Tag Archives: dementie

De geheime missie

geheim

Met een grote tas op schoot beweegt hij zich langzaam in zijn rolstoel naar de deur. Op mijn vraag of hij uit gaat krijg ik fluisterend antwoord, want het moet geheim blijven. Hij is gebeld door Israël en zijn aanwezigheid is daar per direct gewenst en dat mag ik aan niemand vertellen.

Mijn gedachten maken overuren, want als ik zeg dat hij misschien geslapen heeft en uit een droom is wakker geworden, maak ik geen vrienden. Raar is mijn gedachtegang niet, want hij doet heel wat dutjes gedurende de dag. Als ik hem vraag eerst met ons te eten krijg ik oorlog, want die geheime missie is nogal dringend. Ik besluit om hem gewoon naar beneden te laten gaan en bel naar de balie om te vragen of ze het een beetje in de gaten kunnen houden.

Na verloop van tijd hebben mijn gedachten hun werk gedaan en ga ik naar beneden. Hij zit midden op het parkeerterrein en wacht schijnbaar ergens op. Ik vermoed op een taxi. Dat is alvast een gegeven wat ik kan gebruiken.

Ik loop naar hem toe en vertel hem dat ik net gebeld ben door Israël en dat ik moest overbrengen dat de missie is afgeblazen. Zijn aanwezigheid is niet meer noodzakelijk en de taxi die ze voor hem geregeld hadden is afgezegd. Hij wil nog wel weten wat de naam van de persoon was die ik aan de telefoon had. Heel eerlijk vertel ik hem dat ik het een moeilijke naam vond die voor mij niet goed uit te spreken was, maar dat het een man was. Daarmee ging het bijna mis, want degene die de missie had georganiseerd was een vrouw. Maar het kon heel goed dat zij een man liet bellen met deze boodschap. Meteen vertelde ik hem dat vrouwen ook niet te vertrouwen zijn.

Hij was boos, maar gelukkig niet op mij. Het was al de tweede keer dat dit hem overkwam. Hij laat zich door mij naar boven brengen, heeft wat boterhammen gegeten en is daarna in zijn kamer gaan zitten wachten op een telefoontje uit Israël. Daar zat hij nog steeds toen mijn dienst er op zat. Naar bed geholpen worden wilde hij niet, want hij moest wel in de startblokken blijven.

De slappe lach

de-slappe-lach

Op zijn bord lag een dubbele boterham met gebakken ei en hij zat er schaterend naar te wijzen. Hij had gewoonweg de slappe lach. Waarom wisten we niet. Het brood was slap geworden, zodat ik het maar in stukjes sneed en hem hielp met eten.Na iedere hap barstte hij weer in lachen uit. “Hebben ze lachgas in het ei gedaan?”, vroeg ik hem.

“Wie weet.” En weer schoot hij in de lach. De tranen liepen hem over de wangen, zo’n lol had hij. Bij mij werkte het aanstekelijk, terwijl de rest van de bewoners met doodernstige gezichten verder aten.

Na het eten bracht ik hem, vanwege alle prikkels, naar zijn kamer. Daar kantelde ik zijn stoel zodat hij even kon rusten. Ik pakte de cd van Wim Zonneveld zodat hij naar de liedjes kon luisteren. “Straks breng ik je nog wat te drinken.”

Met het glas drinken in mijn hand liep ik zijn slaapkamer binnen. Ja, hoor hij had dorst, maar niet het geduld om te drinken. Hij nam één slok en prikte toen met zijn vinger in mijn blote onderarm.

“Wat is dat?”

“Dat is mijn arm.”
Daarna prikte hij in mijn blote bovenarm. “En wat is dat?”

“Dat is ook mijn arm.”

“Vind je dat niet raar?”

“Nee hoor. Dit is jouw arm”, en ik weest naar zijn arm. “En dit is mijn arm. Jij hebt er twee en ik ook.”

“Toch vind ik het raar. Kijk, daar hadden ze net eieren gelegd en daar ook en daar was het per ongeluk.” Hij schoot weer in de lach en keek mij olijk aan.

“Dat kan gebeuren, dat ze dat per ongeluk doen. Je was er toch niet boos over?”

“Nee, hoor waarom zou ik?”

“Wil je nog een slokje drinken?”

Hij pakte het glas aan en dronk het in één teug leeg.

Ik ben dement en ik weet het

Niets is wat het lijkt

“Vanmorgen had ik mijn kleindochter met haar kind op bezoek. Mijn achterkleinkind dus. Ik weet alleen niet meer bij wie mijn kleindochter hoort. Weet u, dat komt doordat ik dementeer en het lijkt wel steeds erger te worden”, zegt ze verontschuldigend tegen de bewoners waarmee ze aan tafel zit.

