Haat – liefde

Mijn bril; ik heb er een haat-liefde verhouding mee. Het liefst zou ik brilloos door het leven gaan. Dat heb ik ook van mijn 20e tot mijn 40e gedaan. Toen droeg ik lenzen.

bril

Wat brillen betreft ben ik net de prinses op de erwt. Zo’n bril voel ik de hele dag. Is het niet aan mijn neus, dan wel achter mijn oren. Ik zie ‘m ook de hele dag. Hoezo dat dan? Nou, ik kijk tegen de randen van mijn bril aan. Met lenzen heb je dat in ieder geval niet. Met bril wel, want buiten die randen wordt de wereld wazig.

Iedere nieuwe bril betekent voor mij een hele periode wennen. Hoe voelt ‘ie op mijn neus, en hoe achter mijn oren. Waar knelt ‘ie en als ‘ie niet knelt dan zakt ‘ie voor mijn gevoel van mijn neus. En dan nog dat het zien van de randen van de bril. Dat is bij iedere nieuwe bril ook weer anders. Kortom, ik ben een vreselijke zeur als het om brillen gaat.

De laatste nieuwe bril spande de kroon. Eén die er best luxe uitzag, en waarvan ik dacht dat ‘ie heerlijk zou zitten. Zo eentje die niet van je neus glijdt. Dan komt het moment dat ik zo’n nieuwe bril ophaal, deze op mijn neus zet en denk: “Oeps, dit is wel heel anders. Bij deze kijk ik veel meer tegen de randen aan. Daar moet ik aan wennen, hou ik mezelf dan voor.

Na één dag nieuwe bril had ik hoofdpijn. De neusvleugeltjes duwden in mijn neus en ik had er flink rode plekken van. “Als dat maar geen decubitus wordt”, dacht ik nog. Na twee dagen had ik aan de rechterkant van mijn hoofd ook pijn.

Ik weet nog dat ik dacht, tijdens het pianoconcert wat mijn lief en ik bijwoonden, “zouden al die brildragende mensen zo’n last van hun bril hebben?”

Na drie dagen heb ik andere neusvleugeltjes laten plaatsen. Dat scheelde, althans dat dacht ik. Na een week heb ik de bril in de brillenkoker gedaan en mijn oude bril opgezet. Deze bril bracht hoofdpijn door mijn hele hoofd. Mijn hele schedel deed zeer. Ik kon een ander montuur uitkiezen, dus van die mogelijkheid ging ik gebruik maken. Het werd een lichtgewicht montuur. Zo één die, in ieder geval zonder glazen, bijna niets weegt. Met glazen woog ‘ie nog steeds heel weinig. Zelfs minder dan mijn oude bril.

Mooi, dat was opgelost. Ja, dat dacht ik. Niets was minder waar. Mijn neus deed zeer, ik voelde de poten van de bril boven mijn oren en na verloop van tijd ook achter mijn oren. Weer een gang naar de opticien. Er werd gebogen en verbogen en de bril leek beter te zitten. Helaas, nu had ik het gevoel dat ‘ie van mijn neus zakte. Helemaal als ik aan het werk was en op mijn hurken iemands veters strikte. Dan lag die bril nog net niet op die schoen. Mijn hoofd zeurde de hele dag en ik was constant bezig de bril af te zetten en weer opnieuw op te zetten. Een aantal keer ben ik ‘m weer op nieuw af laten stellen, waarna ik hoopte dat ik ‘m niet de hele dag zou voelen.

Alle andere signalen negeerde ik verder. Ik had heel helder zicht, zo helder dat aan het eind van de dag zelfs m’n oogkassen zeer deden. Tegelijkertijd had ik het gevoel dat ik de blauwe borden langs de snelweg niet goed kon lezen. Iedere witte letter leek een extra randje te hebben. “Ik moet mezelf gewoon de tijd geven om te wennen”, hield ik mezelf voor.

Tot ik het zat was en mijn oude bril weer opzette. Weg waren alle kwalen. Het gebruikelijke bleef, ik keek tegen de randen aan, ik voelde ‘m op de neus, maar dit voelde vertrouwd. Dat voel ik al jaren.

De sterkte van mijn glazen was gelijk gebleven, alleen mijn cilinderafwijking was met een kwart toegenomen. En ineens besefte ik dat dit misschien wel de boosdoener was van mijn hoofdpijn en gezeur met dat nieuwe montuur. Ik ging weer terug naar de opticien met dit verhaal. Er werd gemeten vanaf de sterkte van mijn oude bril. Van daar uit werd die cilindersterkte opnieuw bepaald.

