Category Archives: woordenspel

Wat een domme doos

Daar zit ik dan in de hal van het gemeentehuis. Samen met mijn lief wachten ik op de vrouw die ons op komt halen zodat ik mijn schilderij in bruikleen kan overhandigen aan de wethouder.

We worden naar de kantine gebracht en krijgen een kopje koffie aangeboden. Even denk ik dat dit het dan is: Het schilderij in de kantine overhandigen aan deze vrouw. Ik vang bij deze vrouw signalen van “druk zijn” op. Van eigenlijk wat haast hebben. Dat maakt mij onrustig.

Het overhandigen gebeurt toch niet in de kantine. We mogen mee naar boven. Daar aangekomen blijkt dat de wethouder een ander tijdstip in zijn agenda heeft staan, zodoende moeten we nog een half uur overbruggen. Ik vang weer de onrust op bij de vrouw tegenover me. Volgens mij heeft ze nog meer te doen dan hier bij ons zitten wachten. We praten over het schilderij en zij vertelt dat ze vroeger les gegeven heeft. De vrouw blijkt een plaatselijke kunstenares te zijn. Ze laat me op haar smartphone foto’s zien van haar werk. Ook krijg ik haar visitekaartje zodat ik haar website kan bekijken. Even overvalt mij het gevoel dat ik niet zo goed kan schilderen als zij. Ik corrigeer mezelf en bedenk dat ik gewoon een andere stijl van schilderen heb.

Dan is het zover. De wethouder komt naar ons toe en wij lopen mee naar zijn werkkamer. Daar krijgen we weer koffie aangeboden. Ik sla het af, want de koffie van de kantine voel ik nog. Die was flink sterk en dat blijft dan lang in mijn keel hangen.

IMG_0991

Ik wil het liefst gewoon het schilderij overhandigen en weer naar buiten lopen. Dat blijkt niet de bedoeling, want de wethouder stelt wat vragen. Nu merk ik onrust op bij mezelf. Ik vind het lastig om mijzelf te “verkopen”, want zo voelt het wel een beetje. Ik mopper van binnen op mezelf dat ik een “domme doos” ben. Nu krijg ik de kans om iets van mezelf te laten zien en trek ik me terug in mezelf. Maar dan vraagt hij waarom ik die brug geschilderd heb en niet de Poldertoren. Dat heb ik wel eens overwogen, maar die toren staat gewoon op een verkeerd punt om daar een mooi schilderij van te maken. Naast de Poldertoren is het busstation en verder is er een woonwijk. Misschien dat ik dat ooit nog ga proberen. Maar waarom ik dan die brug heb geschilderd? Nou ja, eigenlijk gewoon omdat ik wilde weten of ik dat kon. Eerst dat schetsje maken en wat foto’s en dan het schilderen zelf. Maar ook omdat ik hoopte dat het iets herkenbaars zou zijn van hier. Ik vertel dat het bij boekhandel Marsman in de etalage heeft gestaan en dat iemand meteen de eerste dag wist te vertellen dat hij zelf de oude Marknesserbrug heeft geschilderd en het leuk vond dat nu de nieuwe Marknesserbrug in de etalage stond. En ook omdat ik daarmee misschien een beetje bekendheid voor mezelf creëer.

IMG_0691

Als we elkaar weer de hand schudden zegt de wethouder dat ik waarschijnlijk het schilderij weer terug wil. Tja, de afspraak is al gemaakt dat ik het begin mei weer op kom halen. En dan, als we weer buiten lopen bedenk ik pas dat ik natuurlijk ook had kunnen zeggen dat hij het ook zou mogen kopen van me. “Domme doos” dat ik daar niet meteen aan dacht.

Zenuwen

Het is soms een raar iets met zenuwen of gezonde spanning. De hele week was ik niet zo bezig met mijn optreden bij de Pianofest Try-Out bij BOL piano’s in Amsterdam. Ik moest gewoon nog werken en verder bleef ik schaven aan “La fille aux cheuveux de lin” van Debussy.

zenuwen

De oorzaak van het uitblijven van zenuwachtig worden voor dit optreden lag echter heel ergens anders. De zoon van mijn lief, zeventien is hij inmiddels, vertelde zijn moeder en zijn tante, de zus van zijn vader en zijn vader een  leugen over mij. Het is niet de eerste keer dat hij dit doet, of iets verdraaid zodat het in zijn voordeel uitvalt en het is ook niet de eerste keer dat zijn moeder en zijn tante dit klakkeloos geloven. Ik kan me niet herinneren dat er ooit aan mij gevraagd is hoe het verhaal van mijn kant was. Nee sterker nog, het werd laatst gewoon beaamd dat er in het verleden en zelfs in het recente verleden dingen over ons, maar ook over mijn lief alleen, zijn verteld die in ons nadeel waren. Dat vermoeden hadden wij al, maar hoe wapen je je daartegen. Niet meer het achterste van je tong laten zien? Dan wordt er gewoon iets verzonnen wat je gezegd zou kunnen hebben.

