Tag Archives: Niet Aangeboren Hersenletsel

Eigenwijs

Silhouette head with puzzle pieces on white background.
Silhouette head with puzzle pieces on white background.

Hij zit met zijn rolstoel bijna in de deuropening van zijn kamer als hij mij roept.

“Die nieuwe rolstoel doet het niet. Hij wil niet voor of achteruit!”

“U zit met uw rugleuning klem onder het blad van uw nachtkastje.”

Ik verhelp het probleem door het blad iets op te tillen en zijn stoel te verplaatsen.

“Dat kan helemaal niet. Ik heb de hele tijd voor het raam gezeten.”

Advertisements

Het gat

het gat

Ze moest al om 7.45 uur klaar zitten in de hal, want om 8.00 uur had ze een afspraak in het ziekenhuis. Niets ernstigs hoor, gewoon een controlebezoekje. Maar ja……………ze is nooit zo van het vroege wakker worden.

Met een verhaal over de huifkartocht die we binnenkort gaan maken met mijn hele familie had ik haar geholpen met wassen en aankleden. Afgeleid als ze hier door was zat ze voordat ze het wist in haar stoel. Ze trok zo’n blik alsof ze de zeggen: “Hoe is dit me nu toch overkomen?”

Later die ochtend vroeg ik haar of alles goed was in het ziekenhuis. Met een heel bedenkelijk gezicht zei ze: “Nee”. En na enige aarzeling kwam er achteraan: “Ik heb een gat in mijn broek en dat kan niet meer gemaakt worden”.

Ik hield mijn gezicht in de plooi en beaamde haar gevoel dat dit niet fijn was.

Na de middagmaaltijd bracht ik haar naar haar kamer. Ik pakte het urinaal om haar catheterzak te legen. Terwijl ik daarmee bezig was zag ik dat er een naadje los zat aan de pijp van haar broek.

De Moslim en de Jood – vervolg

Silhouette head with puzzle pieces on white background.
Silhouette head with puzzle pieces on white background.

Gisteren in de namiddag besloot de Jood weer op het balkon te eten. Voor de andere bewoners was in de huiskamer gedekt. De Moslim pakte zijn kom soep en reed daarmee in zijn rolstoel het balkon op om daar verder te eten. Ik vroeg hem of hij daar ook zijn brood wilde.

Met zijn placemat, bord en bestek liep ik het balkon op en zei tegen hem: “Wel gewaagd zo bij de Taliban.”

De Jood keek op en zei, terwijl hij met zijn wijsvinger zwaaide: “Ho ho, ik ben de Hamas hè.”

Volgens mij is hier toch van enige verwarring sprake. Tja, het zijn niet voor niets mensen met Niet Aangeboren Hersenletsel.

De Moslim en de Jood

Silhouette head with puzzle pieces on white background.

De Moslim woont al jaren op onze afdeling, de Jood slechts enkele weken en het leek ons een gewaagde combinatie. De eerste paar dagen ging er ook wel eens iets mis tussen die twee, maar met hun geloof had dat niet te maken.

Gisteren zat de Jood tussen de middag op het balkon te eten. Dit leek de Moslim een goed idee te vinden want hij reed met zijn rolstoel het balkon op: “Hé Taliban, ga eens opzij”. Ja echt, ik vergis me niet, dat zei de Moslim tegen de Jood die in de lach schoot en hem op zijn schouder sloeg.

Met ingehouden adem volgden wij het tafereel en zagen dat de Moslim de Jood ook op de schouder sloeg waarna ze beiden aan hun maaltijd begonnen.

Eigenwijs

 

‘s Avonds wil hij in bed stappen en nee, hulp heeft hij niet nodig. Het in bed stappen mislukt. Hij valt met zijn bovenlichaam op bed en ligt er op zijn knieën voor.

Nee, hij wil geen hulp van mijn collega, hij kan dit prima zelf. Uiteraard lukt het hem niet om op te staan en in bed te gaan. Hij wil uiteindelijk liever op de grond liggen met een kussen onder z’n hoofd, want hij heeft wel vaker op de grond geslapen.

‘s Nachts hebben ze het na veel gedoe voor elkaar gekregen dat hij op het matras op de grond wilde slapen.

