Mijn kerstliedje

Gisteren raakte ik in het centrum van Emmeloord het totale gevoel voor Kerst kwijt. Er stond een stand van de KWF kankerbestrijding waarbij de mensen die daarbij hoorden een carnavalsmuts op hadden. Als muzikale noot klonk “keboenkeboenk” muziek. Verderop speelde een draaiorgel “Daar in het kleine café aan de haven”. Jammer vond ik het.

Tijdens Kerst werk ik avonddiensten. Dat valt niet mee, voor mij niet, maar ook voor onze bewoners niet. Niet omdat ik dan werk hoor, maar eerst het weekend waarin niks te beleven valt voor deze mensen en dan nog eens twee Kerstdagen zonder activiteiten. De irritaties tussen de bewoners onderling lopen dan nogal makkelijk op en daar moet ik dan tussendoor zien te laveren.

Aan de voorbereidingen van “The little drummer boy” heb ik een hoop lol beleefd. Een liedje met als begeleiding een trommel. Eerlijk gezegd had ik geen flauw idee wat ik er dan voor begeleiding bij moest maken. Talloze youtube filmpjes heb ik bekeken en er zaten hele leuke versies tussen, maar daar kon ik op de piano niets mee. Tot ik op een avond, vlak voordat we naar het optreden van LAVALU zouden gaan, een pianokwartet van Dvorák hoorde inzetten. Het begon met een motiefje wat een aantal keer terugkwam. Het gekke is dat ik meteen hoorde dat ik met dat ene motiefje, van slechts vier noten, een begeleiding zou kunnen maken. Het spookte zelfs tijdens het optreden van LAVALU door mijn hoofd. Ik moest het echt parkeren anders had ik van dat hele optreden weinig gehoord. Thuis gekomen opende ik de pianoklep, duwde het studiepedaal naar beneden en probeerde het motiefje uit. En ja hoor, het werkte!

In de loop van de weken bouwde ik het motiefje verder uit en iedere week vorderde het. Het blijft een heel proces om zelf de pianobegeleiding te spelen en dan ook nog te zingen. Bij mij duurt het even voordat dit bij elkaar komt.

Tijdens “Sing a Song @ Christmasdinner” mocht ik het uitvoeren. Ik raakte wat afgeleid door de achtergrondgeluiden, maar herpakte me al snel weer. Uiteraard was ik niet de enige die zong, er waren meerdere optredens en het werd een geweldig leuke avond.
Misschien vind je het leuk om naar het liedje te luisteren. Ik heb geen wereldstem en, zoals ik al eerder opmerkte, ik raakte wat afgeleid door de achtergrondgeluiden. Het is niet perfect, maar de lol die ik er aan gehad heb was dat wel.
Voor iedereen een fijne Kerst en een goed 2018 gewenst.

Advertisements

Jeuk

jeuk

Hij heeft rode plekken op zijn rug en heupen. Daar heeft hij last van want het jeukt, zodat daar een zalf voor is voorgeschreven.

Doordat hij incontinent is, heeft hij ook vaak jeuk aan zijn geslachtsdeel. Ook daar heeft hij een zalf voor gekregen.

Hij ligt ongeveer een half uur in bed als hij belt. En dan nu het taalgebruik van onze al wat oudere bewoner:
“Volgens mij heb je de verkeerde zalf gebruikt. Ik heb nog nooit zo’n jeuk aan mijn pik gehad.”

 

De verdwaalden

verdwaald

Misschien lag het aan het weer, of aan de naderende Kerst, wie zal het zeggen.

Ik bracht rond een uur of zes iets terug naar de tweede etage en zag daar een bewoner van de derde etage in de deuropening van een kamer. Haar kamer, maar dan een etage te laag. Ze wilde er niet meer weg en mijn collega’s vroegen of ik haar mee wilde nemen.

“Gaat u mee naar boven, naar uw eigen kamer?”

“Nee hoor, daar ben ik al geweest. Als ik daar weer heen moet ga ik naar huis!”