“Als jij dat kunstwerk vernielt, dan vermoord ik je”, zou ik gezegd hebben tegen een jongen die toen veertien was. Stel dat ik het gezegd zou hebben, dan zou ik daar weken, zo niet maanden last van hebben gehad. Ik zou me werkelijk doodgeschaamd hebben en niet alleen voor mijn lief, maar ook voor mijzelf.

Mijn verontwaardiging en het onrechtvaardige van deze hele situatie leidde mijn aandacht domweg af van het optreden. Het was ineens niet zo belangrijk, dat optreden dan hè? Niet dat ik er minder goed door ging spelen hoor. Nee dat juist gek genoeg niet. Ik ging er zelfs beter door spelen. Er kwam een soort vastberadenheid over me, terwijl dit soort dingen me vroeger heel erg aangrepen. Dan was ik door zoiets “uit het lood geslagen”. Ik ben sterker geworden, ook harder denk ik.

Dat ik er beter door ging spelen was wel een fijn bijverschijnsel. Ja, omdenken kan ik al geen ander. Dus nee, ik was niet zenuwachtig op die dag dat ik op ging treden. Tenminste, dat dacht ik, tot mijn lief en ik in een restaurantje zaten te lunchen. Daar kwamen ze ineens, als bij toverslag naar boven. Ten eerste was ik bang dat ik de verkeerde bladmuziek meegenomen had, dus dook ik ineens in de tas waar die in zat. Daarna was ik bang dat mijn bril niet in mijn brillenkoker zat en vervolgens bedacht ik dat ik niet meer wist hoe het stuk begon. Al die gevoelens heb ik geparkeerd en bij BOL piano’s heb ik eerst mijn ogen uitgekeken naar werkelijk prachtige piano’s en vleugels. Hier en daar probeerde ik er even één, want we waren te vroeg.

De vleugel waar ik op moest spelen was een Perzina. Nog nooit van gehoord, maar wat een prachtige, warme klank had deze vleugel.

Tijdens de optredens van anderen moest ik mezelf dwingen om te luisteren. Iedere keer dwaalden mijn gedachten af naar wat ik zelf zou spelen. “Hoe ging dat loopje ook alweer, en waar zat die lastige noot?” Gek werd ik van mezelf.

En toen was ik aan de beurt. Terwijl ik mijn muziek neerzette en even in mezelf probeerde af te dalen had ik het idee dat iedereen mijn hart kon horen kloppen. Toen ik begon te spelen verdwenen die zenuwen en na afloop had de conservatorium docente het idee dat ik helemaal niet nerveus was geweest.  De feedback die ik kreeg bestond uit: “Probeer het wat vrijer te spelen. Ga daar deze week mee aan het werk”. Daarna kwam er niets meer en eerlijk gezegd zat ik toen toch nog even te wachten op iets wat ik misschien minder goed gedaan had.

Zaterdag is het zo ver, dan speel ik tijdens het Pianofest. Mijn lief, mijn jongste dochter en mijn oudste kleindochter komen luisteren. En ik heb er gewoon reuze zin in. Zenuwachtig zal ik gerust weer zijn. Doordat ik ‘s morgens nog met de workshop historische instrumenten meedoe zullen die zenuwen me niet de hele dag parten spelen. Maar zo vlak voor dat optreden hè, dan begint dat weer. Dan weet ik niet meer hoe het stuk begint en waar die lastige noot zit. En daarna ga ik gewoon lekker zitten spelen.

Help, ik heb een sjaaltje nodig

De zus van mijn moeder heeft nogal wat rimpels, vooral in haar hals. Haar schoonheidsspecialiste zei ooit tegen haar: “Je hebt nu eenmaal vitrage en velours gordijn. Jij bent zo’n velours gordijn”. 

Je kent dat soort gordijnen wel, met van die diepe plooien. Gelukkig kon mijn tante hier hartelijk om lachen. Zij draagt echter wel heel vaak een sjaaltje om haar hals. Om die rimpels te verstoppen dus.

Ik hou niet van sjaaltjes, kettingen, bloesjes met kragen en coltruien. Dan zit ik gevangen en krijg ik spontaan anvallen van claustrofobie.

Maar laatst, bij het zien van een foto die gemaakt is tijdens een fotosessie in de bibliotheek riep ik heel verschrikt uit: “O hemel, moet je mijn nek zien. Ik heb een sjaaltje nodig!”

