Category Archives: warboel

Bang, boos of allebei?

bang, boos of allebei

We hebben twee terminale cliënten op de afdeling. Beiden zijn hier tijdelijk tot er een plekje vrij komt op een palliatieve afdeling. De één, hij is van mijn leeftijd, is er rustig onder. Hij wil bij de eerste controleronde een flesje nutridrink en een kan water met ijsblokjes. Verder geen controles ‘s nachts.

De ander is stukken ouder en is er duidelijk niet aan toe dat hij dood gaat. Hij is boos, is in nood en heeft hulp nodig. Tijdens de eerste nacht belt hij regelmatig. “Ik ben in nood, ik heb hulp nodig en jullie doen niks. Jullie laten me gewoon dood gaan”, is zijn klacht. Daar komt bij dat hij vindt dat ik niet snel genoeg op zijn bel reageerde. Ik doe een poging om uit te leggen dat ik bij iemand anders was en daar niet meteen weg kon. “Ja, jullie hebben voor iedereen tijd, behalve voor mij. Ga maar weg, laat mij maar gewoon dood gaan.”

Ik vraag hem of hij een glaasje warme melk wil zodat hij daarna misschien even kan slapen. Dat wil hij wel en dankbaar drinkt hij het glas leeg. Daarna overleg ik of het misschien beter is om het licht uit te doen. “Doe maar.”

Hij slaapt inderdaad van drie uur tot een uur of vijf. Daarna begint het bellen iedere tien minuten. “Ik heb hulp nodig!” Ik vraag hem wat ik voor hem kan doen. “Dat moet u mij niet vragen. U bent de expert. Ga ook maar weg, laat mij maar gewoon dood gaan.” Hij draait zich van mij af en contact krijg ik niet met hem.

Toevalligerwijs heb ik de E-learning “Palliatieve zorg” net afgerond, maar met alle tips die ik daar tegenkwam kan ik met deze man helemaal niets. Hij wordt bij alles wat ik zeg boos en ik voel me eigenlijk best een beetje tekortschieten. Iets wat niet hoeft, want ik had van collega’s ook al begrepen dat het allemaal niet makkelijk verloopt met deze cliënt.

Op een gegeven moment hoor ik hem hard praten en reageert er een vrouwenstem. Ik loop naar zijn kamer en kijk tegen wie hij praat. Er is niemand, hij telefoneert en is ook boos op degene die hij aan de lijn heeft. “Laat dan maar, niemand wil mij helpen. Laat mij maar gewoon doodgaan” en ik zie dat hij zijn telefoon van zich af gooit.

Als ik weer naar hem toe ga neem ik een kalmerend tabletje mee, dat gaat z’n werk wel doen, maar niet meteen. Hij bleek een vriendin te hebben gebeld om te vragen of zij z’n zoon wilde bellen. Zij vond het daar nog wat vroeg voor en daar was ik het wel mee eens. Hij duidelijk niet, want door niet zijn zoon voor hem te bellen begon hij “Brand! Brand!” te roepen. Het uiteindelijke resultaat was dat ik zijn zoon belde en toen ik naar huis mocht kwam deze de afdeling op hollen. Zijn vader had hem gebeld, en was in nood. Ik heb even met zijn zoon staan praten en even een en ander uitgelegd. Daar werd zijn zoon gelukkig wat rustiger door.

De tweede nacht begon deze cliënt meteen met bellen. Zo’n vier keer in een half uur. Ik was nog maar net binnen en reageerde direct op zijn bellen. “Goh, u bent er al” reageerde hij verbaasd. Weer wilde hij hulp en weer kon hij niet aangeven waarmee. Ik probeerde zijn hand vast te pakken en wilde gewoon even bij hem blijven. Daar was hij duidelijk niet van gediend. “Rotwijf, je bent al net zo erg als de rest”. Ik had werkelijk geen idee wat ik met hem aanmoest. Hij zag er nogal verhit uit, maar ik had begrepen dat hij het nogal snel koud had. “Zo te zien heeft u het warm, zal ik het raam een stukje open zetten?” Het mocht en daarna heb ik hem de hele nacht niet meer gehoord. Af en toe liep ik bij hem naar binnen, maar hij lag heerlijk te slapen.

