktloper, maar dat is altijd beter dan lopen met een nat vod om je enkels.” Hij bleef staan en terwijl ik hem met één hand bleef ondersteunen maakte ik de inco los en mikte het ding in de wasmand.

“Goh, jij kan zo meedoen aan de Olympische Spelen”, zie hij waarbij ik niet direct begreep waar die opmerking ineens vandaan kwam. Ik schoot dan ook in de lach en zei ik dat ik totaal niet sportief ben.

“Bij het onderdeel “luier werpen” word je vast eerste. Dat deed je zó handig!”

De nieuwkomer

Nieuwkomer

Hij is een jaar jonger dan ik, het revalideren is niet gelukt en nu woont hij bij ons op de afdeling voor mensen met Niet Aangeboren Hersenletsel. Zijn linker arm en been doen niet meer mee. Toch doet hij zoveel mogelijk zelf en zag ik hem ‘s avonds zijn brood smeren en snijden.

Ik observeer hem en tegelijkertijd ook hoe de andere bewoners op hem reageren. Het gaat goed, maar aan hem meen ik vooral te merken dat hij niet lastig wil zijn. Of dat werkelijk zo is moet de tijd leren, maar het is mijn eerste indruk.

Het gekke is dat wanneer mensen niet lastig willen zijn, ze dit op een andere manier wel zijn. Dat klinkt een beetje gek, dat hoor ik zelf ook. Ik zal het proberen uit te leggen:
Ik meen aan hem te zien dat hij iets wil vragen, maar tegelijkertijd merkt hij op dat ik druk bezig ben. Er gaat een bewoonster met haar echtgenoot mee naar het diner in het verzorgingshuis aan de overkant. Zij moet haar pillen nog innemen, haar bloedsuiker moet gecontroleerd om te bepalen hoeveel insuline ik haar moet geven en in de gang staat de ergotherapeut op me te wachten die me iets door wil geven. Maar hij wil iets vragen en gaat strategisch midden in de huiskamer zitten en volgt wat ik doe. Als ik een andere kant op loop draait zijn rolstoel mee. Lastig, want hij kan beter gewoon zijn vraag stellen.

Als ik klaar ben met de medicatie van de bewoonster en de wachtende ergotherapeut te woord heb gestaan loop ik naar hem toe en vraag of ik iets voor hem doen kan.

Hij wil graag zijn jas aan zodat hij nog even naar buiten kan om te roken. Tja, dat wil ik best doen, maar het is bijna etenstijd en de tafel moet nog gedekt. Bovendien is hij dan niet op tijd terug en die etenstijden houden we toch wel in ere. Had hij mij dit eerder gevraagd, dan had ik hem zijn jas aan kunnen trekken en daarna me met die medicatie bezig kunnen houden om tenslotte de ergotherapeut te woord te staan.

“Ik wil u graag helpen met uw jas, maar dan doe ik dat na het eten, want het is echt etenstijd, we zijn al wat aan de late kant.”

Hij vindt het prima, als hij dan maar na het eten mag gaan roken. Natuurlijk mag dat.

Rond een uur of acht wil hij naar bed geholpen worden. Gelukkig geeft hij dit goed aan en ik leg hem uit dat ik over tien minuten bij hem kom, omdat ik net een andere bewoner naar bed zou gaan brengen.

Ik red het om na tien minuten bij hem te zijn en help hem naar bed. Intussen maak ik een praatje met hem om te peilen wat voor soort man dit is. Hij vertelt, ik luister en stel af en toe een vraag.

Hij is moe en blij dat hij ligt en wil graag iets om te slapen. Helaas staat er geen slaapmedicatie op zijn medicijnlijst.

Om kwart voor elf gaat zijn bel en ik loop naar hem toe.

“U zult me wel gestoord vinden dat ik hiervoor bel”, zegt hij.

Ik maak een grapje en zeg: “Ja ik dacht al, wat ligt hier voor gestoord persoon in bed”. Hij kan er om lachen. Gelukkig, dat heb ik goed ingeschat.

Het probleem blijkt de jeuk aan zijn rechter bovenarm te zijn. Zijn linkerhand ligt doelloos naast zijn lichaam, daar heeft hij niets aan.