Uiteindelijk krijg ik nu dus dezelfde glazen als ik al in mijn oude bril had. Aan één kant wel praktisch, kan ik ze allebei dragen.

Weet je wat wel gek is? Tijdens het meten gaf ik zelf een sterkere cilinderafwijking aan. Niet die kwart meer, maar zelfs driekwart meer. Maar deze keer werd ook nog een keer gemeten toen ik met beide ogen keek. Toen gaf ik aan dat ik niet die driekwart cilindersterkte wilde. Ook niet die kwart, maar gewoon mijn oude cilindersterkte. Dat was voor mijn ogen het rustigst.

En weet je waar ik nu zojuist vandaan kom? Juist ja, bij de opticien. Mijn oude bril zit prima hoor, maar ik was ineens een neusvleugeltje kwijt.

 

Advertisements

Memoires van een bladluis – Hoe het allemaal begon

 

01 mijn orgel in het orkest

Ooit, in een vorig leven, speelde ik kerkorgel. Een prachtig instrument, en toch ben ik blij dat ik dit instrument uiteindelijk inruilde voor een piano, maar dat even terzijde. In dat vorige leven was ik getrouwd met een man die van mijn muzikale bezieling niets begreep. Jaren heb ik mijn muzikale kant dan ook verwaarloosd en me voortdurend aangepast aan wat er van mij verwacht werd. Als ik daar nu aan terugdenk heb ik de neiging om daar nog steeds boos over te worden. Gelukkig kan ik het zo langzamerhand met wat mildheid ten opzichte van mezelf bekijken.

Op mijn 37e pakte ik mezelf bij de lurven en nam weer kerkorgelles. Mijn muzikale kant had ik rond die tijd al een beetje nieuw leven ingeblazen. Ik genoot van die lessen en al gauw kwam de vraag van mijn orgelleraar of ik tijdens een concert, waarbij hij onderdeel was van een ensemble wat een koor begeleidde, de bladzijden om wilde slaan. Ik vond het geweldig dat dit mij gevraagd werd. Goddank hoefde ik niet te registreren, dat was op het kistorgeltje niet nodig. Van dat registreren had ik totaal nog geen kaas gegeten.

Enthousiast vertelde ik thuis dat me dit gevraagd was en dat ik het heel leuk vond om te doen. Ik kreeg een reactie waar ik totaal niet op gerekend had: “Belachelijk, waarom vraagt die man dat aan jou, dat kan zijn vrouw toch wel doen?”

Stomverbaasd was ik. Zoals ik gewend was in dat huwelijk, gingen mijn gedachten razendsnel allerlei mogelijkheden af om te rechtvaardigen dat dit mij gevraagd was en ook nog eens om te rechtvaardigen dat ik dit leuk vond. Snel vloog de gedachte door mijn hoofd dat mijn orgelleraar zijn vrouw ook organist was, maar ook dat zij kleine kinderen hadden en daar moest toch iemand voor thuis zijn. Na al die razendsnelle gedachten was mijn reactie: “Ze hebben kleine kinderen, dus dat kan niet.” Zo zou ik nu echt nooit meer reageren.

De reactie die ik daarna kreeg vond ik nog veel schokkender: “Dan kan jij toch op hun kinderen passen?”

Het was wel duidelijk dat deze echtgenoot werkelijk niets van mij begreep en misschien zelfs wel jaloers was. Maar ik ben de bladzijden om gaan slaan tijdens dat concert, zelfs al gaf het een hoop geruzie thuis.

Tijdens het concert zat ik redelijk in het gezichtsveld van het publiek, dus had ik nagevraagd wat de koorkleding was. Ik paste mij hier zo goed mogelijk bij aan, wat gewaardeerd werd.

Ik genoot van die middag. De enige wanklank was dat ik halverwege het eerste deel van het concert twee bladzijden tegelijk omsloeg. Razendsnel sloeg mijn orgelleraar één bladzijde terug. Het schaamrood vloog mij naar de kaken. Wat voelde ik me daar ongemakkelijk bij zeg. Het bleek niet erg te zijn, het was iets wat gewoon kon gebeuren.

Memoires van een bladluis

 

bladluis

Na twee uitvoeringen van de operette “Clairette” in het theater werd nu een deel hiervan uitgevoerd in een woon-zorgcentrum. Geen orkest deze keer, maar een pianist voor de begeleiding en de daarbij horende bladluis.