Tja, in deze kamer kon ze niet blijven, die was niet van haar. Ik haalde de stoel van de rem en al pratend liep ik met haar naar de lift.

“Hier ben ik ook al geweest”, waren haar woorden toen de liftdeuren open gingen.

“De lift is toch de enige mogelijkheid om van beneden naar boven te komen. Met de rolstoel over de trap is niet zo handig.”

“Nee, daar krijg je ongelukken van.”

Ik bracht haar terug naar mijn collega’s van de andere gang op drie hoog. Daar zag ik een collega rennen en vliegen, want er was een bewoner van ons verzeild geraakt bij het verpleeghuis aan de overkant.

“Nee, dat is deze mevrouw niet, ik kwam haar tegen op de tweede etage.”

Mijn collega vloog de trappen af om de verdwaalde bewoner op te halen.

Later op de avond, het zal tegen negenen zijn geweest, zag ik vanuit mijn ooghoeken een man in een rolstoel langs de kamers gaan. Hij was duidelijk aan het zoeken en ik liep naar hem toe. Ik zag dat hij van mijn leeftijd was en zo te zien had hij een linkszijdige verlamming.

“Bent u op zoek naar iemand?”

“Nee, ik zoek mijn kamer.”

“Op welke etage woont u?”

“Dat weet ik niet?”

“Bent u aan het revalideren?”

Zichtbaar opgelucht knikte hij van ja.
“ Dan woont u op de eerste etage. Als u even wacht loop ik met u mee naar de lift”. Daar aangekomen reed hij de lift in.

“U moet naar één hoog.”

“Dan moet ik op deze knop drukken, toch?”

“Ja, helemaal goed!”

Ik ging weer terug naar de afdeling en hervatte mijn werkzaamheden.

Om elf uur, tijdens de overdracht vroeg ik mijn collega wie er aan de overkant terecht was geraakt. Het bleek iemand van één hoog te zijn. Waarschijnlijk de verkeerde kant op gegaan na het roken.

Onderweg naar huis, waarbij ik niet verdwaalde, bedacht ik hoe blij ik ben dat ik in het verpleeghuis werk en er niet hoef te wonen.

 

Besmettelijk

morsig mannetje

Hij is een ‘morsig’ mannetje om te zien. Om hem ‘s morgens te helpen met wassen en aankleden moeten we alle zeilen bijzetten. Zijn ritme is dat hij eerst naar beneden gaat om te roken. Hij trekt, zo goed en zo kwaad als het gaat, zijn lange broek over zijn natte inco aan en is er niet toe te bewegen om zich eerst even te laten fatsoeneren.

Na het roken wil hij eerst ontbijten en soms komt dat ons dan eigenlijk ook beter uit. We moeten alleen opletten dat hij na het ontbijt meteen verdwijnt naar de rookruimte. Gelukkig moet hij ons om sigaretten vragen, anders is hij te snel door zijn rantsoen heen, terwijl zijn budget ook zeer beperkt is.

Douchen en zich scheren wil hij alleen op zondag en soms weigert hij dat ook nog. Zijn gebit mogen wij niet poetsen, want dat doe hij zelf. Helaas is dat niet het geval en heel soms weten wij hem te overtuigen dat het gebit toch nodig een poetsbeurt nodig heeft.

Gisteren, in de namiddag, kwam hij met zijn rolstoel de keuken binnen.

“Jongedame, ik heb nog vis in de koelkast liggen. Wil je dat er even uithalen?”

“Natuurlijk, maar we gaan pas over een half uur eten.”

“Dat weet ik, maar dan is die vis niet meer zo koud.”

Ik ben verkouden, krijg een niesbui en snuit daarna mijn neus. Kijk, en hygiënisch als ik ben was ik daarna mijn handen en pak dan pas de vis uit de koelkast. Het is gerookte makreel.

“Wilt u ze allebei?”
“Nee, één is genoeg.”

“Dan leg ik die, afgedekt, op een bordje op het aanrecht tot het etenstijd is.”