“Zal ik dan even krabben?” Ik probeer de plek te lokaliseren waar hij jeuk heeft. Ik zit er aldoor net naast. Dan wijst hij met zijn rechterhand op de linker bovenarm aan waar de jeuk zit.
“Handig, zo snap ik beter waar ik krabben moet” en ik krab over de plek waar het jeukt.

Ik wens hem welterusten en loop terug naar het teamkantoor waarbij ik bedenk dat de manier waarop hij dit onder de aandacht bracht bij mij het gevoel versterkt dat deze man vooral niet lastig wil zijn.

Zijn versleten heup

heup

Voordat hij naar bed geholpen wordt help ik hem naar het toilet. Hij staat in de actieve lift, kreunt en zegt: “Wat kan dat zeer doen zeg, zo’n versleten heup”.

Ik laat hem op het toilet zakken en vraag hem te bellen als hij klaar is. Ik ruim wat op, sla zijn dekbed terug en leg alvast kleding klaar voor de volgende dag. Als hij belt loop ik naar hem toe.

“Wat kan dat toch zeer doen zeg, zo’n versleten heup”, zegt hij nog een keer. Ik beaam het, want ja, dat is ook pijnlijk.

“Ik moet er ook veel meer door plassen”, zegt hij.

“Daar heb ik nog nooit van gehoord, dat je meer moet plassen door een versleten heup.”

Hij kijkt me, over de rand van zijn bril, aan en zegt dan: “Nou, het kon toch wezen?”

 

 

Stoom uit mijn oren

stoom uit mijn oren

Sinds ongeveer een week hebben we er een nieuwe bewoner bij. Dat betekent een week of zes wennen aan elkaar. Hij aan ons en aan de andere bewoners en vice versa. Hij is iemand die van provoceren lijkt te houden en doet dat vooral tijdens de maaltijden. Dat is het moment dat iedereen in de huiskamer aanwezig is. De rest van de dag gaat iedereen toch een beetje zijn eigen gang.

Het is tweede Kerstdag, vlak voor de broodmaaltijd van 17.00 uur komt hij al luidruchtig binnen en praat een bewoner na die iets tegen mij zegt. Dat valt al meteen verkeerd bij de anderen. Hij gaat zitten vraagt zich meteen hardop af hoe lang het gaat duren voordat hij wat krijgt. Ik schenk koffie, thee en melk in en vervolg mijn werkzaamheden. Een aantal krijgen brood, boter en beleg en kan zichzelf dan verder redden. Onze nieuwe bewoner ook, ondanks dat zijn linkerhand niet goed meedoet. Op het moment dat ik voor zijn buurman brood begin te smeren begint het:
“Waarom moet ik zelf mijn brood klaarmaken en hij niet? Hij heeft twee klauwen en ik maar één.”

“U smeert tot nu nog alle keren zelf uw brood want uw linkerhand werkt nog een beetje mee en uw buurman heeft echt maar één hand tot zijn beschikking.”

Ik ga naar de volgende tafel en vraag wat de bewoners daar op brood willen. De ene wil nog wel wat van de salade, maar de ander wil iets wat hij beter niet kan eten omdat hij dan meestal halverwege moet braken.

“Jij wil altijd iets wat er niet is, of wat je niet mag!” hoor ik de nieuwe bewoner zeggen.

Ik vraag hem om zich niet met de anderen te bemoeien.

“Ik mag toevallig zeggen wat ik wil, ook als het jou niet uitkomt.”

Professioneel of niet, ik voel boosheid naar boven borrelen, maar ik reageer verder niet. Als iedereen van brood is voorzien ga ik de medicijnen delen. Voor hem trek ik de insulinepen op en pak een metformine tablet. “Alstublieft, uw medicijnen.”
“Steek die maar in je reet, samen met het brood en het beleg. Ik hoef die rommel niet.”

Ik pak de medicijnen weg en laat hem weten dat hij van mij de medicijnen niet hoeft in te nemen.
“Daar heeft u alleen uzelf mee, niet mij.”

“Ach mens, doe gewoon je werk en zeur niet.”