4d6b2f2d-8a12-4ba2-8020-c59b94ab0a51 - kopie

Niet dat ik nu spontaan met sjaaltjes om mijn hals rondloop hoor. Maar achteraf bedacht ik wel dat ik tegenwoordig vaak bloesjes met een kraagje onder een trui draag. Dat deed ik voorheen echt nooit.

Liefde van later

Op zoek naar een nieuw liedje voor mijn “Sing a Song lessen” stuitte ik op “Liefde van later” gezongen door Herman van Veen. Op slag verliefd, maar met de nodige twijfels. Was ik de aangewezen persoon om dit liedje te vertolken?

Als je het liedje beluistert hoor je dat het gaat over een liefde die een heel mensenleven mee gaat. Die elke storm en tegenslag overleeft. We kennen ze allemaal wel, mensen die bij elkaar thuis zijn, zich bij elkaar veilig voelen. Maakt niet uit wat er gebeurt, ze redden het samen.

Sinds zeven jaar ben ik met mijn lief getrouwd en ik denk, dat als anderen ons zien, het echt wel duidelijk is dat wij thuis zijn bij elkaar. Echt een liefde van later, maar dan letterlijk, want deze liefde kwam pas later nadat de eerste twee relaties niet standhielden. Iets wat voor overigens voor ons beiden geldt

Mijn eerste huwelijk, die met de vader van mijn kinderen, strandde na 20 jaar. Leven met een persoon met narcistische trekjes bleek niet mee te vallen. Ik kan je wel vertellen dat er weinig van jezelf overblijft in zo’n huwelijk.

De relatie die ik daarna had strandde na acht jaar. Misschien kwam die te snel en wist ik nog lang niet wie ik werkelijk was. Aan de andere kant bleek deze man nadat ik mijn huis had opgezegd en bij hem was ingetrokken, al heel snel te veranderen in een ander soort man dan hij tot die tijd was. Net alsof hij dacht: “Zo, die buit is binnen, nu kan ik weer gewoon doen”. Toen ging ik twijfelen of ik wel geschikt was voor een huwelijk of relatie. Misschien was ik wel iemand die dat helemaal niet zo goed kon, of zo. Dat het allemaal aan mezelf lag. Dat vooral dus.

Vandaar dus dat ik twijfelde of ik wel de aangewezen persoon was om dit liedje te zingen. Aan de andere kant was Herman van Veen dat eigenlijk ook niet. Die heeft ook niet zo’n huwelijk dat alles heeft overleefd. Dat trok me over de streep en ik startte met werken aan het liedje.

Dat werken hier aan betekende dat ik eerst maar eens goed ging luisteren. Daarna ging ik het meezingen om het me eigen te maken. Pas daarna ging ik de pianobegeleiding uitzoeken. Regel voor regel heb ik die voor elkaar gekregen. Soms met wat hulp van mijn pianoleraar als ik iets gewoon niet goed kon horen of niet goed kon “vertalen” op de piano. Het meeste deed ik echter zelf. Tot slot nog het zingen terwijl ik die begeleiding speelde. Dat was een proces van dagelijks doen om zang en piano bij elkaar te krijgen. Uiteindelijk bleek ik mijn aantekeningen nodig te hebben tijdens het zingen om niet uit de bocht te vliegen. Vaak hoefde ik er niet eens naar te kijken en bleken mijn vingers gewoon de weg te weten, maar even vaak lukte dat niet.

Misschien kan ik het eind februari, tijdens het Kleinkunstcafé wel uit mijn hoofd doen. Lijkt me hartstikke gaaf.

Dit was het nieuws – Tradities

 

vreugevuren

Duindorp staat op z’n achterste benen. De vreugdevuren kunnen met Oud & Nieuw niet doorgaan. Men kan niet aan de veiligheidseisen voldoen, dus is het te gevaarlijk. Tja, als je even terugdenkt aan vorige jaar, dan is dat goed te begrijpen.

Vervolgens zijn er mensen zó ontzettend boos dat zo’n 50 raddraaiers de straat op zijn gegaan waarbij zij brand stichtten in ondergrondse containers, bij bushaltes en in een lege patatkraam. Er is zelfs een jongetje van negen jaar oud opgepakt. Hij was in het bezit van een molotovcocktail. Die mensen zijn echt een partij boos, want deze vreugdevuren zijn een TRADITIE. Dan mobiliseer je ook kinderen, want ik kan me niet voorstellen dat het negenjarig jongetje dit zelf heeft bedacht. Maar ach, de moeder ontkent het, want het is een heel lief jongetje. Zo sneu, hij heeft waarschijnlijk vlak voordat de politie en ME arriveerde zo’n molotovcocktail in handen gedrukt gekregen. Ach ja, wat deed dat jochie daar dan ook.