En dan komt het: “Ja maar niet met uw besmettelijke handen!”

“Natuurlijk niet, ik gebruik wel een vork.”

Overigens is het natuurlijk wel leuk om op je 59e met ‘jongedame’ te worden aangesproken.

Het is niet goed of het deugt niet

werkdruk

Natuurlijk wil ik eerst even die zwachtels bij hem omdoen omdat mijn collega dit niet mag. Dat kan nog net voordat ik om half acht onze bewoner ga helpen die dit als vaste tijd heeft om hem op die manier zoveel mogelijk structuur en houvast te geven.

Om tien over zeven ‘s morgens begin ik dus met zwachtelen. Ik ben nog geen minuut bezig of ik krijg de wind van voren over de dag ervoor. Toen had hij nadat ik hem gezwachteld had nog zo lang moeten wachten tot hij verder geholpen werd. Hij hoopte dat dit vandaag niet zo zou gaan en vroeg meteen maar of ik hem niet even helemaal kon helpen.

“Ik werk vandaag, net als gisteren, op de andere gang maar doe dit er even bij omdat mijn collega dit niet mag”.

“Ik snap niet dat ze dat soort mensen aannemen. Daar heb je toch helemaal niets aan?”

Deze reactie schiet mij in het verkeerde keelgat. We hebben dit weekend met ziekte te kampen en werken daardoor met een krappere personeelsbezetting.

“Ik mag toch hopen dat u dit niet straks ook tegen mijn collega zegt. Ik ben blij dat ze er is, want anders was ik alleen geweest vandaag en had u misschien nog langer moeten wachten.”

“Ja, ik weet wel dat jij daar ook niks aan kan doen, maar ik begrijp niet waarom ze niet gewoon meer personeel aannemen of ergens een potje reservepersoneel hebben. Er kan toch gewoon iemand voor die zieke invallen.”

“Hebt u enig idee hoe dit voor mij is? Ik kom bij u, zodat u vroeg geholpen kan worden en ik word begroet met een hoop gemopper. Jullie zijn hier met z’n zestienen en wij zijn maar met z’n tweeën. Die verdeling ligt wat scheef volgens mij en daardoor kunnen wij er niet voor zorgen dat jullie alle zestien op tijd geholpen worden. Wij beginnen altijd als eerste bij u, er zijn er die langer moeten wachten.”

“Ja, ik begrijp jou wel. Ik ben ook niet boos op jou en ik snap heus wel dat jullie niet alles tegelijk kunnen. Maar daar hoef ik toch niet de dupe van te worden?”

Het is vijf voor half acht en deze bewoner kan verder geholpen worden door mijn collega. Ik verlaat zijn kamer en ga naar de volgende bewoner die ligt te schreeuwen dat hij geholpen moet worden.

Om tien over zeven heb ik hem nog verteld dat ik om half acht bij hem zou zijn en dat hij tot die tijd niet hoeft te schreeuwen. Twintig minuten is lang voor hem en hij heeft het een kwartier volgehouden om rustig te blijven. Daar geef ik hem een compliment voor.

Op zo’n dag ga ik letterlijk een stapje langzamer lopen. Op die manier raak ik zelf niet gejaagd en voorkom ik dat ik die gejaagdheid overbreng op de bewoners. Maar om de dag op deze manier te beginnen is werkelijk niet leuk. Ik weet dat de bewoners kampen met niet aangeboren hersenletsel, maar ik vind het nog steeds geen vrijbrief voor dit soort gedrag. Als we dat wel zo zien en dat ook uitstralen denken bewoners dat alles maar gezegd en gedaan mag worden. Ik ben er zeker van dat er gerust wel wat blijft hangen van het tegengas dat ik geef.

