Swiebertje – acrylverf op canvasdoek

Ik had Swiebertje al eerder geschilderd, maar nadat Malle Pietje en Saartje zoveel mooier werden heb ik hem nogmaals geschildert. Het was lastig om hetzelfde onderwerp voor de tweede keer te schilderen, maar gelukkig werd deze wel mooier.

IMG_7806

Advertisements

Hoe bedoelt u, inlevingsvermogen?

 

hersenen

Met z’n achten leven ze samen op een afdeling in het verpleeghuis. Alle acht met Niet Aangeboren Hersenletsel. Van enig inlevingsvermogen is geen sprake, ze dulden elkaar en hebben het regelmatig met elkaar aan de stok.

Soms rijden ze te dicht langs elkaar heen met hun rolstoel en meteen is het korte lontje ontstoken. Bam! Ruzie!

Soms probeert de een de ander te benaderen. Meestal een poging uit eigen belang om aandacht van de ander te krijgen. Bam! Ruzie!

Soms maakt iemand een grapje en ja hoor: Bam! Ruzie! Het kost ons de nodige energie om het allemaal in goede banen te leiden.

Tijdens mijn avonddienst, vorige week, had ik zomaar even tien minuten over waarin ik eigenlijk niets kon doen. Het was wachten tot het tijd was tot ik de bewoner die overal vaste tijden voor heeft, naar bed kon helpen. Ik besloot even bij hem te gaan zitten en knoopte een gesprekje aan.
“Wat heb jij vandaag allemaal gedaan?”

Hij moest er even diep over nadenken en eerlijk gezegd doet hij ook niet veel op een dag. Hij rijdt een beetje achter ons aan in zijn rolstoel om ons er op te wijzen dat het bijna tijd is om iets voor hem te doen.  De ene keer doet hij dat fanatieker dan de andere keer. Het ligt er een beetje aan hoeveel tijd wij kwijt zijn bij een ander rond de tijd dat hij geholpen moet worden. Steevast hoor je dan: “En ik dan? Ik moet ook geholpen worden. Moet ik dan weer wachten?”

Meestal moet hij inderdaad wachten, want dan is het nog niet zijn afgesproken tijd. Wijken we daarvan af, dan is het hek van de dam. Dan past hij zich naadloos aan bij dit nieuwe tijdstip.

Zo zaten wij even samen te praten, want ja, hij had beneden koffie gedronken, toen een andere bewoner zijn rolstoel draaide en er bij kwam zitten. Foute boel, gezicht op zeven dagen onweer, want dat was de bedoeling niet.

“Goeienavond …….”, zei de andere bewoner.

“Ja dahag!” was zijn reactie.

“Je kan ook gewoon goeienavond terug zeggen. Dat is wat mensen doen, dat is vriendelijke. De een zegt de ander gedag en dan doet de ander dat terug.

“Goeienavond!” kwam er toen, weliswaar geïrriteerd, uit zijn mond.

De andere bewoner ging nog verder en stak hem zijn hand toe.

“Geef hem maar een hand hoor. Je gaf mij net ook een hand.

Hij stak hem zijn hand toe en de ander zei: “Nu zijn we weer kameraden!”

“Ja dahag! Mooi niet” en hij reed weg, waardoor de andere bewoner zijn kans waarnam en mij zijn verhaal wilde doen.

Jammer, maar mooi niet, dacht ik op dat moment, want toen was het tijd dat ik die ene bewoner naar bed kon helpen.

Verdronken vlinder

Ik heb met zoveel plezier aan dit liedje gewerkt. Je las het al in aha-nu-snap-ik-het/. Het liedje waarbij ik goed articuleer en overdrijf. Daar ging overigens iets grappigs aan vooraf, want mijn leraar had tijdens het vorderen van het liedje het nodige commentaar. Zo sprak hij een keer de eerste zinnen uit op z’n Amsterdams en vergeleek dit met de manier waarop Ali B rapt.