Het vervelendste is dat hij hiermee twee bewoners op zijn hand krijgt en dat er bij de rest van de bewoners een dodelijke stilte valt. Het is duidelijk dat wij als team hier iets mee moeten. Duidelijkheid naar de bewoner toe, duidelijkheid voor ons hoe te handelen. Hem nu naar zijn kamer sturen zal geen effect hebben.

Na de maaltijd verdwijnt hij weer naar zijn kamer. Zijn buurman zucht en zegt: “Wat een rotzooi is het hier”. Ik kan niet anders dan dit beamen.

Als ik de tafels afruim gaat mijn pieper en op het display zie ik dat de bel afkomstig is van de nieuwe bewoner. Ik besluit eerst alles op te ruimen voordat ik bij hem ga kijken. Hij ligt op bed en ik vraag hem wat ik voor hem kan doen.

“Wil je de televisie aan doen en ik wil een schone broek.”

Ik sta een poosje te kijken terwijl mijn hersenen op volle toeren draaien om te bedenken hoe ik hierop zal reageren. Het hele voorval van daarnet negeren of hem daar nog op aanspreken. Hij is nu gewoon weer vriendelijk. Ik besluit tot het laatste en pak er een stoel bij.
“Nog geen kwartier geleden kon ik geen goed doen, moest ik niet zeuren en gewoon mijn werk doen. Ik kon het brood, het broodbeleg en uw medicijnen in mijn reet steken en nu vindt u het de gewoonste zaak van de wereld dat ik uw televisie aanzet en u verschoon. Ik vind dit een rare gang van zaken en vraag me af hoe u het zou vinden als ik zou zeggen dat u die televisie en die schone broek in uw reet kan steken.”

Hij kijkt me een poosje aan en zegt niks, maar ik zie hem denken. Ik help hem met de schone broek, zet de televisie aan en wens hem een fijne avond.

Tien minuten later, als ik met mijn collega’s zit te eten en stoom afblaas over deze man komt hij met zijn scootmobiel langs. Of ik even wat sigaretten voor hem wil pakken. Daarna vertrekt hij, maar rijdt de verkeerde kant op. Hij verdwaalt nogal eens dus loop ik achter hem aan. Hij bleek nog niet naar beneden te gaan, maar moest zijn scootmobiel nog aan de lader zetten. Zijn accu is bijna leeg.

“U bent in de verkeerde gang, daar is uw kamer niet.”
“Dat gebeurt me hier iedere keer. Ik snap er niks van.”

“O, ik wel hoor. Wij verwisselen de gangen als u even een poosje op bed ligt.”

Hij kan er wel om lachen en zegt: “Ja, dat dacht ik al.”

“Dan is het in ieder geval niet uw schuld dat u verdwaalt.”

Zijn accu blijkt echt leeg, dus duw ik hem terug naar zijn kamer en ik kan het niet laten om toch nog iets over het eerdere voorval te zeggen: “Eigenlijk hebt u wel mazzel dat ik dit tijdens mijn pauze voor u doe. Zeker nadat u zich tijdens de maaltijd zo misdragen heeft. Ik had ook kunnen zeggen dat u die scootmobiel maar in u reet moest steken. Maar ja, dat ding is een beetje groot en gaat waarschijnlijk niet passen.”

De rest van de avond heb ik geen last van hem. Tegen 21,30 uur vraag ik hem zijn sigaretten en aansteker in te leveren, want hij is al een aantal keer betrapt op roken in bed. . Zonder problemen krijg ik de spullen van hem en ik wens hem goede nacht.

Tijdens dit soort diensten en helemaal tijdens de Kerst vraag ik me af waarom ik dit werk doe. Vaak zegt men dat dit zulk dankbaar werk is, terwijl dat echt niet altijd het geval is. Het is schipperen tussen alle kuren en korte lontjes van iedereen. Ik begrijp echt wel dat mensen het moeilijk hebben met hun afhankelijkheid. Ik begrijp alleen niet altijd waarom ze zich dan afzetten tegen degene waarvan ze hulp krijgen. Maar goed, ander werk? Ik zou eerlijk gezegd ook niet weten wat voor werk dan. Het blijft een boeiend beroep.

