Tag Archives: kerst

Stoom uit mijn oren

stoom uit mijn oren

Sinds ongeveer een week hebben we er een nieuwe bewoner bij. Dat betekent een week of zes wennen aan elkaar. Hij aan ons en aan de andere bewoners en vice versa. Hij is iemand die van provoceren lijkt te houden en doet dat vooral tijdens de maaltijden. Dat is het moment dat iedereen in de huiskamer aanwezig is. De rest van de dag gaat iedereen toch een beetje zijn eigen gang.

Het is tweede Kerstdag, vlak voor de broodmaaltijd van 17.00 uur komt hij al luidruchtig binnen en praat een bewoner na die iets tegen mij zegt. Dat valt al meteen verkeerd bij de anderen. Hij gaat zitten vraagt zich meteen hardop af hoe lang het gaat duren voordat hij wat krijgt. Ik schenk koffie, thee en melk in en vervolg mijn werkzaamheden. Een aantal krijgen brood, boter en beleg en kan zichzelf dan verder redden. Onze nieuwe bewoner ook, ondanks dat zijn linkerhand niet goed meedoet. Op het moment dat ik voor zijn buurman brood begin te smeren begint het:
“Waarom moet ik zelf mijn brood klaarmaken en hij niet? Hij heeft twee klauwen en ik maar één.”

“U smeert tot nu nog alle keren zelf uw brood want uw linkerhand werkt nog een beetje mee en uw buurman heeft echt maar één hand tot zijn beschikking.”

Ik ga naar de volgende tafel en vraag wat de bewoners daar op brood willen. De ene wil nog wel wat van de salade, maar de ander wil iets wat hij beter niet kan eten omdat hij dan meestal halverwege moet braken.

“Jij wil altijd iets wat er niet is, of wat je niet mag!” hoor ik de nieuwe bewoner zeggen.

Ik vraag hem om zich niet met de anderen te bemoeien.

“Ik mag toevallig zeggen wat ik wil, ook als het jou niet uitkomt.”

Professioneel of niet, ik voel boosheid naar boven borrelen, maar ik reageer verder niet. Als iedereen van brood is voorzien ga ik de medicijnen delen. Voor hem trek ik de insulinepen op en pak een metformine tablet. “Alstublieft, uw medicijnen.”
“Steek die maar in je reet, samen met het brood en het beleg. Ik hoef die rommel niet.”

Ik pak de medicijnen weg en laat hem weten dat hij van mij de medicijnen niet hoeft in te nemen.
“Daar heeft u alleen uzelf mee, niet mij.”

“Ach mens, doe gewoon je werk en zeur niet.”

Het vervelendste is dat hij hiermee twee bewoners op zijn hand krijgt en dat er bij de rest van de bewoners een dodelijke stilte valt. Het is duidelijk dat wij als team hier iets mee moeten. Duidelijkheid naar de bewoner toe, duidelijkheid voor ons hoe te handelen. Hem nu naar zijn kamer sturen zal geen effect hebben.

Na de maaltijd verdwijnt hij weer naar zijn kamer. Zijn buurman zucht en zegt: “Wat een rotzooi is het hier”. Ik kan niet anders dan dit beamen.

Als ik de tafels afruim gaat mijn pieper en op het display zie ik dat de bel afkomstig is van de nieuwe bewoner. Ik besluit eerst alles op te ruimen voordat ik bij hem ga kijken. Hij ligt op bed en ik vraag hem wat ik voor hem kan doen.

“Wil je de televisie aan doen en ik wil een schone broek.”

Ik sta een poosje te kijken terwijl mijn hersenen op volle toeren draaien om te bedenken hoe ik hierop zal reageren. Het hele voorval van daarnet negeren of hem daar nog op aanspreken. Hij is nu gewoon weer vriendelijk. Ik besluit tot het laatste en pak er een stoel bij.
“Nog geen kwartier geleden kon ik geen goed doen, moest ik niet zeuren en gewoon mijn werk doen. Ik kon het brood, het broodbeleg en uw medicijnen in mijn reet steken en nu vindt u het de gewoonste zaak van de wereld dat ik uw televisie aanzet en u verschoon. Ik vind dit een rare gang van zaken en vraag me af hoe u het zou vinden als ik zou zeggen dat u die televisie en die schone broek in uw reet kan steken.”

Hij kijkt me een poosje aan en zegt niks, maar ik zie hem denken. Ik help hem met de schone broek, zet de televisie aan en wens hem een fijne avond.

Tien minuten later, als ik met mijn collega’s zit te eten en stoom afblaas over deze man komt hij met zijn scootmobiel langs. Of ik even wat sigaretten voor hem wil pakken. Daarna vertrekt hij, maar rijdt de verkeerde kant op. Hij verdwaalt nogal eens dus loop ik achter hem aan. Hij bleek nog niet naar beneden te gaan, maar moest zijn scootmobiel nog aan de lader zetten. Zijn accu is bijna leeg.

“U bent in de verkeerde gang, daar is uw kamer niet.”
“Dat gebeurt me hier iedere keer. Ik snap er niks van.”

“O, ik wel hoor. Wij verwisselen de gangen als u even een poosje op bed ligt.”

Hij kan er wel om lachen en zegt: “Ja, dat dacht ik al.”