In de periode dat ik met dit lied bezig was kwam die uitspraak regelmatig boven. Ik besloot er een geheel eigen couplet bij te maken. Het begon met één zin en tijdens het boodschappen doen werd het couplet geboren. Thuis dook ik meteen achter de laptop en zette de woorden op papier:

So te sterfen op het water met de de sounf van Ali B
So maar drijfen na het fliegen –  drijf jij maar lekker mee
Ja ik wil gewoon wat chillen en is dat niet om te gille
Weet je wat, ik blijf maar singen en nog meer fan dat soort dinge
Alles wat ik wilde leren ben ik nou aan het probere 
En af en toe sit dat gewoon ook mee        
Nee niet sterfen op het water met de stem van Ali B

Tijdens het overdrijven van dit plat Amsterdams bedacht ik dat ik dit kon gebruiken om mijn ABN te overdrijven. Het kwartje viel en nadat mijn lief en ik de mini-opera “Le Nozze di Figaro” hadden gezien viel het kwartje nog een stukje verder en, hè hè, eindelijk begreep ik waarom dat overdrijven zo belangrijk is tijdens het zingen.

Nu ben ik bezig met “Liefs uit Londen” van Bløf en denk je dat ik dan automatisch meteen overdrijf? Welnee, weer krijg ik te horen dat ik beter moet articuleren. Tja, dan word ik een beetje knorrig van binnen en denk ik: “Wanneer zal dat niet meer tegen me gezegd hoeven worden?” Het is ook nog eens een heel lastig lied, dus het koste de nodige moeite om die akkoorden uit te werken en bovendien wisselde mijn tempo ook nogal eens. Ik oefen het dus met de metronoom aan om hiermee een innerlijke metronoom te bevorderen. Het gaat steeds beter, maar af is het nog niet. Leuk is het wel, reuzeleuk zelfs.

Nog even terug naar die vlinder. Voordat ik met dat lied aan de gang ging was mijn keus gevallen op “Honesty” van Billy Joël. Terwijl ik dat via Youtube beluisterde zag ik rechts op mijn scherm liedjes van Boudewijn de Groot voorbij komen. Ik heb twee jaar geen contact met mijn oudste dochter gehad, maar sinds een maand of wat is dat weer hersteld. En zij vertelde tijdens ons eerste bezoek dat zij veel bezig was met vlinders. Met de transformatie van rups naar vlinder en dat wij mensen ook transformeren. Het is niet de strekking van het liedje, maar toch was ik blij dat ik dit liedje gekozen had. Voor haar geldt ook dat zij geen vlinder hoeft te zijn om te kunnen leven.


	

De nieuwkomer – De Olympische spelen.

olympische spelen

 

Onze nieuwkomer heeft humor. Hij noemt zijn incomateriaal gewoon een pamper. Wij mogen dat niet zeggen, ook mogen we het niet over luier hebben, maar daar heeft hij maling aan. Voor hem is het een pamper en het liefst zou hij er een plastic broek overheen willen zodat de boel gewoon droog blijft.

Hij voelt het niet als hij moet plassen en meestal is zijn ‘pamper’ ‘s morgens helemaal verzadigd en zijn bed flink nat. Vandaar die plastic broek waarbij ik opperde dat ik wel een vuilniszak wilde pakken, waar hij flink om moest lachen.

Ook vanmorgen was zijn ‘pamper’ verzadigd en toen ik hem ondersteunde bij het lopen naar de badkamer zakte hij van zijn billen.

“Wil je even blijven staan, dan doe ik je inco af. Dan ben je even een naaktloper, maar dat is altijd beter dan lopen met een nat vod om je enkels.” Hij bleef staan en terwijl ik hem met één hand bleef ondersteunen maakte ik de inco los en mikte het ding in de wasmand.

“Goh, jij kan zo meedoen aan de Olympische Spelen”, zie hij waarbij ik niet direct begreep waar die opmerking ineens vandaan kwam. Ik schoot dan ook in de lach en zei ik dat ik totaal niet sportief ben.

“Bij het onderdeel “luier werpen” word je vast eerste. Dat deed je zó handig!”