 

De verdwaalden

verdwaald

Misschien lag het aan het weer, of aan de naderende Kerst, wie zal het zeggen.

Ik bracht rond een uur of zes iets terug naar de tweede etage en zag daar een bewoner van de derde etage in de deuropening van een kamer. Haar kamer, maar dan een etage te laag. Ze wilde er niet meer weg en mijn collega’s vroegen of ik haar mee wilde nemen.

“Gaat u mee naar boven, naar uw eigen kamer?”

“Nee hoor, daar ben ik al geweest. Als ik daar weer heen moet ga ik naar huis!”

Tja, in deze kamer kon ze niet blijven, die was niet van haar. Ik haalde de stoel van de rem en al pratend liep ik met haar naar de lift.

“Hier ben ik ook al geweest”, waren haar woorden toen de liftdeuren open gingen.

“De lift is toch de enige mogelijkheid om van beneden naar boven te komen. Met de rolstoel over de trap is niet zo handig.”

“Nee, daar krijg je ongelukken van.”

Ik bracht haar terug naar mijn collega’s van de andere gang op drie hoog. Daar zag ik een collega rennen en vliegen, want er was een bewoner van ons verzeild geraakt bij het verpleeghuis aan de overkant.

“Nee, dat is deze mevrouw niet, ik kwam haar tegen op de tweede etage.”

Mijn collega vloog de trappen af om de verdwaalde bewoner op te halen.

Later op de avond, het zal tegen negenen zijn geweest, zag ik vanuit mijn ooghoeken een man in een rolstoel langs de kamers gaan. Hij was duidelijk aan het zoeken en ik liep naar hem toe. Ik zag dat hij van mijn leeftijd was en zo te zien had hij een linkszijdige verlamming.

“Bent u op zoek naar iemand?”

“Nee, ik zoek mijn kamer.”

“Op welke etage woont u?”

“Dat weet ik niet?”

“Bent u aan het revalideren?”

Zichtbaar opgelucht knikte hij van ja.
“ Dan woont u op de eerste etage. Als u even wacht loop ik met u mee naar de lift”. Daar aangekomen reed hij de lift in.

“U moet naar één hoog.”

“Dan moet ik op deze knop drukken, toch?”

“Ja, helemaal goed!”

Ik ging weer terug naar de afdeling en hervatte mijn werkzaamheden.

Om elf uur, tijdens de overdracht vroeg ik mijn collega wie er aan de overkant terecht was geraakt. Het bleek iemand van één hoog te zijn. Waarschijnlijk de verkeerde kant op gegaan na het roken.

Onderweg naar huis, waarbij ik niet verdwaalde, bedacht ik hoe blij ik ben dat ik in het verpleeghuis werk en er niet hoef te wonen.

 

Het is niet goed of het deugt niet

werkdruk

Natuurlijk wil ik eerst even die zwachtels bij hem omdoen omdat mijn collega dit niet mag. Dat kan nog net voordat ik om half acht onze bewoner ga helpen die dit als vaste tijd heeft om hem op die manier zoveel mogelijk structuur en houvast te geven.

Om tien over zeven ‘s morgens begin ik dus met zwachtelen. Ik ben nog geen minuut bezig of ik krijg de wind van voren over de dag ervoor. Toen had hij nadat ik hem gezwachteld had nog zo lang moeten wachten tot hij verder geholpen werd. Hij hoopte dat dit vandaag niet zo zou gaan en vroeg meteen maar of ik hem niet even helemaal kon helpen.

“Ik werk vandaag, net als gisteren, op de andere gang maar doe dit er even bij omdat mijn collega dit niet mag”.

“Ik snap niet dat ze dat soort mensen aannemen. Daar heb je toch helemaal niets aan?”

Deze reactie schiet mij in het verkeerde keelgat. We hebben dit weekend met ziekte te kampen en werken daardoor met een krappere personeelsbezetting.

“Ik mag toch hopen dat u dit niet straks ook tegen mijn collega zegt. Ik ben blij dat ze er is, want anders was ik alleen geweest vandaag en had u misschien nog langer moeten wachten.”