“Dan is het in ieder geval niet uw schuld dat u verdwaalt.”

Zijn accu blijkt echt leeg, dus duw ik hem terug naar zijn kamer en ik kan het niet laten om toch nog iets over het eerdere voorval te zeggen: “Eigenlijk hebt u wel mazzel dat ik dit tijdens mijn pauze voor u doe. Zeker nadat u zich tijdens de maaltijd zo misdragen heeft. Ik had ook kunnen zeggen dat u die scootmobiel maar in u reet moest steken. Maar ja, dat ding is een beetje groot en gaat waarschijnlijk niet passen.”

De rest van de avond heb ik geen last van hem. Tegen 21,30 uur vraag ik hem zijn sigaretten en aansteker in te leveren, want hij is al een aantal keer betrapt op roken in bed. . Zonder problemen krijg ik de spullen van hem en ik wens hem goede nacht.

Tijdens dit soort diensten en helemaal tijdens de Kerst vraag ik me af waarom ik dit werk doe. Vaak zegt men dat dit zulk dankbaar werk is, terwijl dat echt niet altijd het geval is. Het is schipperen tussen alle kuren en korte lontjes van iedereen. Ik begrijp echt wel dat mensen het moeilijk hebben met hun afhankelijkheid. Ik begrijp alleen niet altijd waarom ze zich dan afzetten tegen degene waarvan ze hulp krijgen. Maar goed, ander werk? Ik zou eerlijk gezegd ook niet weten wat voor werk dan. Het blijft een boeiend beroep.

 

Advertisements

Op het podium

Op het podium

Goh, dat is nog eens wat anders dan in de zaal van het theater zitten. Zomaar zaten mijn lief en ik op het podium. O nee, niet om op te treden hoor, mocht je dat soms denken. We zaten bij een soort salonconcert en het podium was tot salon gebombardeerd. Overigens was het de tweede keer al dat we met een klein gezelschap op het podium zaten.

Als ik er goed over nadenk lijkt het wel alsof wij altijd naar optredens gaan die niet druk bezocht worden. Ach, wat zou het, ik voel me mijn hele leven bijna al een buitenbeentje, iets waar ik de laatste jaren niet meer zo mee kan zitten.

Tijdens de voorstelling van Mike Bodé, die voorlas uit zijn eigen boek “Zupheul, Febbo, en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan. waren wij ook maar één van de weinigen in de zaal. Overigens begrijp je natuurlijk wel dat tegenwoordig alle Jannen die wij kennen aangeduid worden met “Grak”.

Bij de Goldberg Variaties zaten wij in een kleine zaal om de vleugel heen en tijdens een optreden van het Peter Beets Trio die de jazz met Chopin probeerde te verbinden zat het publiek ook op het podium. En bij het Ciconia Consort was het publiek ook klein, maar zaten we wel in de grote zaal en niet op het podium. Dat kon ook niet, want het orkest nam alle ruimte in beslag.

Gisteravond zaten we op het podium bij LAVALU. Een optreden waar ik heen wilde omdat zij zingt als een popzangeres en dit combineert met klassiek pianospel. Ik was daar heel nieuwsgierig naar. Niet in de laatste plaats omdat ik sinds begin dit jaar zing en mezelf op de piano begeleid. Eerlijk gezegd wilde ik wel eens weten of ik dat ook op een andere manier zou kunnen dan ik tot nu toe doe.

Weet je wat trouwens heel irritant was gisteravond? Vlak voordat wij van huis gingen hoorde ik iets op de radio wat in mijn hoofd was blijven plakken. Ik ben bezig, nou ja, bezig? Ik moet nog beginnen met het liedje “The little drummer boy”. Dat ken je vast wel en zoals je weet zit daar eigenlijk alleen een trommel in als begeleiding. Dat wordt wel wat saai als pianobegeleiding. Ik struinde dus heel Youtube af naar opnames van dit liedje. Eerlijk gezegd kon ik niets bruikbaars vinden tot ik op de radio iets hoorde wat perfect in het ritme van dit liedje past. Tijd om het uit te proberen had ik niet, want we moesten de deur uit. Dan is het heel vervelend dat mijn hersens doorwerken, zelfs tijdens het optreden van LAVALU. Ondertussen keek ik wel naar wat haar handen deden op de toetsen van de vleugel. Wat mij opviel waren de vaak repeterende motiefjes die zij speelde. En ja hoor, mijn hersenen gingen ook daar druk mee aan de slag. In mijn hoofd hoorde ik “The little drummer boy” met een repeterend motiefje er door heen. Regelmatig riep ik mezelf tot de orde, want ik was niet voor niets naar deze voorstelling gegaan. Ik parkeerde het motiefje wat ik dus al vóór de voorstelling had gehoord en luisterde naar LAVALU. Grappig zoals zij Bach-achtige muziek onder een popliedje had gezet. Maar ook klanken die leken op de Gnossienes van Satie en op de eerste Arabesque van Debussy.

Nu even heel eerlijk: Ik denk niet dat ik dit kan, maar eigenlijk wil ik dit wel kunnen. Dus ben ik vandaag het motiefje gaan integreren in “The little drummer boy”. Misschien wordt het helemaal niet wat ik vind dat het zou moeten worden, maar dan heb ik het in ieder geval geprobeerd.