De afgelopen 15 jaar is er niets mis gegaan tijdens die traditie van vreugdevuren. Begrijp ik nu goed en bestaat deze traditie slechts zo kort of is er alleen in die jaren niets mis gegaan?

Nou nee, als ik het goed begrijp zijn die vreugdevuren ingesteld omdat het in de jaren ’80 en ’90 onrustig was in Den Haag. “Straten lagen open, straatlantaarns waren kapot, op elke straathoek was vuur. Het was altijd vechten met andere buurten. De ME reed door de straten met jeeps en rieten schilden.” Een klein beetje oorlog dus.

Best te begrijpen dat er een alternatief voor al die vernielingen werd geboden. Maar ja, dat alternatief werd groter en groter en vorig jaar ging dat dus mis en werd een “bijna-ramp”. Logisch dat er dan heel goed wordt gekeken naar deze TRADITIE. Dat er allerlei eisen aan gesteld worden om het veilig te houden. En natuurlijk ga je dan als raddraaiers de straat op omdat je boos bent dat deze TRADITIE verloren lijkt te gaan. Dan ga je gewoon lekker vernielingen aan lopen richten, want wie weet, misschien schrikt men dan wel en mag deze TRADITIE gewoon doorgaan.

En ja hoor, gisteravond, toen ik na mijn avonddienst thuis kwam, keek ik nog even naar “Pauw” en viel met mijn neus in de boter. De vreugdevuren en de rellen werden besproken. Er was een man aan het woord. Ik heb overigens geen idee wie die man is, maar wellicht een bekende Nederlander.

Hij gaat bemiddelen, of is van plan te gaan bemiddelen, want die vreugdevuren moeten natuurlijk gewoon doorgaan. Uiteraard moet het wel veilig en mogen ze niet groter worden dan 10x10x10 meter. In ieder geval gaat hij daar zijn stinkende best voor doen.

Tja, ik weet het niet hoor, maar valt dit niet te vergelijken met een kind wat boos is en gaat schreeuwen omdat het geen snoepje mag, zo vlak voor het eten. Om dan van de boze bui en het geschreeuw af te zijn geef je het dan, zelf ten einde raad, een snoepje. Dat onthoudt zo’n kind dan gewoon hè? Er zijn van die opvoed-dingen die minder goed blijven hangen, maar dit is dan toevallig net iets wat wel onthouden wordt. Het resultaat is dat het kind, als het weer eens niet zijn zin krijgt, heel boos wordt en gaat schreeuwen en krijsen zodat het zijn beloning krijgt.

Gewoon dat dus hè, heel vervelend doen. Andermans bezittingen vernielen, want dan staat er altijd wel zo’n goedzak op die wil bemiddelen en er voor gaat zorgen dat deze boze mensen hun zin krijgen.

Maar ach, ik kom niet uit Den Haag en ben ook nog eens zo iemand van vroeger, van ver uit de vorige eeuw. Vandaar dat ik misschien wat anders tegen de dingen van tegenwoordig aankijk.

Overigens kom ik wel uit de buurt van Amsterdam waar op “Luilak”, je weet wel, de dag voor Pinkster, een hoop auto’s in de fik werden gestoken. Gek dat daar nooit een alternatief in de vorm van vreugdevuren is aangeboden. Daar hebben ze nooit een alternatief in de vorm van een TRADITIE voor gekregen. Maar wacht………….dat kan ook niet, want “Luilak” was zelf al een TRADITIE.

Vrijheid

IMG_0720

De afgelopen tijd las ik het boek “Wij waren de gelukkigen”. Een aangrijpend en waar gebeurd verhaal van een Pools Joodse familie in de Tweede Wereldoorlog. De hoofdstukken waren vaak kort en dat was voor mij goed. Zo hakte ik het boek in kleine stukjes om het te kunnen behappen, want het was vaak te veel om te bevatten.

 

Zelf heb ik de Tweede Wereldoorlog niet meegemaakt en als ik er over lees begrijp ik nog steeds niet hoe die massajacht en -moord op de Joden, maar ook op vele anderen, kon gebeuren. Tijdens het lezen is het boek vaak spannend omdat het beschrijft hoe leden van het gezin Kurc zich uit allerlei situaties weet te redden. Dat vind ik dan weer raar, dat ik dat spannend vind, want ik zou absoluut niet in hun schoenen hebben willen staan.

De honger en de kou is iets waar ik me weinig bij voor kan stellen. Als ik naar mijn werk moet ontbijt ik om zes uur en om negen uur eet ik even een sneetje roggebrood met kaas, omdat ik dan alweer trek heb.

Overleven op 1 stuk brood en wat waterige soep en dan in de kou zware lichamelijke arbeid verrichten. Hoe deden deze mensen dat. Wij beginnen al te jammeren over het feit dat we tot onze 67e door moeten werken. Ook in de zorg en in andere zware beroepen.