Zou dat gewoon het hele probleem zijn geweest? Had hij het gewoon te warm en kon hij dat niet meer uitleggen? Ik zal het nooit weten, want de volgende dag wordt hij overgeplaatst.

De verkeerde pet

Pet

Tussen de middag wordt er warm gegeten en één van de bewoners zit erg onsmakelijk te eten. Hij hoest voortdurend, geeft een hoop slijm op en vraag om een bak. Die geef ik hem en vraag hem naar zijn kamer te gaan om daar verder te eten. Dit is ook de afspraak die wij met hem hebben gemaakt.

Hij wordt boos. “Ik bepaal zelf wel of ik naar mijn kamer ga” en maakt geen aanstalten om op te staan.

Ik loop naar hem toe, zet zijn rollator bij zijn stoel en laat weten dat hij gewoon met me mee moet gaan. De kom met het opgegeven slijm zet ik op zijn rollator. Hij loopt mee, maar vindt me behoorlijk onbeschoft. Tja, meestal vindt hij me een lieve zuster, behalve op dit soort momenten.

Weer terug in de huiskamer zegt één van de bewoners: “Zijn pet staat zeker verkeerd”.

Terwijl ik een andere bewoner help met het innemen van zijn medicijnen laat ik weten dat mijn pet inmiddels ook verkeerd staat. Waarop de bewoner die ik aan het helpen ben een giechelbui krijgt en al giebelend zegt: “En je hebt niet eens een pet op.”

Plechtig beloof ik dat ik volgende keer mijn pet mee zal nemen. Dan kan iedereen aan de stand van de pet zien hoe het met mijn humeur gesteld is.

Drank maakt meer kapot dan je lief is

Drank maakt meer kapot dan je lief is

Hij begint zijn dag met wat blikjes bier. Daarna worden ze verstopt zodat hij zich kan verbeelden dat wij het niet door hebben. Natuurlijk is hij nooit dronken en wat weten wij daar nou eigenlijk van. Nee, die zusters verbeelden zich dat ze echt alles weten en overal verstand van hebben.

Hij heeft een scootmobiel aangeschaft, of gekregen, dat weet ik niet precies. Het ding stond er ineens en dat wij het niet raadzaam vonden wanneer hij daarop ging rijden begreep hij niet. Hij moest wat lessen nemen bij de ergotherapeut. Natuurlijk was het niet vertrouwd, maar daar wilde hij niets van weten.

Gisteren, tijdens de broodmaaltijd, was hij boos. “Ik mag niet op mijn scootmobiel rijden. Gek zijn ze hier. Waar bemoeit iedereen zich eigenlijk mee”. Hij mocht er van mij even over mopperen, maar na drie keer wisten zijn tafelgenoten en ik het wel en ik verzocht hem er over te stoppen. Normaal gesproken vindt hij mij een lieve zuster, maar nu even niet. “Jij bent al net zo’n kreng!”

Na het eten verdwijnt hij meestal naar zijn kamer en belt hij rond een uur of half negen dat hij zijn zwachtels en korset af wil. Deze avond bleef het stil ik besloot rond een uur of negen maar eens een kijkje te gaan nemen. Kamer leeg, wel een rollator èn een rolstoel, maar geen scootmobiel.
Hè, verdorie nu was hij toch op dat ding weg gegaan. Het nachthoofd gebeld om dit te laten weten. Het is een open instelling, dus iedereen kan gaan en staan waar hij wil. Als hij echt niet boven water kwam zou ze de politie bellen.

Om kwart voor tien kwam hij de lift uit in zijn scootmobiel. Er liep een vrouw naast die zich de weg liet wijzen door hem. Ze kwam op mij af en stelde zich voor als medewerker van een kroeg niet ver bij het verpleeghuis vandaan.
“Hij is van zijn scootmobiel gevallen. Er was iets met zijn katheterzakje. Het was stuk of lek dacht hij en hij wilde het laten zien. Doordat hij zich naar beneden boog viel hij van de scootmobiel af. Zijn broek is helemaal nat, dus het zakje zal echt wel lek zijn. Ik ben maar even met hem mee gelopen, al wilde hij dat niet.”