“Dat geeft niks hoor, ik vergeet ook wel eens iets”, geeft één van hen als antwoord.

Geld naar de Grieken

dementie

Geld naar de Grieken

 

“Heb ik het al verteld?” vraagt ze, terwijl ze achter me aan trippelt in haar rolstoel.

“Ja, je hebt je spaargeld naar Griekenland overgemaakt.”

“Wist je dat dan al, heb ik dat al eerder verteld? Vind je dat niet vervelend?”

“Ja je hebt het me gisteren ook verteld, maar dat geeft niet hoor. Maar waarom heb je dat geld eigenlijk overgemaakt naar Griekenland?”

“Ze krijgen daar maar één boterham per dag. Dat zag ik op televisie. Dat is toch schandalig! En moet je dan dit grote huis zien. Er woont hier maar een handjevol mensen. Dat geld hadden ze ook beter naar Griekenland kunnen brengen.”

“Dit is wel een groot huis, maar er wonen ook heel veel mensen.”

“Waar zijn die dan. Ik zie niemand.”
“De meeste zijn nu aan het eten, maar er zijn er ook die in hun kamer zitten. Niet iedereen sjouwt de hele dag over de gang.”

“O, dat wist ik niet. Dan is het wat anders. Maar weet je wat ik net hoorde? Dat het geld allemaal naar de hoge heren is gegaan in Griekenland. Dat is toch schandalig.”

“Ik denk dat jouw geld wel goed terecht is gekomen hoor. Ze krijgen daar nu vast meer dan één boterham per dag.”

“Weet je wat ik ook laatst op televisie zag? Dat ze met heel veel in een soort kuil zitten die vol met water zit. Alleen hun hoofden komen er nog bovenuit.”
“Dat is wel vervelend voor die mensen, maar aan de andere kant zijn ze dan wel meteen schoon.”
“Ach mens, klets niet zo stom”, en ze draait haar rolstoel en klampt de volgende aan met haar verhaal.

Aardappelpuree, gemalen groente en kippenpoten.

flauwekul

Ze heeft zo hier en daar nog wat tanden en kiezen in haar mond, maar veel is het niet. Vandaar dat ze pap eet, of brood zonder korst en ‘s avonds een gemalen warme maaltijd. Dat vliegt er in, want voordat je het bij haar neergezet hebt is het al bijna op.

Van de week waren er kippenpoten bij de warme maaltijd. Een heel gedoe overigens voor de meesten. “Zal ik die van u even ontleden?”, vroeg ik een aantal keer. Daar waren ze maar wat blij mee. Iedereen zat met smaak te eten en terwijl ik een ander hielp met eten zag ik haar ineens met een kippenpoot in haar handen. Ze was het ding aan het afkluiven. Verbaasd vroeg ik me af hoe ze daar ineens aan kwam. Toen ik goed keek bleek ze het bord, waar ik de botten op had gelegd, naar zich toegetrokken. “Lekker hè?” zei ik tegen haar. Vergenoegd knikte ze me toe.

Kan u mij helpen?

 

De jakkie

In haar nachthemd, haar haar helemaal in de war, loopt ze de gang op. “Wie kan mij helpen? Waar ben ik, hoe ben ik hier gekomen?”

Wanner ik haar uitleg waar ze is kan volgens haar helemaal niet. “Ik woon toch (en ze noemt haar vroegere huisadres), vlak bij het zwembad. Als de wind verkeerd staat ruikt mijn hele huis naar chloor.”

Het gaat maar door vandaag en als ik achter de laptop wat rapportages probeer te verwerken staat ze elke vijf minuten zo’n beetje bij me. “Kan u mij helpen? Ik moet naar…………………. en weer lepelt ze het hele adres op”.

Ik leg haar uit dat ik hier niet vandaan kom en dus niet weet waar die straat is. “O, wat jammer, maar dat kon ik niet aan het puntje van uw neus zien!”, is haar reactie. Van mij loopt ze naar mijn collega en dan weer terug naar mij.

Na vier keer vertelde ik haar dat ze mij dit al gevraagd had en dat ik haar niet kon helpen. Ze liep bij me vandaan, maar was na een paar minuten alweer terug. “Kan u mij helpen of heb ik het al aan u gevraagd?” Ik liet haar weten dat dit al de vijfde keer was. “Dat meent u niet?”