En dan die aantasting van vrijheid tijdens de Tweede wereldoorlog. Niet vrij te zijn om te gaan en staan waar je wilt. Geen mening meer kunnen en durven ventileren uit angst dat je verraden wordt. Vervalste persoonsbewijzen om aan te kunnen tonen dat je vooral geen Jood bent, terwijl je dat in hart en nieren juist wel bent.

Vervolgens lees ik in de krant berichten dat het terugdringen van de maximale snelheid op snelwegen naar 100 km/u wordt gezien als vrijheidsbeperkend voor de automobilist. Ik voel een bepaalde opstandigheid naar boven borrelen. Wat nou vrijheidsbeperkend? Gelukkig lees ik niet lang daarna een ingezonden reactie van iemand die zich afvraagt of “stoppen voor een rood stoplicht”, “30 km/u in een woonerf”, “50 km/u binnen de bebouwde kom”, dan ook vrijheidsbeperking van de automobilist is. Het cynisme druipt van het stukje af. Goddank, denk ik, er zijn nog meer mensen als ik.

Trouwens, ik ben de laatste dagen meteen maar minder hard gaan rijden op de snelweg. Ik was al teruggegaan van 130 km/u naar 120 km/u en ontdekte dat ik daardoor anderhalf keer extra naar mijn werk kon rijden zonder te hoeven tanken. Nu ben ik 110 km/u gaan rijden en ik weet nu al dat ik daarmee geld uitspaar, want ik doe weer langer met mijn tank. Dat is toch ook een mooie vrijheid.

En wat mij toch ook opviel de laatste dagen is dat er meer mensen langzamer zijn gaan rijden. Mooi, want dat gejakker zorgt alleen maar van onrust. Niet alleen op de snelwegen, maar ook in mensen hun hoofd.

Maar terug naar het boek “Wij waren de gelukkigen”. Het liep voor deze mensen goed af. Alle leden van het gezin blijken nog in leven te zijn na de oorlog. Weliswaar woont iedereen verspreidt over de hele wereld, maar ze zijn er nog. Even bekruipt mij dan het gevoel dat het boek niet op waarheid berust tot ik de aantekeningen van de auteur lees. Het is wel degelijk gegaan zoals in het boek beschreven staat. Zij eindigt haar boek met een kort hoofdstuk waarin zij vertelt dat leden van deze familie verspreidt wonen over de hele wereld: Brazilië, de VS, Frankrijk, Zwitserland en Israël. Er worden reünies georganiseerd waarbij al deze mensen bij elkaar komen. Allemaal lid van deze familie, pianisten, violisten, cellisten, fluitisten, ingenieurs, architecten, juristen, artsen, bankiers, timmerlieden, motorrijders, filmmakers, fotografen, marineofficieren, eventplanners, restaurateurs, dj’s, onderwijzers, entrepreneurs en schrijvers. Dat van die entrepreneur moest ik even opzoeken. Nog niet eerder van gehoord. De kortste omschrijving is “een ondernemende ondernemer”. Ze lijken niet op elkaar, kleden zich niet hetzelfde en spreken ook niet allemaal dezelfde taal. Wat deze mensen met elkaar verbindt is de dankbaarheid dat ze er nog zijn.

Om maar even te herhalen: Een aangrijpend en waar verhaal dat ik in kleine stukjes moest lezen om het te kunnen bevatten.

Altijd bereikbaar

altijd bereikbaar

Onderweg naar mijn ouders ontdekte ik dat ik mijn gsm vergeten was mee te nemen. Vervelend want ik was in een file verzeild geraakt en wilde hen laten weten dat het later zou worden. Het gebeurt me wel vaker dat mijn Nokia thuis ligt. Het is ook zo’n telefoon waar je verder niks mee kan. Bellen en sms’en, daarmee heb je het ook helemaal gehad. Filmpjes kijken of facebooken is niet bij. Wel lekker rustig overigens. Ik kan het iedereen aanraden die wat meer rust in zijn leven wil. Nee, altijd bereikbaar ben ik bepaald niet.

Twintig minuten later dan gepland stond ik voor het appartement van mijn ouders. Er hing een briefje dat de intercom het niet deed, maar de bel deed het wel. Al gauw begreep ik dat zij dan vanuit hun appartement de voordeur niet konden openen en dat waarschijnlijk nog niet wisten.

Daar stond ik dan. Ik had al drie keer aangebeld en vroeg me af hoe ik dit op ging lossen. Had ik mijn Nokia bij de hand, dan kon ik even gebeld dat ik voor de deur stond. Lekker handig dus van mij om dat ding niet mee te hebben. Heel even vloog er een gedachte door mijn hoofd waar ik achteraf om moest lachen. Echt waar, ik bedacht dat ik dan even mijn lief moest bellen, zodat hij mijn ouders kon laten weten dat ik voor de deur stond. Tja, die vlieger ging natuurlijk niet op.