De volgende dag maak ik hem wakker voor zijn medicatie. Natuurlijk ligt hij prima, maar dat hij op de grond ligt komt wel doordat mijn collega gewoon wegliep en geen zin had om hem te helpen.

Met de collega’s van die dag hebben wij wel direct besloten dat wij niet aan hem gaan trekken, duwen of tillen. Hij zal met de passieve lift van de grond moeten worden getild. Maar dat wil hij niet. Dat is al vaker geprobeerd, dat werkt bij hem niet, toen viel hij er uit. Hij gaat het zelf proberen want hij weet het beste hoe hij het moet doen.

eigenwijs

Mijn collega en ik lopen af en toe naar binnen om te vragen of wij hem kunnen helpen.
“Ik wil mijn slippers aan, dan gaat het beter.”

“Als je mijn rolstoel even daar zet dan kom ik wel overeind.”

Elke suggestie van onze kant wordt van de hand gewezen, want hij weet echt wel hoe hij dit moet doen. Hij reageert zo nu en dan met een sarcastische sneer zodat het voelt alsof wij een soort onbenullen zijn.

Aan het eind van de ochtend ligt hij met zijn benen onder het bed en probeert hij zich nog steeds overeind te helpen. Dat hij zichzelf tegenwerkt zeg ik maar niet, want dat is natuurlijk niet waar.

Hij eet tussen de middag op zijn zij liggend zijn boterham en drinkt uit een tuitbeker. Liever wilde hij een gewoon glas, maar ik liet weten dat het of die tuitbeker werd of niets. Geen geklieder met jus d’orange in een gewoon glas terwijl hij bijna op zijn rug ligt.

Hij wil naar de wc, maar is al totaal incontinent van urine en eigenlijk is alles zo’n beetje nat.
“Ik wil u wel naar de wc helpen, maar dat kan alleen als u overeind komt.”

“Dan laat ik alles wel lopen en ruïneer ik het beddengoed.”

Om 13.30 uur lijkt hij wat bij te draaien. We besluiten om hem, al wil hij dit niet, met de passieve lift van de grond te tillen. Er zit niets anders op, want we kunnen dit ook niet aan de avonddienst overlaten. Dat laat de bezetting niet toe.

Hij werkt al mopperend mee, en we moeten hiervoor opletten en zorgen dat we dàt niet omver stoten, want dat kostte wel € 2.400,–. We reageren er niet op en zorgen er voor dat hij op bed komt.
“Dit is toch een stuk comfortabeler, vindt u ook niet?” zegt mijn collega.

“Nee hoor” is zijn reactie.

Je zou er bijna wurgneigingen van krijgen, van zoveel eigenwijsheid.

Ik ruim nog wat op in zijn kamer, pak schone kussens en voorzie ze van een kussensloop.
“Waar wilt u deze?” Hij geeft de nodige aanwijzingen en het duurt even voordat het goed is. Uiteindelijk legt hij alles weer net iets anders neer, want ik begreep er niets van.

Wanneer ik de kamer uitloop hoor ik hem zeggen: “Nou, bedankt hè!”

Rustige patienten

Hij woont al jaren bij ons in het verpleeghuis.

Gisteren vertelde hij dat hij eigenlijk piloot had willen worden, maar van zijn vader moest hij voor arts studeren. Zijn broer wilde arts worden en werd piloot.

Een zware studie en uiteindelijk koos hij ervoor om patholoog anatoom te worden. Nachten lang studeerde hij op de anatomie.

rustige patienten

“Waarom koos je voor deze specialisatie?”

“Ik vond het prettig dat de patienten allemaal zo rustig waren.”

Slavernij

hersenen

Als ik met zijn ochtendmedicatie binnen kom zit hij in zijn onderbroek op de rand van zijn bed.

“Dat was toch erg hoor, die discriminatie in Amerika. Gisteravond was er een programma op televisie en als je dan zag hoe die mensen behandeld werden. Verschrikkelijk!

Kijk, de slavernij was tot daar aan toe. Die mensen moesten hard werken, maar werden verder goed behandeld. Maar  discriminatie, verschrikkelijk.”

Hoe bedoelt u, inlevingsvermogen?

 

hersenen

Met z’n achten leven ze samen op een afdeling in het verpleeghuis. Alle acht met Niet Aangeboren Hersenletsel. Van enig inlevingsvermogen is geen sprake, ze dulden elkaar en hebben het regelmatig met elkaar aan de stok.