November

november

Soms zou ik gewoon een winterslaap willen houden. Ik ben moe en zal blij zijn als deze week, met zijn drie avonddiensten, om is. Dan heb ik weer een weekje vakantie. Het bevalt goed om mijn vakantiedagen zo in te plannen dat ik ieder kwartaal een poosje vrij ben. In maart en december een week. In juni twee of drie weken en in september ook nog twee weken. Het is voor mij de manier om mijn werk, wat lichamelijk en ook geestelijk wat zwaar is vol te kunnen blijven houden. Misschien zou ik ander soort werk moeten zoeken, maar ik heb geen idee wat voor werk dan. Dit werk is zwaar, maar wel wat ik leuk vind en waar ik goed in ben. Ik voel echter goed dat ik de zestig nader.

Heb ik dat altijd in november? Ik weet het eerlijk gezegd niet. Volgens de krant is het de meest saaie en vervelende maand van het jaar. Er is niets om naar uit te kijken in november en het weer is al helemaal niet iets om over naar huis te schrijven. Ik heb dus waarschijnlijk een novemberdip. Vervelend, want ik heb ook altijd last van een januaridip.

Het is niet zo dat ik nergens zin in heb, maar wel weer worstel met het gevoel dat het er allemaal niet zo toe doet. En dat gevoel vind ik vreselijk. Als ik eenmaal bezig ben met pianospelen, schilderen of schrijven aan het boek voor Jelle, dan verdwijnt dat gevoel gelukkig wel naar de achtergrond. Zodra ik stop is het er meteen weer.
Dan heb ik ook nog veel avonddiensten, die zijn lichamelijk wat minder zwaar, maar ik ben niet zo’n avondmens. Jeetje, wat zit ik eigenlijk ontzettend te zeuren, als ik lees wat ik tot nu toe geschreven heb.

Is er dan niets leuks in november? Jawel hoor, want ik ben jarig deze maand, alleen hou ik er niet zo van om mijn verjaardag te vieren. Deze keer heb ik dat dan ook niet gedaan. Rond mijn verjaardag deed ik mee aan het benefietconcert voor Bangladesh. Ik speelde drie stukken op de piano en daarna zong ik, terwijl ik mezelf op de piano begeleidde, “Bridge over troubled water”. Best toepasselijk. En terwijl ik dit schrijf weet ik nog hoe fijn ik het vond om dit te doen. Alleen al het feit dat ik daar het lef voor heb, daar word ik al heel gelukkig van.
Mooi, mijn verhaal wordt al positiever.

Deze maand ben ik ook, met mijn lief, voor het eerst weer naar mijn oudste dochter geweest. Op de dag af twee jaar nadat ik haar voor het laatst gezien had. De aanleiding van dit verbroken contact was de scheiding van mijn jongste dochter. Geen idee waarom dat allemaal zo liep, maar het werd een hele toestand binnen de familie, want met mijn zoon is er nog steeds geen contact.

Naar aanleiding van toestanden in mijn oudste dochter haar eigen leven stuurde ik haar een kaartje. Eerlijk gezegd verwachtte ik er verder niets van, maar ze reageerde meteen met een sms en later met een telefoontje. Niet lang daarna zijn mijn lief en ik naar haar toe gereden.
We hebben haar verhaal aangehoord. Het enige wat ik hierover kwijt wil is dat het een puinhoop in haar leven is en dat ze bezig is de brokstukken bij elkaar te rapen.

We zagen ook nog even onze twee kleinkinderen. De jongste is drieeneenhalf en heeft geen herinneringen aan ons. Wij zijn haar nieuwe opa en oma, zoals ze ons noemde tegen haar moeder. Hier kon ik gelukkig om lachen. Onze kleinzoon is vijfeneenhalf en kende ons nog wel. Oma van het kleine autootje en hij wil best weer naar Texel, naar de tent van oma.

Gelukkig is het contact er weer en kan ik haar aanhoren en af en toe voorzichtig een adviesje door te putten uit mijn eigen ervaringen. In mijn leven is het ook regelmatig een puinhoop geweest, maar niet van deze omvang. Toch herken ik veel in haar verhaal.

Zal ik dan nu maar gewoon een winterslaap gaan houden en wakker worden als het weer lente is? Eerlijk gezegd denk ik dat mijn oudste dochter dat het liefst ook zou doen.