Steentjes tegen hun raam gooien? Dat zou kunnen, maar ze wonen op drie hoog. De kans dat ik het raam zou raken was niet echt groot.

Wachten tot er iemand naar buiten ging. Gebeurt vaak genoeg, maar vandaag dus niet.

Aan die mevrouw die haar hond uitliet vragen of ik haar telefoon even mocht gebruiken. Goed plan, alleen liep de vrouw, toen ik naar haar toe liep, meteen een andere kant op. Beetje mensenschuw, of misschien ben ik gewoon een beetje “eng”.

Ik stond de situatie vanaf de overkant van de straat te overpeinzen toen ik verderop een busje zag staan waar iemand met werkkleding aan bij stond. Misschien mocht ik zijn telefoon even gebruiken. Best een ongebruikelijke vraag in deze tijd waarin het gros van de mensen vergroeid is met zijn telefoon.

Het mocht, ik had alleen geen idee hoe ik die smartphone moest bedienen. . De man liet het me zien, maar moest zelf ook even zoeken. Hij kwam wel bij al zijn contacten maar had even geen idee hoe hij iemand moest bellen die daar niet tussen stond. Hij gaf ruiterlijk toe dat het toch niet zo makkelijk was als hij dacht. Overigens was het te hopen dat mijn ouders op zouden nemen als ze door een onbekend nummer gebeld werden. Ik hoorde de aarzeling in mijn vader zijn stem en vervolgens de opluchting dat ik het bleek te zijn. Ze zouden open doen, maar voordat ik bij de voordeur was was het moment al voorbij dat ik de deur kon openen. Ik liep maar weer naar de overkant van de straat. En ja hoor, mijn moeder verscheen op de galerij. “Ik denk dat één van jullie naar beneden moet komen” schalde ik door de straat. Dat had mijn vader ook al bedacht, want die zag ik over de galerij lopen.

Zó opgelucht

wortelkanaalbehandeling

Om kwart over acht zat ik bij de tandarts voor de halfjaarlijkse controle. Daarnaast had ik de pech dat dit weekend een vulling uit mijn kies was geraakt. Met flossen nog wel. Geen pijn, en dat bleek nu juist niet goed te zijn. Ik moest om kwart voor tien terugkomen, dan ging hij al behandelend kijken wat de mogelijkheden waren om deze kies te behouden. De meest waarschijnlijke optie was een wortelkanaalbehandeling. Informatie hierover kreeg ik mee en na het lezen had ik direct pijn in mijn hoofd en in mijn buik. Gek genoeg ging die kies ook spontaan opspelen.

De kapper had ik al afgebeld. Om kwart voor tien de tandarts en om tien uur de kapper was echt niet haalbaar. Even overwoog ik om meteen mijn piano/sing a song les ook maar te verzetten. Anderhalf uur met open mond in de tandartsstoel was vast niet bevorderlijk voor mijn stem. Ik besloot om de behandeling af te wachten, want tja, er stond in die voorlichting dat zoiets een half uur tot anderhalf uur kon duren. Het kon dus ook meevallen.

Met pijn in mijn hoofd en mijn buik, die ik meteen maar meldde aan de tandarts en zijn assistente, zat ik in de stoel.  De tandarts legde uit wat hij ging doen en begon mijn kies schoon te maken. Je weet wel met zo’n soort drilboor waardoor je meteen bang bent dat hij je hele kies wegboort en in je hersenen terecht komt.

Boven  mijn hoofd ontspon zich een gesprek over de nieuwe apparatuur. Of de assistente wist wat die doosjes van 20 stuks gekost hadden. Het werkte wel hygiënischer, want het was voor eenmalig gebruik. Verder moest hij aan deze apparatuur wel even wennen.

Ondertussen deed het boren pijn en ik vroeg me af of hij zich niet gewoon alleen met mijn kies moest bemoeien. Ik stak mijn hand op. Nee, niet om te vragen of hij zich op deze manier wel op mijn kies kon concentreren, maar vanwege de pijn.

“Wat voor pijn? Alleen als ik boor en als ik stop is het meteen weg?” Ja, die pijn.
“Maar dat is goed nieuws, dan is de zenuw nog actief en kan ik de kies vullen zonder wortelkanaalbehandeling.”

De opluchting schoot door mijn lijf. Gelukkig! Het deed pijn! Nog nooit was ik zó blij met pijn geweest.

