Tag Archives: hoge nood

Poepéren

poepéren

Op de afdeling somatiek, waar ik een jaar als zorgcoördinator werkte, hadden wij een cliënt die heel deftig liet weten dat hij moest “poepéren”. Een term die ik in het dagelijks leven nog vaak gebruik als ik een grote boodschap moet doen. Het is besmettelijk, want ook mijn lief noemt het tegenwoordig zo.

Gisteren had ik zo’n moment dat ik ontzettend nodig moest poepéren. Nou en, zal je misschien denken, wat kan mij dat nou schelen. Kijk, dat weet ik ook niet, maar ongetwijfeld heb je het volgende zelf ook wel eens meegemaakt. Ik liep gisteren met een zware boodschappentas richting huis en ja hoor, ik voelde de aandrang. Een poosje kon ik dit negeren, maar op een gegeven moment werd dit toch wat lastig. Met samengeknepen billen probeerde ik steeds sneller te lopen. Moet je eens proberen, dan kom je al snel tot de ontdekking dat die twee niet samengaan.

Door deze hoge nood moest ik ineens denken aan de tijd dat ik als leerling-verzorgende werkte op een pscychogeriatrische afdeling. Die voor dementerenden dus. Daar trof je nog wel eens een drol aan in de gang. Dan had een dementerende in zijn of haar broek gepoepeerd (laat ik maar even in stijl blijven) en vond dit waarschijnlijk wat vies aanvoelen. Wat doe je dan? Je laat je broek zakken en wipt de drol er uit. Zo, weg dat vieze ding en daar ligt ‘ie goed. Als je op een pg-afdeling werkt kan je hier om lachen. Kan je dat niet, dan ben je als verzorgende niet op je plek.

Met samengeknepen billen bedacht ik dat ik dit natuurlijk ook zou kunnen doen, mocht het zover komen dat ik in mijn broek zou poepéren. Zie je het voor je? Ik wel en ik ben blij dat dit me bespaard bleef. Het laatste stukje strompelde ik zo ongeveer naar de voordeur. Daar kreeg ik uiteraard de sleutel niet zo gauw in het slot, maar toen ik eenmaal binnen was haalde ik opgelucht adem. Nu nog naar het toilet. Jas uit en gewoon op de grond gesmeten. Sjaal af en een slinger door de kamer gegeven, daarna als de wiedeweerga naar het toilet om snel mijn grote boodschap te doen. Ik ga niet beeldend uitleggen wat ik daar in de pot neerlegde, maar dit had ik niet in mijn broek willen hebben. Dat weet ik zeker.

Trouwens raar dat we het tegenwoordig over cliënten hebben in de verpleeg- en verzorgingshuizen. Vroeger waren het gewoon bewoners. Dat klinkt veel gezelliger. Niet dat ze dat ook automatisch waren, maar het klinkt wel zo. Waarom er ooit iemand op het idee gekomen is om deze mensen cliënten te gaan noemen is me een raadsel. Misschien past deze status meer bij de term poepéren, wie weet.

Wildplassen

wildplassenEr zijn van die momenten dat ik denk: “Was ik maar een man”. Je begrijpt het al. Dat zijn die momenten dat ik heel nodig moet plassen en er geen wc in de wijde omtrek te bekennen is. 

Afgelopen zondag liep ik een tocht van 25 km door de bossen van Apeldoorn. De route was verwerkt in een compleet boekwerk en ik was even bang dat ik door de bomen het bos niet zou zien. Gelukkig bleek vrijwel iedere boom van een pijl te zijn voorzien, zodat verdwalen er niet bij was.

Af en toe zag ik het  al wat oudere echtpaar voor mij uit lopen. Door de wirwar van paadjes raakte ik ze regelmatig ook weer kwijt. Ik naderde een weg, stak over en verdween via een smal paadje het bos weer in. Het echtpaar zag ik de bocht om verdwijnen en toen ik dichterbij kwam hoorde ik de man zeggen: “Hier kan het wel, er is nu toch niemand die me ziet”. Net op dat moment kwam de bocht door en duidelijk was dat de man een boom had uitgezocht om tegen aan te plassen. Zelf moest ik ook al een poosje, dus was ik best een beetje jaloers.

De man keek nog even om zich heen, zag mij en deed snel zijn gulp weer dicht. “Gaat uw gang hoor, ik kijk wel een andere kant op”, zei ik. De man draaide me de rug weer toe en deed wat hij al eerder van plan was te doen. Terwijl ik zijn vrouw passeerde en gedag zij, zei ze: “Ach, en zoveel is er nu ook weer niet te zien”, waarbij wij beiden in de lach schoten.

Jammer dat ik pas later bedacht dat ik zo tussen neus en lippen door had kunnen zeggen dat ik, door mijn beroep, al zoveel mannelijke geslachtsdelen had gezien dat ik hier echt niet van in de war zou raken. Ik had hun gezichten wel willen zien. Maar ja, zoals wel vaker, bedenk ik altijd achteraf wat ik had kunnen zeggen.