Category Archives: warboel

Onderhandelen in het verpleeghuis

hersenen

Ze is kort geleden bij ons komen wonen. Over zichzelf zegt ze: “Mijn verstand gaat nogal eens met me op de loop”. Dat is niet heel gek als je bedenkt dat ze Niet Aangeboren Hersenletsel heeft. Vaak is ze wispelturig en dwars, wil haar medicatie niet innemen en weigert ook nogal eens haar insuline. Dat is niet handig als je diabeet bent, maar dat inzicht heeft zij niet.

Tijdens de avondmaaltijd was ze beneden omdat ze bezoek had. Tegen een uur of zes besloot ik toch maar eens even een poging te wagen om haar bloedsuiker te controleren. Ik gaf het bezoek een hand en vroeg haar of ik haar bloedsuiker mocht prikken.
“Ja, maar niet waar zij bij zijn”, was haar reactie.

Ik vond dat prima maar sprak wel meteen met haar af dat ze naar boven zou komen als het bezoek vertrokken was.

Een kwartier later kwam zij de huiskamer in en zowaar, ik mocht haar bloedsuiker controleren. Die was erg hoog, zodat zij behalve de gebruikelijke dosering ook nog extra gespoten moest krijgen.

Laat dat nu net niet haar bedoeling zijn. “Nee, jullie altijd met je insuline. Flauwekul allemaal. Ik wil het niet.”
Ik besloot hier verder niet op in te gaan en hervatte mijn werkzaamheden. Af en toe keek ik naar haar en zag dat zij gebogen in haar stoel zat te zuchten.

Ze bleek pijn in haar rug te hebben. “Kan ik misschien iets voor u doen?”

“Ja, mijn rug masseren.”

“Prima, maar dan geef ik u wel eerst de insuline.”

“Oké, doe maar!”

Daarna boog ik me wat onhandig over de rugleuning van haar rolstoel om haar rug zo goed en zo kwaad als het ging te masseren. Heerlijk vond ze het.

 

Advertisements

Elkaar niet kunnen luchten of zien

hersenen

Ze hebben beiden dezelfde voornaam, maar ze kunnen elkaar niet luchten of zien.

Vandaag gingen ze, beiden in hun rolstoel, tegelijk naar beneden. Zonder elkaar een blik waardig te keuren zaten ze te wachten tot de lift kwam. Toen de deur open ging reed de een naar binnen, de ander bleef stug zitten waar hij zat. Hij bleef wachten op de volgende lift.

Toevalligerwijs kwamen ze tegelijk weer boven. Beide liftdeuren gingen open, ze reden samen de gang in en keken elkaar aan. De één bleef bij de lift staan terwijl de ander de afdeling op reed. Hij kwam pas in beweging toen de ander uit het zicht was.

 

Afhankelijkheid en eigen regie

onafhankelijkheid en macht

Het klinkt een beetje tegenstrijdig, afhankelijkheid en eigen regie, maar het gaat echt samen. Is dat gek? Nee hoor, want iedereen wil uiteindelijk baas zijn over zijn eigen leven. Als je echt helemaal afhankelijk bent van het verzorgend en verplegend personeel, dan wil je over het kleine stukje wat je nog kan de regie houden.

Aangeven wat zij wil of juist niet doet zij met een bepaalde blik, een oogopslag, met haar ogen knipperen, opzij kijken, omhoog kijken etc. Gelukkig heeft zij een bril waarop een laserpen bevestigd kan worden. Daarmee kan zij woorden of letters aanwijzen op een kaart zodat wij mee kunnen lezen wat zij precies wil zeggen.

Over het algemeen heb ik alleen ‘s nachts met haar te maken, want ik werk niet op de afdeling waar zij verblijft. Erg goed kennen wij elkaar dan ook niet. Dat vindt zij vervelend, maar ik net zo goed. Zeker in het begin begreep ik echt al die knikjes en blikken niet. Het enige wat er dan opzat was haar de bril met laserpen opzetten zodat zij het op die manier aan mij duidelijk kon maken. Heel vervelend voor haar, want eigenlijk was ze daar te moe voor. Zeker omdat zij soms drie keer per nacht het gevoel heeft dat zij niet lekker ligt.

Nu, een jaar verder, begin ik haar steeds beter te begrijpen en hoef ik niet altijd meer terug te vallen op de laserpen. Haar kussen moet boller in haar hals, het dekbed ligt niet goed, zij wil iets meer naar rechts of naar links, haar handen liggen niet goed, of het raam moet open (of juist dicht). Soms wil ze dat ik haar mond schoonmaak, net als in mijn laatste nachtdienst. Ik pakte het laatste doekje en voordat ik weer bij haar weg ging besloot ik alvast een stapeltje van die doekjes op het nachtkastje neer te leggen. Ik wist dat ze in één van de laden van haar kast lagen, maar in welke la, dat stond me niet meer voor de geest. Uiteraard vond ik ze in de laatste la die ik opendeed. Achter me hoorde ik haar geluiden maken. Waarschijnlijk wilde ze me duidelijk maken welke la ik moest hebben, maar na alle aanwijzingen die ik gehad had besloot ik gewoon verder te zoeken.