Ik bedankte haar en zei dat ik naar hem toe zou gaan.

“Zou hij wel zonder vallen van zijn scootmobiel af kunnen komen?”

“Dat is wel de bedoeling. Mensen die op een scootmobiel rijden worden geacht hier zelf op en af te kunnen.”

Met een rood hoofd liep hij schommelend door zijn kamer. Hij begreep er niets van en kon er uiteraard ook niets aan doen. Zijn broek was nat en in zijn schoen voelde het ook nat. Ik maakte de broek los, en vroeg hem op de rand van zijn bed te gaan zitten. Eerst de broek uit, daarna zijn sokken en een steunkous, die ook drijfnat was. Daarna zijn zwachtels van zijn andere been, die gelukkig nog droog waren. Zijn katheterzakje had zo vol gezeten dat het op de naad geknapt was. maar dat alles daardoor nat was geworden begreep hij niet.
“Je had beter je katheterzakje even kunnen legen voordat je weg ging.”

“Ja, dat is weer mooi achteraf gepraat.”
“Dat is zo, maar als je van te voren even nadenkt hoef je niet achteraf te praten.”

Ik had makkelijk praten, want hij kon er toch echt niets aan doen.

Tja, drank maakt meer kapot dan je lief is, zelfs je katheterzakje.

Nooit te oud om te leren

nooit te oud om te leren

Hij is van Afghaanse afkomst en heeft vrijwel altijd pijn in zijn onderlijf. Zijn benen doen niet meer mee en het lijkt mij afschuwelijk als je daar dan op zo’n manier nog meer last van hebt. “Pijn is niet fijn”,  is wat hij dagelijks een aantal keer zegt.

Tot voor kort deed ik altijd op een verkeerde manier zijn kousen aan. Het zijn geen sokken, ook geen steunkousen, maar het is wel materiaal wat steun biedt aan zijn onderbenen. Iedere keer weer begon hij te roepen dat ik hem vermoord had. Steevast reageerde ik met de uitspraak dat hij erg veel lawaai maakte voor iemand die ik net vermoord had. Daar kan hij gelukkig om lachen.

Op een ochtend liet hij weten dat een andere collega dit veel beter kon, maar ja die werkte die dag niet. Ik besloot haar maar eens te vragen hoe zij die kousen dan bij hem aantrok, als we toevallig weer een keer samen aan het werk waren. Ze legde het me uit en het bleek doodeenvoudig de manier te zijn waarop ik meestal bij iemand de steunkousen aantrek.

De eerste keer dat ik dit op deze manier deed was hij helemaal gelukkig. “Wilmaatje, je kan het, hoe kan dat?” Ik liet hem weten dat ik dat geleerd had van de collega die hij had genoemd. Zij is jong, jonger dan mijn jongste dochter en ik vond zijn reactie verrassend: “Wilmaatje, wat goed dat jij, als oudere vrouw, iets wil leren van iemand die nog zo jong is.” Ik moest er stiekem om lachen, want ja, als iemand je in één adem Wilmaatje en oudere vrouw noemt is dat toch wel bijzonder.

Een poosje heb ik gedacht dat “Wilmaatje” kleinerend bedoeld was. Ik heb het hem maar gewoon gevraagd en hij schrok er van. Zo bedoelde hij het niet, hij vond mij gewoon een aardige zuster. Tegenwoordig word ik dus vaak begroet met: “Dag Wilmaatje, eh grote Wilma, oudere dame”.  Dan schieten we allebei in de lach.

En tja, waarom zou ik niet iets willen leren van iemand die veel jonger is? Als het een betere manier is, zodat iemand geen pijn heeft zou het toch gek zijn als ik dat achterwege liet.

Een handkus

 

handkus

Hij is nog jong, net zo jong als mijn jongste dochter en zij wordt dit jaar dertig. Zij is gezond, hij ligt de hele dag in bed en is afhankelijk van onze zorg en krijgt een aantal keer per dag sondevoeding.