Niemand leek tijd voor haar te hebben. En heus, dat is van ons geen onwil en misschien vinden jullie die rapportages helemaal niet zo belangrijk. Misschien vinden jullie wel dat wij gewoon voor deze mensen moeten zorgen. Dat vinden wij zelf ook, maar diezelfde rapportages zijn regelmatig van onschatbare waarden. Op deze manier kunnen wij gedragsveranderingen in kaart brengen, iets waar de psycholoog altijd heel blij mee is. Hoe gedetailleerder wij het gedrag beschrijven geeft haar houvast om ons handvatten te geven om met dat gedrag om te gaan.
Heel vaak vinden wij zelf een weg, maar soms hebben wij daar hulp bij nodig. En heel soms heeft die hulp een averechtse uitwerking: “Als mevrouw denkt dat ze naar huis moet, kan je ook zeggen dat dit haar thuis is”.

Dat hebben we geweten. Wat werd ze boos, want wat deden al die mensen dan in haar huis. Er uit moesten ze!!

Stiekem bonbons eten

bonbons

Na de lunch is de toiletronde en samen lopen we naar haar kamer. Ze heeft een resistente bacterie in haar blaas en mag alleen gebruik maken van de postoel in haar slaapkamer. 

Als ze zit zegt ze: “Wilt u een chocolaatje?” Dat vroeg ze laatst ook, maar toen ze klaar was met plassen was ze de vraag alweer vergeten. Deze keer niet en ze pakte een doos bonbons van haar nachtkastje. “Deze heb ik van mijn zoon voor mijn verjaardag gekregen.” Ze deed de doos open. ik pakte een bonbon en vroeg haar of ze de doos niet mee wilde nemen om er van uit te delen in de huiskamer. “Lekker voor bij de thee straks.” Ze bleek dat niet van plan te zijn. Ik mocht er één en ze nam er zelf een.

In de gang begon ze te giechelen: “Mijn mond is nog lang niet leeg. Straks zien ze dat ik een bonbon in mijn mond heb.” Ik schoot in de lach en zei: “Gewoon niets zeggen, dat merkt niemand het en kan u ‘m gewoon stiekem opeten.

Dorst

bang

Ze verzamelt van alles in haar tas: Washandjes, theelepeltjes, kopjes, schoteltjes en noem maar op.

Alles kan ze gebruiken. Ik maak er wel eens een grapje over en zeg dat ze haar uitzet bij elkaar spaart.

Ze staat in de toiletruimte, haalt het kopje uit haar tas en schept hiermee water uit de toiletpot. Uiteraard grijpt één van ons in. Verontwaardigd kijkt ze op alsof ze wil zeggen: “Kom zeg, ik heb gewoon dorst”.

Nogmaals Fiene

flauwekul

Ze was ongedurig vanmorgen en had nergens tijd voor. Haar handen stonden niet stil en deden hun werk. Rijgen, spelden in de stof steken, pluisjes wegplukken etc. Tijd om te eten had ze daardoor niet. Na een paar keer te hebben aangedrongen gaf ik de moed op. Haar medicijnen had ze naar binnen, samen met een klein schaaltje appelmoes.

Later deze ochtend probeerde ik nog een keer een beetje pap. Nog steeds was ze te ongedurig en ook drinken wilde niet. Uit de bijgehouden lijsten was ook gebleken dat haar hongergevoel pas na elven begint te spreken, dus wat nu gebeurde klopte wel.

Tegen lunchtijd zei een collega dat Fiene naar de andere afdeling was getrippeld. Ik besloot haar daar op te zoeken, zodat ik haar de medicijnen van 12.00 uur kon geven. Al gauw had ik haar gevonden: “Fiene, ik was je aan zoeken, maar je ben hier dus.” Ze keek op en ik zag de opluchting over haar gezicht glijden. Ze strekte beide armen over het werkblad naar me uit en begon bijna te huilen. Ik hurkte bij haar stoel en deed mijn armen om haar heen. “Wist je niet meer waar je was?” Ze schudde haar hoofd en ik nam haar mee terug naar de afdeling.

Fiene – vervolg

Het is al waflauwekult later op de avond en ze zit op de bank, tegen haar man aan, te slapen. Ik kom aanlopen met haar medicijnen en hoor haar man zeggen: “Kijk, daar is de zuster al”, en hij vertelt zijn zoon en schoondochter dat dit die zuster is waarvan het kleinkind ook Fiene heet.

Ik ga op mijn hurken voor Fiene zitten en trek haar aandacht door haar naam te noemen. Ze neemt haar medicijnen in. Ik vertel haar echtgenoot dat ik de vorige dag tegen haar zei: “Fiene, kijk eens naar oma”. Ook nu kijkt ze weer op en buigt naar voren om me een kusje te geven. Haar man lacht om wat er gebeurt en ik vertel hem dat mijn kleindochter drie jaar is en rood haar heeft. Hij vertelt dat zijn vrouw haar haar vroeger ook rood was.

Wat een overeenkomsten tussen mijn driejarige kleindochter en deze oude vrouw. Het enige verschil is, is dat ik mijn kleindochter al acht maanden niet gezien heb, maar dat vertel ik niet.