Geconcentreerd las ik de muziek mee zodat ik op tijd om zou slaan. Het wordt een wat gênante vertoning als zo’n pianist iedere keer “ja” moet zeggen. Dat is ook wat storend. Zodoende mijn concentratie.

Halverwege het eerste deel voelde ik een klopje op mijn schouder. En nee, niet zo’n klopje dat laat weten hoe geweldig ik dat omslaan deed. Buiten dat klopje zag ik dat iemand haar hoofd naar mij toe boog. Vervolgens klonk de vraag: “Kan de piano ook zachter?”

Uit alle macht probeerde ik me te blijven concentreren en tegelijkertijd zocht ik naar een antwoord. Dat antwoord wist ik natuurlijk al, want een piano kan gewoon niet zachter. Hooguit kan de pianist wat zachter gaan spelen.

Mijn antwoord liet duidelijk te lang op zich wachten, dus de volgende vraag werd al op me afgevuurd: “Of kan de piano anders misschien meer naar achteren geschoven, want de mensen kunnen de zangers niet verstaan”.

Ook dat kon natuurlijk niet, want dan kon de pianist de dirigent niet meer zien. Bovendien stonden achter ons een stuk of wat zangers en dansers. Die hadden dan ook ergens anders heen gemoeten.

Hilarisch vond ik het en het enige antwoord wat ik kon verzinnen was: “Nee, niet nu.”

Daarna ook niet, maar dat zei ik er maar niet bij. Ik moest eerst uitvissen waar we in de muziek gebleven waren, zodat ik weer op tijd om kon slaan.

En over hilarisch gesproken: Voordat de voorstelling begon stond ik tegen een tafel geleund de zaal in te kijken tot er iemand naar me toe kwam: “Wil jij misschien even het publiek van koffie voorzien?” Multifunctioneel inzetbaar stond er schijnbaar op mijn voorhoofd geschreven.

Verdwaald in het theater

lose2

Lukt het je om er om zeven uur te zijn? Neem de achteringang. Alleen had ik geen flauw idee waar die achteringang van het theater zich bevond. Dat liet ik me vervolgens uitleggen en wat ik er van onthield was dat ik een metalen trap op moest. Een trap ter hoogte van de laadruimte van een vrachtwagen.

Daar ging ik dan, in het donker naar het theater op zoek naar de metalen trap aan de achterkant. Die zag ik meteen, al vond ik de trap wat aan de hoge kant, maar misschien zijn er wel heel hoge vrachtwagens. Ik besloot verder niet te treuzelen, want ik moest gewoon via een metalen trap en daar stond ik op dat moment.

Eenmaal binnen zag ik links een ruimte waar de dansschool aan het repeteren was. Daar moest ik niet zijn. De bedoeling was dat ik bij het toneel uitkwam. Ik liep door maar had werkelijk geen idee welke kant ik op moest. Het leek ogenschijnlijk heel simpel. Die metalen trap op en dan ben je er. Geef mij een routebeschrijving en ik zie kans te verdwalen, zelfs in een theater.

Uiteindelijk kwam ik in een keuken waar ik iemand aan het werk zag. “Ik ben op zoek naar de generale repetitie van de operette vereniging, maar ik heb geen idee hoe ik daar moet komen.” De man liep met me mee en vertelde dat hij koffie aan het zetten was voor tijdens de pauze. “De meeste mensen komen door de achteringang.”
“Dat heb ik ook gedaan, maar er is vast iets mis gegaan.”

We liepen verder, kwamen in de ruimte waar ik normaal in de pauze van een optreden een drankje nuttig. Nog weer verder waarna we achter de coulissen terecht kwamen en ik een piano hoorde. Ja, daar moest ik zijn en nog een paar stappen verder stond ik op het toneel en was ik goddank waar ik verwacht werd.

Verdwaald

Wat ik daar ging doen? Nou ik had de belangrijke taak om tijdens deze generale repetitie om te slaan, zoals dat heet. Gewoon de bladzijden van de muziek omslaan voor mijn pianoleraar zodat hij zich daar niet druk om hoefde te maken. Eeuwige roem werd me daarvoor in de plaats beloofd. Geen idee wanneer die roem komt, voorlopig heb ik ‘m nog niet gezien.