Aan het hoofdeind van zijn bed staat een grote passpiegel in een bepaalde hoek, zodat hij via die spiegel kan zien wie er zijn kamer binnenkomt en wat er op de gang gebeurt. Elke dag is hij blij met kleine dingen en hij lacht als ik iets doms doe, al is het maar dat ik iets vergeten ben mee te nemen.

“Oeps, ik moet je sonde doorspoelen, maar ik ben vergeten om een beker water te pakken. Domme Wilma!”

“Ja” roept hij en lacht.

“Heb ik nu alles? Nee, nu ben ik weer vergeten een schone broek voor je te pakken. Moet je weer wachten tot ik terug ben. Ik ben vast nog niet helemaal wakker.”

Iedere keer wanneer ik klaar ben met zijn verzorging zeg ik: “Nu even kijken of je mij wel kan zien” en ik verplaats zijn spiegel iets, zet ‘m iets schever en loop dan naar de deuropening.
“Ja, ik kan jou zien. Dan kan je mij ook zien!”

Hij lacht en ik blaas een handkus zijn kant op. “Vangen!”

 

Mag niet van de regering

Mag niet van de regering

Het valt niet mee als je Niet Aangeboren Hersenletsel hebt en je daarbij ook nog autistisch bent.

‘s Morgens zit hij op de rand van zijn bed te wachten tot je hem om half acht komt helpen. Dan is hij blij dat je er eindelijk bent. Hem helpen wassen en aankleden is een klein drama. Zowel voor hem als voor ons, want daar heeft hij eigenlijk geen tijd voor. Nee, want hij moet eten en dat er pas om acht uur iemand is die daarvoor zorgt zegt hem niet veel.

Zo gaat het met alles: Wachten tot we gaan eten en dan geen tijd hebben om te eten, want hij moet ook nog slapen. Ik spreek mijn hele voorraad geduld aan, of sluit me af voor zijn gedrag. Dat gaat de ene dag beter dan de andere dag.

Hij had zijn bord leeg, moest zijn toetje ook nog opeten. Tja, het valt niet mee. Daarna hielp ik hem met de sta-lift naar het toilet. Dat “moest” uiteraard niet, want hij moest slapen. Van mij moest het echter wel en het was ook hard nodig.

Eenmaal van de toilet af stond hij in de sta-lift te schreeuwen dat het allemaal veel te lang duurde.

“Schiet eens op. Ik mag niet zo lang staan. Dat mag niet van de regering”.

Volgens mij wordt het tijd dat het nieuwe kabinet daar iets aan gaat doen, maar dat heb ik maar niet gezegd, want zulke grapjes kan hij niet waarderen. Ik deed hem zijn inco om en hees zijn broek omhoog. Gauw naar zijn bed met die lift en daar zat hij, alweer te schreeuwen: “Kijk eens wat je gedaan hebt!” Zijn hemd zat niet in zijn broek.

“Dat ga ik nu doen, want ik moest opschieten omdat jij niet zo lang mag staan van de regering.”

“Mag wel”, schreeuwde hij boos.

En dan ligt hij in bed, steekt zijn hand naar me uit en vraagt of we nog vrienden zijn.

Ouwe taart

IMG_4840

Hij is ruim tien jaar jonger dan ik, maar woont al jaren in het verpleeghuis. Als vluchteling kwam hij achttien jaar geleden hier en werd vervolgens flink ziek.

“Wilmaatje, wat zijn dat voor vlekken op je armen?”

Gek dat er altijd mensen zijn die mij Wilmaatje noemen. Ik weet dat ik niet heel groot of fors ben, maar het voelt soms alsof men mij niet voor vol aanziet.

“Dat zijn sproeten”, liet ik weten.

“Bah, vies. Je moet je armen wassen.”

Afgelopen week vertelde hij weer iets over zijn leven van vroeger. Ik luister naar het verhaal en bedenk hoe triest dit eigenlijk is. Terwijl hij vertelt probeert hij zelf zijn blaas te spoelen. Zodra hij dat doet houdt hij zijn adem in.
“Ademen, dan ontspant je blaasspier.”

“Wilmaatje, doe jij het maar.”

Dat is nieuw, andere keren mocht ik niet eens in de buurt komen. Nu neem ik het van hem over terwijl ik blijf zeggen dat hij moet doorademen.