“Ja, ik weet wel dat jij daar ook niks aan kan doen, maar ik begrijp niet waarom ze niet gewoon meer personeel aannemen of ergens een potje reservepersoneel hebben. Er kan toch gewoon iemand voor die zieke invallen.”

“Hebt u enig idee hoe dit voor mij is? Ik kom bij u, zodat u vroeg geholpen kan worden en ik word begroet met een hoop gemopper. Jullie zijn hier met z’n zestienen en wij zijn maar met z’n tweeën. Die verdeling ligt wat scheef volgens mij en daardoor kunnen wij er niet voor zorgen dat jullie alle zestien op tijd geholpen worden. Wij beginnen altijd als eerste bij u, er zijn er die langer moeten wachten.”

“Ja, ik begrijp jou wel. Ik ben ook niet boos op jou en ik snap heus wel dat jullie niet alles tegelijk kunnen. Maar daar hoef ik toch niet de dupe van te worden?”

Het is vijf voor half acht en deze bewoner kan verder geholpen worden door mijn collega. Ik verlaat zijn kamer en ga naar de volgende bewoner die ligt te schreeuwen dat hij geholpen moet worden.

Om tien over zeven heb ik hem nog verteld dat ik om half acht bij hem zou zijn en dat hij tot die tijd niet hoeft te schreeuwen. Twintig minuten is lang voor hem en hij heeft het een kwartier volgehouden om rustig te blijven. Daar geef ik hem een compliment voor.

Op zo’n dag ga ik letterlijk een stapje langzamer lopen. Op die manier raak ik zelf niet gejaagd en voorkom ik dat ik die gejaagdheid overbreng op de bewoners. Maar om de dag op deze manier te beginnen is werkelijk niet leuk. Ik weet dat de bewoners kampen met niet aangeboren hersenletsel, maar ik vind het nog steeds geen vrijbrief voor dit soort gedrag. Als we dat wel zo zien en dat ook uitstralen denken bewoners dat alles maar gezegd en gedaan mag worden. Ik ben er zeker van dat er gerust wel wat blijft hangen van het tegengas dat ik geef.

De bokkenpruik op

bokkenpruik

Vaak wil ze ‘s morgens niet uit bed en eigenlijk wil ze dan niets. Even zo vaak wil ze ‘s avonds niet in bed geholpen worden, terwijl ze dan wel moe is.

Vanmorgen had ze ook de bokkenpruik op. Ik mocht haar bloedsuiker controleren, maar verder hield ze koppig vast aan haar “nee”. Lastig, want haar bloedsuiker was aan de lage kant en eten is dan de enige oplossing, maar ook dat wilde ze niet.

Ik gooi, als het om haar gaat, mijn vertelkunst in de strijd en zodra ik bij haar de kamer in kom begon ik mijn verhaal. Meestal over mijn kleinkinderen, maar ook wel eens over mijn ouders. Dan is ze afgeleid en kan ik haar gewoon helpen met wassen en aankleden. Aangezien ze gisteren de aankomst van Sinterklaas op tv had gezien besloot ik daarop voort te borduren.

“Weet je wie ik vannacht in mijn huis tegenkwam toen ik naar de wc ging? Sinterklaas en Zwarte Piet”.

“O meid echt waar? Wat leuk!”

“Ja, echt waar. Sinterklaas zei gisteren dat iedereen zijn schoen weer mocht zetten. Ik heb gewoon al mijn schoenen uit de kast gehaald en neergezet. Winterschoenen, sportschoenen, laarsjes, pantoffels, sandalen, slippers, gymschoenen en ook nog mijn schoenen met hakjes. Wat denk je dat Zwarte Piet zei?”

“Ja, wat zei hij?”

“Dat ik wel al mijn schoenen had neergezet, maar dat ik niet moest denken dat hij ook overal snoepjes in zou doen. Daar kon hij niet aan beginnen.”

“O meid, wat jammer!”

Ik borduurde nog wat voort op mijn Sinterklaasverhaal en al vertellend hielp ik haar met wassen en aankleden. Voordat ze het in de gaten had zat ze in haar stoel en reed ik haar naar de huiskamer zodat ze haar boterham met een gekookt eitje kon eten.