En nee, tijdens het optreden hoef ik niet om te slaan. Dan speelt er een orkest en kan ik gewoon heerlijk gaan zitten kijken en luisteren. Gelukkig, zou ik bijna zeggen, want na een avondje omslaan, zo van zeven tot half elf was ik wel wat gaar. Geeft niks, want op één of andere manier vind ik dat omslaan leuk om te doen. Vroeger deed ik dit ook tijdens de concerten van mijn orgelleraar en dan moest ik ook nog registreren. Na afloop van zo’n concert was ik vaak moeier dan mijn orgelleraar. Muziek meelezen, registers in- of uittrekken, de bladzijden omslaan en soms die laatste twee dingen bijna tegelijkertijd.

Na de repetitie zag ik mensen via een deur naar buiten gaan. Voor de zekerheid vroeg ik nog even of dat de uitgang was. Ha ha, ik deed de deur open en stond meteen buiten en ook nog boven aan een metalen trap. Eentje die half de hoogte had van de trap die ik genomen had.

De biecht

biecht

Dagelijks, soms wel twee keer, bezoekt ze haar man. Ze vroeg me of ik haar kon helpen, want ze had een berichtje ontvangen op haar telefoon, maar wist niet hoe ze dat moest openen.

Het bleek een herinnering te zijn voor het controle in het ziekenhuis.
“Wat gek, die dokter zei dat ik niet meer terug hoefde te komen.”

Ik schreef de datum en tijd en het telefoonnummer voor haar op, zodat ze de afspraak af kon zeggen. Daarna schreef ik voor haar op hoe zij berichtjes kan openen en verwijderen.

“Ik ga thuis meteen bellen.”
“Het is zondag vandaag.”

“Is het zondag? Dan kan ik beter morgen bellen. Alle dagen lijken ook op elkaar tegenwoordig.”
“Ben je niet naar de kerk geweest vandaag?”

Nee, daar kwam ze al jaren niet meer. Vroeger wel, elke ochtend voordat ze naar school ging werd ze door haar vader naar de mis gestuurd. Op zondag kreeg ze drie centen mee voor de collectes. Ze nam dan ook nog drie knopen mee, die gingen in de collectezakken, terwijl ze de centen bewaarde. Daar kocht ze toverballen voor.

“O jee, voelde je je niet schuldig?”

“Nee hoor, ik ging toch gewoon biechten. Dan kreeg ik absolutie en drie weesgegroetjes mee. Dan was het weer goed.”

“Ja, en dan kon je weer gewoon doorgaan met die knopen.”

“Ja, idioot eigenlijk hè?”

Tegenwoordig gaat ze niet meer naar de kerk. Haar zonden biecht ze aan zichzelf op waarna ze absolutie krijgt. Ook van zichzelf.

“En verder vergeet ik tegenwoordig toch al gauw wat ik misdaan heb. Dat is het voordeel van ouder worden.”

 

Droom

 

Daar stond ik dan en ik had werkelijk geen idee hoe ik dit moest gaan doen. Deze klavecimbel zag er zo raar uit. De toetsen zaten aan de binnenkant, waar de snaren zitten. Daar kon ik dus niet bij tenzij ik me helemaal voorover boog. De hamertjes, die tegen de snaren slaan, zaten aan de buitenkant en iemand legde me uit dat ik die naar achter moest trekken om vervolgens terug te laten vallen. Hier en daar stak een stukje karton omhoog met daarop een cijfer.

klavecimbel

Ik liep eens langs de klavecimbel en raakte bijna in paniek, want ik zou heen en weer moeten hollen als ik de becijferde bas moest spelen. Iets wat ik helemaal niet kan. Door de Schumann akademie begrijp ik de becijfering wel, maar dit houdt niet in dat ik het ook klakkeloos kan spelen. Het ensemble zat al klaar, het wachten leek op mij. Of nee, toch niet we moesten de klavecimbel met twee man bespelen en ik was nog steeds alleen.

Ineens realiseerde ik me dat die stukjes karton op de verkeerde plekken omhoog staken, want de klok was een uur achteruit gezet. Die klavecimbel moest dus helemaal opnieuw ingesteld worden.

En toen werd ik wakker en bedacht ik dat die droom vast te maken had met de speelfilm “De dirigent” die we gisteravond hebben gezien. Maar ook met het pianoconcours voor amateurpianisten waar ik me voor opgegeven heb.

En dan die wintertijd hè? Die deed ook nog mee.

Waar moet dat heen?

 

verwardOver een poosje kunnen we onze boodschappen “Tappen”. Even je pinpas of mobiel tegen het gewenste product houden en je hebt betaald. Geen gedoe meer bij de kassa en gewoon de winkel uitlopen met je boodschappen. Tien minuten later schijnt het al van je rekening te zijn afgeschreven.