“Wilmaatje, jij bent van de Flinstones. Ben je met Fred getrouwd?”

“Nee, mijn man heet Arie.”

“Fred is ook lelijk en jij bent een knappe vrouw. Alleen die, hoe heten die dingen op je armen ook weer?”

“Sproeten.”

“Die zijn lelijk, die hebben knappe vrouwen bij ons niet.”

“Mijn dochter heeft nog veel meer sproeten dan ik.”

“Hoe oud is je dochter?”

“Bijna drieëndertig, mijn zoon wordt al zesendertig en mijn jongste dochter bijna dertig.”

Met een groot vraagteken in zijn gezicht kijkt hij mij verbaasd aan.

“Hoe oud ben jij dan?”

“Ik ben achtenvijftig.”

“Maar dan ben je gewoon een ouwe taart.”

“Ja, het wordt ook tijd dat je Wilma en U tegen me zegt in plaats van Wilmaatje” zeg ik lachend.

Shaggies draaien.

shaggie-draaien

In de krant las ik een artikel waarin een vrouw laat weten dat zij voor een algeheel rookverbod pleit. Haar longcapaciteit is nog 17% dankzij een leven lang roken, zodat zij de hele dag met een neusbrilletje aan de zuurstoftank gekoppeld is om nog een beetje lucht te krijgen. 

Zelf rook ik niet, nooit gedaan ook. Alhoewel, als ik eerlijk ben deed ik, net als bijna iedereen, op veertienjarige leeftijd een poging. Getver, wat vond ik het vies en ik werd er duizelig van. Belangrijker nog vond ik het een dure grap en gaf ik mijn geld liever uit aan boeken.

In het verpleeghuis wonen heel wat mensen die bijna de hele dag in het rookhok, of buiten, te vinden zijn. Maar ook veel collega’s zijn rokers. Dat begrijp ik dan eigenlijk niet zo goed, want als verzorgende/verpleegkundige zou je beter moeten weten. Het schijnt erg ontspannend te zijn, zeggen zij.

Bij ons op de afdeling woont een meneer die door een eenzijdige verlamming maar één hand tot zijn beschikking heeft. Hij rookt, maar wil per se shag en geen sigaretten. Heel vervelend want ze;f kan hij geen shaggies draaien. Per keer krijgt hij er twee en eigenlijk heeft hij geen geduld om te wachten tot je die twee gedraaid hebt.

Daar zat ik dan laatst in ons teamkantoor, want ja in de zorg moet je wel van alle markten thuis zijn,  shaggies te draaien. Nog niet eerder gedaan, wel vaak gezien en moeilijk leek het me niet. Na een paar mislukte pogingen ging het steeds vlotter en voilà ik maakte een mooi voorraadje shaggies voor de beste man.

Maar mensen, wat krijg je, zelfs alleen al van het draaien van een paar shaggies, een vieze smaak in je mond. Het duurde een aantal kauwgompjes voordat dit weg was.

 

 

In de war en de weg kwijt.

kortsluiting-28044331

Eén ding weet ik zeker: Er kan maar beter niet iets fout gaan in je hersenen, want dan gaat er van alles mis. Lichamelijk wil het dan niet meer zo, laat staan overprikkeling of gedragsescalaties. Er ontstaat soms gewoon kortsluiting in je hoofd.

“Ik zie wel hoe het loopt”, was mijn gedachte toen ik de laatste keer de nachtdienst in ging. Het blijft onvoorspelbaar hoe zo’n nacht verloopt. De medicijnvoorraad moest nagekeken worden en zo nodig medicatie bijbesteld. Na mijn eerste rondje langs de bewoners ben ik daar meteen aan begonnen. Je weet uiteindelijk maar nooit of je er later nog aan toekomt.