Soms rijden ze te dicht langs elkaar heen met hun rolstoel en meteen is het korte lontje ontstoken. Bam! Ruzie!

Soms probeert de een de ander te benaderen. Meestal een poging uit eigen belang om aandacht van de ander te krijgen. Bam! Ruzie!

Soms maakt iemand een grapje en ja hoor: Bam! Ruzie! Het kost ons de nodige energie om het allemaal in goede banen te leiden.

Tijdens mijn avonddienst, vorige week, had ik zomaar even tien minuten over waarin ik eigenlijk niets kon doen. Het was wachten tot het tijd was tot ik de bewoner die overal vaste tijden voor heeft, naar bed kon helpen. Ik besloot even bij hem te gaan zitten en knoopte een gesprekje aan.
“Wat heb jij vandaag allemaal gedaan?”

Hij moest er even diep over nadenken en eerlijk gezegd doet hij ook niet veel op een dag. Hij rijdt een beetje achter ons aan in zijn rolstoel om ons er op te wijzen dat het bijna tijd is om iets voor hem te doen.  De ene keer doet hij dat fanatieker dan de andere keer. Het ligt er een beetje aan hoeveel tijd wij kwijt zijn bij een ander rond de tijd dat hij geholpen moet worden. Steevast hoor je dan: “En ik dan? Ik moet ook geholpen worden. Moet ik dan weer wachten?”

Meestal moet hij inderdaad wachten, want dan is het nog niet zijn afgesproken tijd. Wijken we daarvan af, dan is het hek van de dam. Dan past hij zich naadloos aan bij dit nieuwe tijdstip.

Zo zaten wij even samen te praten, want ja, hij had beneden koffie gedronken, toen een andere bewoner zijn rolstoel draaide en er bij kwam zitten. Foute boel, gezicht op zeven dagen onweer, want dat was de bedoeling niet.

“Goeienavond …….”, zei de andere bewoner.

“Ja dahag!” was zijn reactie.

“Je kan ook gewoon goeienavond terug zeggen. Dat is wat mensen doen, dat is vriendelijke. De een zegt de ander gedag en dan doet de ander dat terug.

“Goeienavond!” kwam er toen, weliswaar geïrriteerd, uit zijn mond.

De andere bewoner ging nog verder en stak hem zijn hand toe.

“Geef hem maar een hand hoor. Je gaf mij net ook een hand.

Hij stak hem zijn hand toe en de ander zei: “Nu zijn we weer kameraden!”

“Ja dahag! Mooi niet” en hij reed weg, waardoor de andere bewoner zijn kans waarnam en mij zijn verhaal wilde doen.

Jammer, maar mooi niet, dacht ik op dat moment, want toen was het tijd dat ik die ene bewoner naar bed kon helpen.

De nieuwkomer – De Olympische spelen.

olympische spelen

 

Onze nieuwkomer heeft humor. Hij noemt zijn incomateriaal gewoon een pamper. Wij mogen dat niet zeggen, ook mogen we het niet over luier hebben, maar daar heeft hij maling aan. Voor hem is het een pamper en het liefst zou hij er een plastic broek overheen willen zodat de boel gewoon droog blijft.

Hij voelt het niet als hij moet plassen en meestal is zijn ‘pamper’ ‘s morgens helemaal verzadigd en zijn bed flink nat. Vandaar die plastic broek waarbij ik opperde dat ik wel een vuilniszak wilde pakken, waar hij flink om moest lachen.

Ook vanmorgen was zijn ‘pamper’ verzadigd en toen ik hem ondersteunde bij het lopen naar de badkamer zakte hij van zijn billen.

“Wil je even blijven staan, dan doe ik je inco af. Dan ben je even een naaktloper, maar dat is altijd beter dan lopen met een nat vod om je enkels.” Hij bleef staan en terwijl ik hem met één hand bleef ondersteunen maakte ik de inco los en mikte het ding in de wasmand.

“Goh, jij kan zo meedoen aan de Olympische Spelen”, zie hij waarbij ik niet direct begreep waar die opmerking ineens vandaan kwam. Ik schoot dan ook in de lach en zei ik dat ik totaal niet sportief ben.