De bokkenpruik op

bokkenpruik

Vaak wil ze ‘s morgens niet uit bed en eigenlijk wil ze dan niets. Even zo vaak wil ze ‘s avonds niet in bed geholpen worden, terwijl ze dan wel moe is.

Vanmorgen had ze ook de bokkenpruik op. Ik mocht haar bloedsuiker controleren, maar verder hield ze koppig vast aan haar “nee”. Lastig, want haar bloedsuiker was aan de lage kant en eten is dan de enige oplossing, maar ook dat wilde ze niet.

Ik gooi, als het om haar gaat, mijn vertelkunst in de strijd en zodra ik bij haar de kamer in kom begon ik mijn verhaal. Meestal over mijn kleinkinderen, maar ook wel eens over mijn ouders. Dan is ze afgeleid en kan ik haar gewoon helpen met wassen en aankleden. Aangezien ze gisteren de aankomst van Sinterklaas op tv had gezien besloot ik daarop voort te borduren.

“Weet je wie ik vannacht in mijn huis tegenkwam toen ik naar de wc ging? Sinterklaas en Zwarte Piet”.

“O meid echt waar? Wat leuk!”

“Ja, echt waar. Sinterklaas zei gisteren dat iedereen zijn schoen weer mocht zetten. Ik heb gewoon al mijn schoenen uit de kast gehaald en neergezet. Winterschoenen, sportschoenen, laarsjes, pantoffels, sandalen, slippers, gymschoenen en ook nog mijn schoenen met hakjes. Wat denk je dat Zwarte Piet zei?”

“Ja, wat zei hij?”

“Dat ik wel al mijn schoenen had neergezet, maar dat ik niet moest denken dat hij ook overal snoepjes in zou doen. Daar kon hij niet aan beginnen.”

“O meid, wat jammer!”

Ik borduurde nog wat voort op mijn Sinterklaasverhaal en al vertellend hielp ik haar met wassen en aankleden. Voordat ze het in de gaten had zat ze in haar stoel en reed ik haar naar de huiskamer zodat ze haar boterham met een gekookt eitje kon eten.

Een zalfje tegen de buikpijn

Kort door de bocht

“Hij heeft buikpijn en wil daar een zalfje voor”, laat mijn collega weten als ik aan het werk ga.

Ik schiet even in de lach, maar bedenk wel meteen dat ik deze zorgvraag waarschijnlijk moet vertalen in een totaal andere.

“Moet u naar het toilet?” Nee, dat is het niet, maar ik krijg wel een hele uitleg over een bevalling en dat het vervelend voelt als hij zit. En ja, hij wil een zalfje vanwege de buikpijn.

“Ja, een bevalling is pijnlijk, daar weet ik alles van, want ik heb drie kinderen.”

Ik weet ook, dat als hij niet op tijd naar het toilet geholpen wordt en hij het in zijn broek doet, de ontlasting straks overal zit. Aan zijn handen, in zijn haar, aan de muren en noem maar op.

“Weet u wat ik ga doen? Ik ga u toch even op het toilet helpen. Zet u de rolstoel even op de rem, dan haal ik de lift voor u.” Hij doet wat ik hem vraag en als ik terug kom met de lift leg ik hem uit dat ik, als hij op de wc zit, beter bij zijn buik kan. Dan kan ik zien of daar iets mis mee is en er eventueel een zalfje op smeren.
Als hij in de “sta-lift” staat en ik zijn broek naar beneden doe zie ik dat er al ontlasting in zijn inco zit. Niet veel gelukkig. Ik stel hem voor dat hij daar een poosje blijft zitten tot hij alles kwijt is.

Na een minuut of twintig geeft hij aan dat hij klaar is. Het was inderdaad een hele bevalling. Er hoeft geen zalf op zijn buik, want hij heeft geen buikpijn.

Hij kijkt me zelfs hoogstverbaasd aan en zegt: “Ik had helemaal geen buikpijn hoor!”