De onrust begon al vroeg in de nacht. Hij zocht het toilet, moest vreselijk nodig plassen. Met grote ogen en hevig transpirerend zwalkte hij door zijn kamer. Ik deed de badkamerdeur open en liet hem zien waar het toilet was. Geen reactie, maar een maai met zijn arm zodat ik een stapje terug deed. Gelukkig kwam het nachthoofd meteen toen ik haar belde. Inmiddels liep hij over de gang, rammelde aan deuren. Het nachthoofd probeerde hem met een zoet lijntje mee te krijgen, maar weer maaide hij boos met zijn armen. Ondertussen deed ik alle slaapkamerdeuren dicht en haalde de spullen weg waar hij zich aan zou kunnen bezeren. De enige deur die nog open stond was zijn slaapkamerdeur, maar helaas liep hij die voorbij. Al zwalkend ging hij ons kantoor in, gaf het verrijdbare whiteboard een zet, schoof de tafel aan de kant en struikelde uiteindelijk over een plastic voorraadbak die meteen stuk was. Voorzichtig ging hij op de grond zitten en leek iets rustiger te worden. Dat bleek schijn, want van ons moest hij niets hebben.

We besloten hem voorlopig met rust te laten. Af en toe keek ik om een hoekje om aan zijn blik en bewegingen te kunnen controleren hoe zijn stemming was.

Anderhalf uur later konden we hem weer benaderen en iets rustgevends geven. Hij had zijn urine laten lopen en was de oorzaak van zijn spanning dus kwijt. Samen hielpen we hem in zijn rolstoel en brachten hem naar zijn kamer. Hij kreeg een schone broek aan en ging zijn bed in. De rest van de nacht, inmiddels was het 5.00 uur, bleef het redelijk rustig. Slechts één keer, om 6.30 uur bleek hij in de kamer van zijn buurvrouw te zijn beland, maar toen kon ik hem bij de hand nemen en weer terug naar zijn eigen kamer brengen.

De volgende nacht was er met hem niets aan de hand, maar was er een ander onrustig. Ze is een jaar ouder dan ik en lag te roepen om haar man.
“Je man ligt thuis in zijn eigen bed”.

“Ik geloof je niet”.

“Mijn man ligt ook thuis in zijn eigen bed terwijl ik hier ben.”

Het stelde haar even gerust en ik bleef nog even bij haar voordat ik met mijn werk verder ging. Een half uur later hoorde ik haar weer schreeuwen: “Ik wil niet meer, ik kan niet meer.”

“Niet zo schreeuwen, je maakt het hele huis wakker.”

“Sorry, ik kan er niets aan doen. Ik ben in de war en ik begrijp er niets meer van. Het gaat niet goed met mij, dat zegt mijn man ook. Maar ik moet elke week naar therapie en daar zeggen ze dat het wel goed gaat met me. Ik snap het niet. En waar is mijn man?”

Ik hoorde het aan, trok haar even tegen me aan tot ze weer rustiger was.

“Zal ik de televisie aanzetten?” Ja, en dat om 2.30 uur in de nacht.

De televisie bleek een poosje een uitkomst, tot ik haar weer hoorde schreeuwen. Ik besloot wat minder vriendelijke op te treden: “Nu moet je ophouden met dat geschreeuw. Je buren worden boos, die kunnen niet slapen.”

Het hielp en af en toe keek ik bij haar om het hoekje. De ene keer was de televisie aan, de andere keer uit. Om een uur of vijf dacht ik dat ze sliep, maar ze bleek nog steeds wakker.
“Fijn dat je niet meer ligt te roepen” zei ik en trok haar weer tegen me aan.

“Lief dat je dat doet” en ze bleef een poosje tegen me aanhangen.

“Ik laat de televisie aan, maar ga nu wel weer aan het werk.”
Ook hebben we een bewoner die echt heel weinig meer kan. Elke nacht is het een uitdaging om haar te begrijpen. Om een uur of 0.30 belt ze en dan is er iets wat niet naar haar zin is. Met oogbewegingen probeert ze uit te leggen wat er dan mis is. Ik volg haar blik, maar noem bijna alle verkeerde dingen op. “Zal ik je laserpen maar aan je bril vastmaken?”

Een minimaal knikje en dan begint het aanwijzen van de letters op het letterbord. Hardop lees ik de letters voor en maak er woorden van. Haar laatste zin is duidelijk: “Jij moet beter ingewerkt worden.”