“Bij het onderdeel “luier werpen” word je vast eerste. Dat deed je zó handig!”

De nieuwkomer

Nieuwkomer

Hij is een jaar jonger dan ik, het revalideren is niet gelukt en nu woont hij bij ons op de afdeling voor mensen met Niet Aangeboren Hersenletsel. Zijn linker arm en been doen niet meer mee. Toch doet hij zoveel mogelijk zelf en zag ik hem ‘s avonds zijn brood smeren en snijden.

Ik observeer hem en tegelijkertijd ook hoe de andere bewoners op hem reageren. Het gaat goed, maar aan hem meen ik vooral te merken dat hij niet lastig wil zijn. Of dat werkelijk zo is moet de tijd leren, maar het is mijn eerste indruk.

Het gekke is dat wanneer mensen niet lastig willen zijn, ze dit op een andere manier wel zijn. Dat klinkt een beetje gek, dat hoor ik zelf ook. Ik zal het proberen uit te leggen:
Ik meen aan hem te zien dat hij iets wil vragen, maar tegelijkertijd merkt hij op dat ik druk bezig ben. Er gaat een bewoonster met haar echtgenoot mee naar het diner in het verzorgingshuis aan de overkant. Zij moet haar pillen nog innemen, haar bloedsuiker moet gecontroleerd om te bepalen hoeveel insuline ik haar moet geven en in de gang staat de ergotherapeut op me te wachten die me iets door wil geven. Maar hij wil iets vragen en gaat strategisch midden in de huiskamer zitten en volgt wat ik doe. Als ik een andere kant op loop draait zijn rolstoel mee. Lastig, want hij kan beter gewoon zijn vraag stellen.

Als ik klaar ben met de medicatie van de bewoonster en de wachtende ergotherapeut te woord heb gestaan loop ik naar hem toe en vraag of ik iets voor hem doen kan.

Hij wil graag zijn jas aan zodat hij nog even naar buiten kan om te roken. Tja, dat wil ik best doen, maar het is bijna etenstijd en de tafel moet nog gedekt. Bovendien is hij dan niet op tijd terug en die etenstijden houden we toch wel in ere. Had hij mij dit eerder gevraagd, dan had ik hem zijn jas aan kunnen trekken en daarna me met die medicatie bezig kunnen houden om tenslotte de ergotherapeut te woord te staan.

“Ik wil u graag helpen met uw jas, maar dan doe ik dat na het eten, want het is echt etenstijd, we zijn al wat aan de late kant.”

Hij vindt het prima, als hij dan maar na het eten mag gaan roken. Natuurlijk mag dat.

Rond een uur of acht wil hij naar bed geholpen worden. Gelukkig geeft hij dit goed aan en ik leg hem uit dat ik over tien minuten bij hem kom, omdat ik net een andere bewoner naar bed zou gaan brengen.

Ik red het om na tien minuten bij hem te zijn en help hem naar bed. Intussen maak ik een praatje met hem om te peilen wat voor soort man dit is. Hij vertelt, ik luister en stel af en toe een vraag.

Hij is moe en blij dat hij ligt en wil graag iets om te slapen. Helaas staat er geen slaapmedicatie op zijn medicijnlijst.

Om kwart voor elf gaat zijn bel en ik loop naar hem toe.

“U zult me wel gestoord vinden dat ik hiervoor bel”, zegt hij.

Ik maak een grapje en zeg: “Ja ik dacht al, wat ligt hier voor gestoord persoon in bed”. Hij kan er om lachen. Gelukkig, dat heb ik goed ingeschat.

Het probleem blijkt de jeuk aan zijn rechter bovenarm te zijn. Zijn linkerhand ligt doelloos naast zijn lichaam, daar heeft hij niets aan.

“Zal ik dan even krabben?” Ik probeer de plek te lokaliseren waar hij jeuk heeft. Ik zit er aldoor net naast. Dan wijst hij met zijn rechterhand op de linker bovenarm aan waar de jeuk zit.
“Handig, zo snap ik beter waar ik krabben moet” en ik krab over de plek waar het jeukt.

Ik wens hem welterusten en loop terug naar het teamkantoor waarbij ik bedenk dat de manier waarop hij dit onder de aandacht bracht bij mij het gevoel versterkt dat deze man vooral niet lastig wil zijn.