Wat vind ik hier van? Tja, ik nader de zestig en vind dit dus eerlijk gezegd niets. Waar blijft de caissière in dit hele verhaal. Die is niet meer nodig. Wel loopt er personeel rond wat getraind is in het controleren of je wel daadwerkelijk je boodschappen “tapt” en ook komen zij aangesneld zodra iemand alcohol “tapt”. Gewoon om de leeftijd van de klant te controleren.

Als ik dit doortrek naar een etentje in een restaurant kan ik me zomaar voorstellen dat ik in de toekomst zelf mijn ingrediënten bij elkaar zoek en deze “tap”. O, maar wacht even, het bij elkaar zoeken van ingrediënten in een restaurant bestaat al. Dat wordt gedaan in de Wok restaurants. Daar kom ik eerlijk gezegd niet vaak. Als ik in een restaurant ga eten wil ik graag iets kunnen kiezen van het menu. Dan vind ik het heerlijk dat de ober mij komt bedienen. Dat is mijn idee van uit eten gaan. Maar goed, geluk is voor iedereen anders, dus als je van wokken houdt laat je dan vooral niet weerhouden door mijn gebazel.

Nog even voortbordurend op die toekomst: Ik ben bang dat er een tijd komt dat we een restaurant betreden en onze eigen ingrediënten bij elkaar scharrelen. En vergeet die vooral niet te “tappen”. Vervolgens gaan we bij het fornuis ons eigen gerecht bereiden, want dat scheelt weer de kosten van een kok. We lopen met ons bord naar het tafeltje wat we gereserveerd hebben, gaan op zoek naar bestek en schenken een glas wijn voor ons zelf in. Ook niet vergeten te “tappen” trouwens. Misschien moet voor het gebruik van het fornuis ook wel “getapt” worden. Een soort in- en weer uitchecken stel ik me zo voor.

Wie weet wordt dit wel een nieuwe trend in het uitgaansleven. Dan denk ik toch meteen: “Maar dan kan ik net zo goed thuis eten!”

De afstandsbediening

Jeetje, wat zijn wij niet van deze tijd. Ouderwets zijn we en bejaard ook nog. Althans zo leven wij.

afstandsbediening

Dat stempel kregen wij en passant even opgedrukt. Ik voel al jaren dat ik ‘anders’ ben, dat anderen dat ook zo vinden was voor mij dan ook niet nieuw. Maar om bejaard genoemd te worden omdat je het vervelend vindt wanneer de muziek in de tuin zó hard staat dat je het een huizenblok verder nog kan horen, gaat me wat ver. Bovendien werd er ook nog uit alle macht geprobeerd om boven de muziek uit te zingen.

Ja, jongelui hé? “Je bent zelf toch ook jong geweest?” Ach tja, en als er dan gevraagd werd of de muziek wat zachter mocht deed je dat. Dan ging je daar niet over lopen klagen bij je ouders. In mijn ogen hadden deze ouders beter eerst even kunnen bedenken of de muziek misschien toch wellicht wat harder gezet wordt als zij er zelf niet zijn. Maar nee, je geeft gewoon een ander de schuld, want die is bejaard en kan ook nergens tegen, is zelf ook nooit jong geweest.

O gut, wat doe ik nu. Hier wilde ik helemaal niet over schrijven. Nou ja, het staat er nu toch, dus laat maar. Hoe niet van deze tijd wij zijn bleek laatst maar weer eens toen we bij vrienden waren. Vol enthousiasme vertelde ik dat we naar de opname van Podium Witteman zouden gaan. Meteen vertelde ik er maar bij dat het ook vrijwel het enige programma is wat ik wel eens terugkijk via programma gemist. Meteen viel de vrouwelijke helft van het vriendenpaar me bij en bejubelde de afstandsbediening met al z’n functies. Programma’s opnemen, programma’s terugkijken, dat kon er toch maar mooi mee.

Mijn mond viel nog net niet open van verbazing, want ik kijk “programma gemist” altijd via de laptop. Hoe moet ik nou weten dat dit ook gewoon op de televisie terug gezien kan worden. Ik kijk toch bijna nooit tv, dus de handleiding van de afstandsbediening vond ik totaal niet interessant. Met dat apparaat kan je naar een ander kanaal, of je zet het geluid harder dan wel zachter. Meer niet, althans, dat heb ik altijd gedacht. De volgende ochtend ben ik ook meteen met die afstandsbediening gaan experimenteren. En wat denk je? Het lukte!! En dan nog wel overdag, terwijl wij de televisie overdag nooit aan hebben staan. Ook al zoiets bejaards. Of misschien juist niet, want veel bejaarden zitten juist wel de hele dag voor de televisie. Gewoon omdat er niets anders meer te doen valt.