De kies werd verder uitgeboord en daarna opgevuld. Ondertussen zat er een klein frummeltje in mijn keel wat ontzettend ging kriebelen. Vast een stukje van mijn kies of zo. Ik dacht even dat ik stikte, maar mocht gelukkig even hoesten van de tandarts. Daarna werd aan de andere kant ook nog een kies gevuld, want ook daar zat een gaatje. Soms vraag ik me toch serieus af hoe lang mijn gebit nog mee kan met al die vullingen.

Het was klaar. “Het viel mee”, zei de tandarts. “Morgen zie ik u weer!” zei hij lachend.
“Ik vind u erg aardig, maar kom toch liever pas over een half jaar”.  Ondertussen kon ik de man wel zoenen, wat ik maar niet gedaan heb.

Alsof ik naar mezelf kijk

Die houding, dat geblokkeerde. Ik herken het. Zou hij zich nu net zo voelen als ik me op zo’n moment voel? Hij is nog jong en misschien moet hij hier nog mee om leren gaan. 

in de schulp (6)

Vorig jaar heb ik hem piano horen spelen tijdens het Festival Klassieke Muziek in Almere. Een rustige jongen, die zonder al te veel dramatische bewegingen of gezichtsuitdrukkingen een geweldig stuk speelt.
Deze keer volgt hij een masterclass bij  Nicolas van Poucke. Hij is nog dezelfde rustige jongen en speelt geweldig en op dezelfde manier als toen. Kaarsrecht zit hij en weer maakt hij geen overbodige bewegingen.

Na zijn spel bedenk ik dat er volgens mij niet veel aan valt te verbeteren. Maar ik ben dan ook die goedwillende amateur. Uiteraard valt er meer uit te halen en Nicolas stelt voor om aan een bepaald deel in het stuk te werken. Het moet soepeler vanuit de polsen, zijn schouders moeten losser. Hij zet in en ik zie gewoon gebeuren dat hij verstrakt. Hij trekt zijn schouders op en speelt het deel op dezelfde manier als de eerste keer. Nicolas vraagt of hij het even mag proberen. Uiteraard mag dat. Het komt in mijn hoofd ook niet op om “nee” te zeggen als mijn pianodocent iets voor wil doen.

Nicolas_van_Poucke_©HansvanderWoerd-014-1038x576

Nicolas vraagt of hij het begrijpt. Hij knikt bevestigend en begint te spelen. Zijn pianodocente zit schuin voor me en schudt haar hoofd. Nee, het lukt duidelijk niet. En o, wat herken ik dat. Het blokkeren, je in jezelf terugtrekken, een soort waas in je hoofd waardoor het lijkt alsof je die piano voor het eerst ziet. Ik zie hem denken: “Ik wil het wel doen, maar laat het me alsjeblieft eerst thuis oefenen, dan doe ik het volgende week beter”.

Het zijn aannames van mij. Mischien denkt dat dit helemaal niet. Misschien ligt hij gewoon dwars, alhoewel hij me daar het type niet voor lijkt. Nee, ik hou het er op dat mijn gevoel me niet bedriegt.

Vandaag overviel het mij. Ik speelde en zong het liedje “De hemel is dichtbij”. In het refrein moet meer beweging. Het is me in de loop van de week goed gelukt om dat er in te krijgen. Maar nu dat zachtere deel waarna dat refrein weer komt. Het is raar om gewoon van dat zachte ineens “BAM” weer hard in te zetten. Er moet een overgang komen die dat voor de luisteraar ook aannemelijk maakt. Dat het logisch klinkt.

Mag ik even?” Natuurlijk mag mijn pianodocent even en hij doet iets op de piano, doet het nog een keer en nog een keer. Ik zie wat hij doet en voel dat waas optrekken waardoor ik vervolgens niet goed meer kan nadenken over wat ik hem net heb zien doen. In mijn schulp kruipen, dat is wat ik dan doe. Een deur dichtdoen en mezelf verstoppen. Ik begrijp wel wat hij bedoelt, maar om dat nu even ter plekke te reproduceren of iets te doen wat daarop lijkt zijn twee totaal verschillende dingen.

“Ga hier van de week thuis mee experimenteren dan werken we er volgende week verder aan.”

Kijk, dat is het voordeel van een pianodocent die mij wat langer kent en ook gerust wel ziet dat ik me op zo’n moment totaal niet comfortabel voel. Dat heeft niets met hem te maken, maar alles met mij. Hij weet dat ik er thuis aan werk en dat ik de volgende keer die overgang gerust wel maak.

Het nadeel van zo’n masterclass is dat je in dat ene uur iets moet neerzetten, maar dat jij die docent niet kent en die docent jou niet. Daar moet je dus wel een type voor zijn. Ik denk dat ik niet zo’n type ben. Ik heb tijd nodig en de ruimte om voor mezelf een oplossing te zoeken. Dat kan ik niet als er iemand op mijn vingers kijkt.