“Dit heeft niets met inwerken te maken. Ik kan je alleen beter leren begrijpen door dit vaak te doen.”

Ik voer handelingen uit waardoor zij comfortabeler in bed ligt. De laserpen mag weg en dan beginnen de oogbewegingen weer. Vriendelijk leg ik haar uit dat ik dit toch wel wat vervelend vind. De laserpen mag weg, want alles was goed en dan blijken er toch nog dingen niet goed te zijn.

Het duurt even, maar we komen er samen wel uit.

Elke nacht belt zij drie keer en de tweede nacht begrijp ik haar sneller en beter, maar aan haar kreten begrijp ik hoe gefrustreerd zij is.

“Ik begrijp dat het je frustreert dat ik je niet meteen begrijp. Maar ik ben ook gefrustreerd omdat ik jou niet meteen begrijp.”

Een al wat dementerende bewoner stond midden in de nacht de wastafel te poetsen. “Ja, ik dacht ik begin maar meteen, want ik heb nog veel te doen.”
“Het is 3.00 uur, dat is geen tijd om schoon te maken. Ga maar gauw weer terug in bed. Ik doe het gordijn wel een stukje open, dan kan je zien dat het nog donker is.”

Leuk bedacht van mij, maar een oplossing bleek het niet te zijn en dat had ik eigenlijk wel kunnen weten.

Weet je wat ik nog het meest gek vind aan nachtdiensten? Dat ik s’morgens doe wat ik normaal gesproken ‘s avonds doe: Mijn gezicht schoonmaken, nachtcrème inmasseren, want ja ook ik ben ijdel en wil zo min mogelijk rimpels, om vervolgens mijn bed in te stappen. Ha ha, nachtcrème terwijl de dag net begint.

Niet aangeboren hersenletsel

hersenen
Je grenzen aangeven als je in de zorg werkt is soms het moeilijkste van dit werk. Want ja, de mensen waarmee je werkt zijn afhankelijk van je en hebben ook niet gekozen voor het leven wat ze nu leiden. En toch moet je ze die duidelijkheid bieden. Zeker als het gaat om mensen met niet aangeboren hersenletsel. Dan zijn duidelijkheid, structuur en grenzen nodig zodat ze niet iedereen uitproberen of tegen elkaar uitspelen.

Na het avondeten wordt ze naar haar kamer gebracht. De televisie gaat aan en zelf gaan mijn collega en ik eten. In de loop van de avond verzorg ik haar voor de nacht. Pyjama aan, inco af, stuit inspecteren, even een washand er langs, insmeren met sudoccrème, make-up verwijderen. gebit poetsen, sieraden af en nog even een praatje over ditjes en datjes.

Gisteravond had ze de bokkenpruik op. Ik vroeg haar mee te helpen en zei: “Trek jezelf maar goed naar het bedhek toe, dan hoef ik niet zo tegen je aan te duwen.” Andere avonden gaat dit prima, maar nu had ze geen zin. Na een paar pogingen, waarbij ze iedere keer terug op haar rug rolde kreeg ik de sneer: “Wat ben jij voor zuster? Kan jij dan helemaal niks alleen?”

Met de mededeling dat ik over 10 minuten terug zou komen deed ik het laken over haar heen en vertrok ik.

Tien minuten later begon het “feest” opnieuw en kreeg ik te horen welke collega’s die allemaal wel alleen konden. Ik liet haar weten dat ik niet die collega’s was en vertrok weer met de mededeling dat ik na 10 minuten wel weer terug zou komen.

Daarna kwam er een “sorry”, hielp zij mee en kon ik haar eindelijk verder verzorgen.

Zondagmiddag kwam ik weer voor de avonddienst op mijn werk aan en maakte even een praatje met haar. Op een gegeven moment zei zij: “Wilma, ik zei vanmorgen tegen je collega dat ik het gisteravond volgens mij met jou aan de stok had. Ik zei al tegen haar dat ik vanavond maar wat aardiger zou doen.”

“Fijn dat je hier zelf nog even op terugkomt. Weet je wat? Dan doe ik ook aardiger dan komt het vanavond allemaal goed.

Deze avond viel er geen onvertogen woord.