De nieuwkomer

Nieuwkomer

Hij is een jaar jonger dan ik, het revalideren is niet gelukt en nu woont hij bij ons op de afdeling voor mensen met Niet Aangeboren Hersenletsel. Zijn linker arm en been doen niet meer mee. Toch doet hij zoveel mogelijk zelf en zag ik hem ‘s avonds zijn brood smeren en snijden.

Ik observeer hem en tegelijkertijd ook hoe de andere bewoners op hem reageren. Het gaat goed, maar aan hem meen ik vooral te merken dat hij niet lastig wil zijn. Of dat werkelijk zo is moet de tijd leren, maar het is mijn eerste indruk.

Het gekke is dat wanneer mensen niet lastig willen zijn, ze dit op een andere manier wel zijn. Dat klinkt een beetje gek, dat hoor ik zelf ook. Ik zal het proberen uit te leggen:
Ik meen aan hem te zien dat hij iets wil vragen, maar tegelijkertijd merkt hij op dat ik druk bezig ben. Er gaat een bewoonster met haar echtgenoot mee naar het diner in het verzorgingshuis aan de overkant. Zij moet haar pillen nog innemen, haar bloedsuiker moet gecontroleerd om te bepalen hoeveel insuline ik haar moet geven en in de gang staat de ergotherapeut op me te wachten die me iets door wil geven. Maar hij wil iets vragen en gaat strategisch midden in de huiskamer zitten en volgt wat ik doe. Als ik een andere kant op loop draait zijn rolstoel mee. Lastig, want hij kan beter gewoon zijn vraag stellen.

Als ik klaar ben met de medicatie van de bewoonster en de wachtende ergotherapeut te woord heb gestaan loop ik naar hem toe en vraag of ik iets voor hem doen kan.

Hij wil graag zijn jas aan zodat hij nog even naar buiten kan om te roken. Tja, dat wil ik best doen, maar het is bijna etenstijd en de tafel moet nog gedekt. Bovendien is hij dan niet op tijd terug en die etenstijden houden we toch wel in ere. Had hij mij dit eerder gevraagd, dan had ik hem zijn jas aan kunnen trekken en daarna me met die medicatie bezig kunnen houden om tenslotte de ergotherapeut te woord te staan.

“Ik wil u graag helpen met uw jas, maar dan doe ik dat na het eten, want het is echt etenstijd, we zijn al wat aan de late kant.”

Hij vindt het prima, als hij dan maar na het eten mag gaan roken. Natuurlijk mag dat.

Rond een uur of acht wil hij naar bed geholpen worden. Gelukkig geeft hij dit goed aan en ik leg hem uit dat ik over tien minuten bij hem kom, omdat ik net een andere bewoner naar bed zou gaan brengen.

Ik red het om na tien minuten bij hem te zijn en help hem naar bed. Intussen maak ik een praatje met hem om te peilen wat voor soort man dit is. Hij vertelt, ik luister en stel af en toe een vraag.

Hij is moe en blij dat hij ligt en wil graag iets om te slapen. Helaas staat er geen slaapmedicatie op zijn medicijnlijst.

Om kwart voor elf gaat zijn bel en ik loop naar hem toe.

“U zult me wel gestoord vinden dat ik hiervoor bel”, zegt hij.

Ik maak een grapje en zeg: “Ja ik dacht al, wat ligt hier voor gestoord persoon in bed”. Hij kan er om lachen. Gelukkig, dat heb ik goed ingeschat.

Het probleem blijkt de jeuk aan zijn rechter bovenarm te zijn. Zijn linkerhand ligt doelloos naast zijn lichaam, daar heeft hij niets aan.

“Zal ik dan even krabben?” Ik probeer de plek te lokaliseren waar hij jeuk heeft. Ik zit er aldoor net naast. Dan wijst hij met zijn rechterhand op de linker bovenarm aan waar de jeuk zit.
“Handig, zo snap ik beter waar ik krabben moet” en ik krab over de plek waar het jeukt.

Ik wens hem welterusten en loop terug naar het teamkantoor waarbij ik bedenk dat de manier waarop hij dit onder de aandacht bracht bij mij het gevoel versterkt dat deze man vooral niet lastig wil zijn.