Mensen van vroeger

sociale kring

Op het terras zat nog een stel. Zij kwam me wat bekend voor, maar ik kon haar niet meteen plaatsen. Ik schoof net een stoel naar achteren toen zij mij vroeg of ik een dochter van Phillipson was. Dus toch, dat bekende gezicht, ik kende haar ergens van en ineens wist ik het. Ik noemde vragend haar naam en liep naar het tafeltje waaraan zij zaten.

Mijn lief liep met me mee en zo stonden we een poosje te praten tot ik voorstelde om er een stoel bij te zetten.

“Je ouders zijn nu op Malta hè? Geweldig dat zij dit nog kunnen doen.”
Ik vertelde dat mijn moeder me de dag ervoor had gebeld. Ze was blij mijn stem te horen, iets wat ik nog niet eerder van haar had gehoord. Schijnbaar miste ze me.

“Mijn broer is deze week opa geworden van een kleindochter”, zei ik en mijn lief liet weten dat ik al zes keer oma was.

We hebben een poosje zitten praten met elkaar tot we ieder weer onze eigen weg vervolgden. Zij op de fiets, wij wandelend. Ik zei tegen mijn lief dat ik de ontmoeting fijn had gevonden. Dat er momenten zijn dat ik het mis om mensen in de buurt te hebben die mijn ouders, mijn broer en mijn kinderen kennen. Die ook mij van vroeger kennen. Meestal ben ik daar niet zo mee bezig, maar nu werd ik er even met mijn neus bovenop gedrukt.

Vroeger bestond mijn sociale kring voornamelijk uit mensen die lid van dezelfde kerk waren als ik. Net als in elke kerk kan je daar veel van je vrije tijd insteken. Dat hoeft niet, maar ongemerkt gebeurt dat wel. Ik was op muziekgebied actief, speelde orgel in de kerk, zong in het kerkkoor, verving de dirigent bij afwezigheid en zong in ad-hoc koortjes. Pas halverwege de veertig besloot ik de kerk te verlaten. Er was een hoop aan vooraf gegaan voordat ik die beslissing nam. Mijn ouders namen me het niet kwalijk, maar vonden dit wel moeilijk. Ik begreep dit wel en in het begin was het ook wat ongemakkelijk tussen ons.

Mijn sociale kring bestond van de ene op de andere dag niet meer. Niet dat er ruzie was of zo. Nee hoor, iedereen had zijn eigen leven en de enige binding die ik met deze mensen had bleek de kerk te zijn. Zo gaat dat soms.

Ik bouwde een ander leven op en ging zingen in een Kamerkoor. Dat kon eerder niet, want juist op die repetitieavond was ik actief in de kerk. Langzaam ontstond er een nieuwe sociale kring. Klein weliswaar, maar behoefte aan een hoop mensen had ik niet. Heb ik nooit gehad. Die kerk was er gewoon met al zijn mensen. Daar had ik niet om gevraagd.

Nadat ik mijn lief leerde kennen verhuisde ik van Middenbeemster, vlak bij Purmerend, naar de Flevopolder. Wat ik nooit beseft heb is dat het voor mensen als ik, een beetje einzelgänger,  lastig is om in een ander deel van het land weer een leven op te bouwen. Ik had in Purmerend een vriendin waar ik regelmatig mee fietste of wandelde en eens per jaar gingen we samen een dagje weg. Halfslachtig hadden we afgesproken dat we die dag eens per jaar zouden blijven doen, maar dan ergens halverwege zodat niet één van beiden het hele eind hoefde te rijden. Het is er nooit van gekomen. Buren uit mijn oude buurt, nog van tijdens mijn eerste huwelijk, bleven weg. Gek, want we hadden tot dan toe gewoon nog altijd contact en kwamen bij elkaar op verjaardagen. Misschien was het lastig voor ze vanwege mijn lief, die ze niet goed kenden. Mijn lief zei daar heel nuchter van: “De rit Purmerend-Emmeloord is altijd langer dan de rit Emmeloord-Purmerend”. Hij had zelf al eerder met dit bijltje gehakt.

Inmiddels leef ik hier mijn leven. Ik heb na wat omzwervingen een baan waar ik me prettig bij voel. Fijne collega’s en we waarderen elkaar om wie we zijn. Mijn muzikale leven heb ik weer op orde en er is een, weliswaar kleine, sociale kring ontstaan. En heus, ik ben niet alle dagen bezig met het feit dat ik hier geen mensen ken die mijn ouders of mijn kinderen kennen. En toch, tijdens die ontmoeting op dat terras merkte ik ineens dat ik dat soms toch wel een beetje mis.