Zo zie je maar hoe niet van deze tijd ik ben en gelukkig is mijn lief al net zo ernstig niet van deze tijd. Wij kijken weinig televisie, wij houden van klassieke muziek, wij wandelen veel en dan ook nog flinke afstanden. Soms wel 20 km, iets wat ik jongere mensen vaak helemaal niet zie doen. Maar goed, wandelen is dan ook een bejaardensport.

Wij gaan niet naar festivals, dat vinden wij te druk en veel te lawaaiig. Wel gaan we naar klassieke concerten of naar het theater en dus ook naar de opname van Podium Witteman. Ik teken en schilder en mijn lief bouwt een modelspoorbaan. En nog iets zeer ouderwets, we lezen ook graag, gewoon een boek. Maar dan nog het ergste. Ik speel piano en mijn lief kerkorgel.  Nog erger, ik heb zelf ook kerkorgel gespeeld.

Ja, ik kan niet anders dan iedereen gelijk geven die vindt dat wij niet van deze tijd, ouderwets zijn en als een stelletje bejaarden leven.

Wat blijft is liefde

liefde

Een poosje geleden was ik wat down en ook wel moe. Die moeheid kon ik verklaren doordat het op het werk heel druk is geweest gedurende de zomerweken. Collega’s die op vakantie waren, collega’s die ziek werden, soms met een uitzendkracht het werk moeten doen. En het werk gaat gewoon door in een verpleeghuis. De bewoners hebben alle dagen hun zorg nodig, ongeacht de personele bezetting.

Het down zijn kon ik niet goed verklaren. Daar is het voor mij de tijd van het jaar niet voor. Dat gevoel overvalt mij elk jaar weer in januari en het is nu september. Toch kreeg ik van die overpeinzingen als: “Waarom doe ik dit eigenlijk? Heeft het voor iemand zin, is het van enig nut?” En dan gaat het over het piano spelen, schilderen en schrijven. Soms overvalt dit gevoel me ook wel eens als ik over mijn werk nadenk. Soms lijkt zelfs dat wat nutteloos. Al die mensen die jaren in een verpleeghuis elke dag op dezelfde manier doorbrengen. Vinden zij het nog fijn in het leven? Ik weet het dan even niet.

Toen ik het boek “Wat blijft is liefde” van Corine Koole helemaal uitgelezen had viel ineens het kwartje. Ik heb twee weken lang in etappes gelezen over het proces van een jonge vrouw die ongeneeslijk ziek was. Zij nam een opmerkelijke beslissing tijdens dit proces. Zij ging naar Rome, liet haar geliefde achter en werd bijgestaan door een aantal vriendinnen. Haar geliefde wilde zij dit niet aan doen. Een voor haarzelf hele logische stap. Voor anderen en zeker voor haar geliefde een onbegrijpelijke stap. Van haar arts kreeg zij een flesje arsenicum mee voor als zij niet meer verder wilde.

Ik las hoe zij tot steeds minder in staat was en met steeds minder genoegen nam. Hoe haar dagen zich vulden met liggen op een stretcher met binnen handbereik een schaal koekjes en een drankje.

Wie zij ooit geweest was, wat zij gedaan had en hoe zij er uit had gezien werd in die periode steeds minder belangrijk.

Haar geliefde reisde haar uiteindelijk achterna. Opmerkelijk was haar reactie op zijn komst: “Waar bleef je zo lang?” Pas met hem aan haar zijde kon zij de moed opbrengen om de arsenicum in te nemen. Voor die tijd volgde een aantal uren waarin zij hem maande om toch vooral zijn dromen waar te maken. Aan dat laatste hield ik mij vast. “Wat nou down? Wat nou heeft het zin of geen zin?” Ik moet doen waar ik blij van word. Er komt vanzelf misschien wel een periode waarin dat minder belangrijk wordt, maar tot die tijd is het belangrijk dat ik gewoon geniet van alles wat ik kan en ook fijn vind om te doen.

De vraag rees bij mij wel wel of ik ook mijn lief zou verlaten om dood te gaan. Over het antwoord hoef ik niet lang na te denken. Juist mijn lief wil ik bij mij als het zover is. En uiteindelijk wilde zij dat ook, alleen wist ze dit zelf heel lang niet.