Zijn versleten heup

heup

Voordat hij naar bed geholpen wordt help ik hem naar het toilet. Hij staat in de actieve lift, kreunt en zegt: “Wat kan dat zeer doen zeg, zo’n versleten heup”.

Ik laat hem op het toilet zakken en vraag hem te bellen als hij klaar is. Ik ruim wat op, sla zijn dekbed terug en leg alvast kleding klaar voor de volgende dag. Als hij belt loop ik naar hem toe.

“Wat kan dat toch zeer doen zeg, zo’n versleten heup”, zegt hij nog een keer. Ik beaam het, want ja, dat is ook pijnlijk.

“Ik moet er ook veel meer door plassen”, zegt hij.

“Daar heb ik nog nooit van gehoord, dat je meer moet plassen door een versleten heup.”

Hij kijkt me, over de rand van zijn bril, aan en zegt dan: “Nou, het kon toch wezen?”

 

 

Aha…………………….nu snap ik het!!

articuleren

Iets kan honderd keer gezegd en uitgelegd worden en dan denk ik dat ik het begrijp. Sterker nog, ik denk zelf dat ik het op de goede manier doe. Dat is dan niet zo, anders wordt het niet iedere keer tegen me gezegd. Waar gaat dit over, denk je nu natuurlijk. Nou, gewoon over articuleren tijdens het zingen.

Tijdens mijn ‘sing a song’ lessen krijg ik herhaaldelijk te horen dat ik de uitspraak, zeker die in het Nederlands, moet overdrijven. Op de medeklinkers zingen zodat de woorden van je lippen spatten. Dan overdrijf ik volgens mij, maar is het nog steeds niet goed genoeg. De woorden voor in je mond vormen, dan heb je ook meteen meer klank. “Dat doe ik toch?” denk ik dan en soms zeg ik dat ook nog. Bij “Verdronken vlinder” van Boudewijn de Groot deed ik het uiteindelijk goed. Ja, sterker nog, ik kreeg een compliment zonder “maar”. Mijn neus begon te krullen en mijn voeten schoten bijna direct mijn schoenen uit, zodat ik er naast kon gaan lopen.

Gisteravond waren mijn lief en ik naar de mini-opera “Le Nozze di Figaro”. Komisch opgevoerd door Sopraan Johanette Zomer, bas-bariton Frans Fiselier en de verhaallijn werd door TV- en musicalacteur Peter Lusse uitgelegd. Er was een pianist die de orkestbak voor zijn rekening nam, zijn naam weet ik even niet meer, maar ook hij bleek goed te kunnen zingen toen het wat al te complex werd voor twee zangers.

Er was even een moment van verwarring toen ineens een deel van de bezoekers in de zaal ging staan. Mijn lief en ik keken elkaar wat twijfelachtig aan, want tja, was het de bedoeling dat wij ook gingen staan. Gelukkig begon het hele gezelschap te zingen en bleek het het koor van de plaatselijke operette vereniging te zijn. Die hadden een klein aandeel in de mini-opera.

Ik heb er van genoten, terwijl ik niet eens zo’n liefhebber van opera ben. Mijn gevoel zegt dan: “Dit is te veel, te groot en te luid”. Bij deze mini-opera had ik daar geen last van.

Al luisterend naar de sopraan en de bariton begon bij mij te dagen hoe het moet klinken als de woorden van je lippen spatten. De mini-opera werd in het Nederlands uitgevoerd en werkelijk ieder woord was te te verstaan, zowel van de bas-bariton als van de sopraan. Ik hoorde hoe de medeklinkers de uitspraak van de woorden duidelijker maakten.
Tja, daar kan zo’n sing a song leraar niet tegenop, al zegt hij het nog zo vaak en laat hij het horen. Als je op die manier gaat praten is het belachelijk, dan is het echt verschrikkelijk overdreven. Maar als je in het Nederlands zingt moet je dus wel.

Volgens mij wordt het nog lastig om in praktijk te brengen, maar hopelijk is tijdens mijn volgende lessen te merken dat ik begrijp wat er bedoeld wordt. In ieder geval ga ik thuis vast enthousiast overdrijvend zingen.