Ik legde het stapeltje doekjes op het nachtkastje en zei toen tegen haar: “Niet verder vertellen hoor, maar eigenlijk was ik gewoon heel nieuwsgierig naar wat er allemaal in die laatdes zit.” Het was even een gokje of ze dit grapje kon waarderen. Gelukkig lachte ze naar me en haar duim ging een klein beetje omhoog, ten teken dat het goed was.

Soms is het lastig, al die kleine dingen die net even anders moeten, want het lijkt vaak een kwestie van millimeters. En toch, het is het enige waar ze nog invloed op kan uitoefenen. Het enige waar ze nog de regie over heeft.

Mega pijn

megapijn

Zijn gedrag is veranderd. Hij is sneller dan normaal geïrriteerd en reageert op de kleinste opmerking. Iedereen in de huiskamer moet het ontgelden. Maar ook als ik hem help doe ik weinig of niets goed. Het gaat niet snel genoeg of hij heeft te lang moeten wachten of de volgorde die ik hanteer is niet goed. Hij snauwt en scheldt dat het een lieve lust is. Even denk ik dat het persoonlijk is, dat hij alleen tegen mij zo doet, want ik lees het nergens in rapportages en ik hoor er ook niemand over.

En dan ineens valt bij mij het kwartje als hij zich verontschuldigd voor zijn gedrag. “Pijn is niet fijn”, zegt hij. Ik reageer op dat moment niet, want zelfs bij de meest goed bedoelde vraag ontploft hij.

Na de warme maaltijd loop ik naar hem toe: “Mag ik je een vraag stellen zonder dat je meteen boos wordt?”

Verbaasd kijkt hij me aan en knikt. “Is de pijn erger dan een poos geleden?”

Ja, pijn heeft hij, maar verder gaat hij niet op mijn vraag in.

De volgende ochtend help ik hem na het douchen, wat hij nog altijd zelf doet. “Ik heb echt mega pijn!”, zegt hij.

“Dat dacht ik al daarom vroeg ik je gisteren of de pijn erger is geworden.”

“Hoe weet jij dat, kan je dat aan mijn gezicht zien?”

“Nee, aan je gezicht zie ik het niet, maar ik merk het wel aan je gedrag. Je bent veel sneller boos en kan weinig van anderen hebben.”

“Ik wil het niet, maar door de pijn reageer ik zo, daar kan ik niks aan doen.”

“Misschien had je dit gewoon aan moeten geven, dan had ik in een eerder stadium met de arts over je pijn kunnen praten. Ik ga het voor de artsenvisite opschrijven, zodat zij iets aan je pijnmedicatie kan veranderen.”
Hij is er blij mee en vanaf dat moment verandert zijn gedrag ook weer een beetje. Niet zo snel aangebrand meer en minder gescheld en getier.

Toen ik hem gisteravond, met de passieve lift, naar bed hielp kon ik wel aan zijn gezicht zien dat hij pijn had. Op het moment dat ik de lift van zijn stoel naar het bed reed zei hij: “Ik ga niet schelden, ik ga niet schreeuwen, ik ga niet schelden, ik ga niet schreeuwen.”

Het leek wel een soort mantra.

God is een rotwijf

 

God is een rotwijf

Hij is aan zijn rechterzijde gedeeltelijk verlamd en komt moeizaam de afdeling op in zijn rolstoel. De hele dag gaat hij op en neer, naar beneden naar het rookhok en weer terug. Zo te zien heeft hij haast en inderdaad, hij heeft hulp nodig want hij moet naar de wc.

Ondanks dat ik iemand anders aan het helpen ben pak ik meteen de sta-lift, want het is geen pretje als hij in het zijn broek doet.  Furieus wordt hij als hij dat ding ziet. “Sodemieter op met dat ding, ik moet heel nodig.”
Aangezien hij nauwelijks een sta-functie heeft wordt hij altijd geholpen met de sta-lift. Dat begint al als hij ‘s morgens in de badkamer geholpen wordt.
Ik probeer uit te leggen dat dit de meest praktische manier is om hem te helpen en dit voor mijn lijf ook nog eens de meest vriendelijke manier. Het interesseert hem niet, hij duwt mij met lift en al zijn slaapkamer uit. “Opsodemieteren nu met dat ding, rotwijf.” Er volgt nog een enorme scheldkannonade die ik langs mij heen probeer te laten glijden.

Ik zet de sta-lift weg en loop terug naar zijn slaapkamer om te kijken wat hij aan het doen is. Tot mijn verbazing heeft hij zichzelf het toilet op gesleept, maar zijn broek is nog omhoog. “Help me dan ook gewoon”, schreeuwt hij me toe. “Jullie kunnen ook niks!”
Met veel pijn en moeite duwt hij zichzelf een stukje omhoog zodat ik de broek naar beneden kan doen en zijn inco af kan doen. Het gaat hem allemaal niet snel genoeg en hij wordt steeds bozer.

“Ik ga de sta-lift pakken, want ik help u daar straks mee van het toilet.” Ik doe de band achter zijn rug en haak deze vast aan de lift die ik vervolgens op de rem zet.
“Ik kom over hooguit vijf minuten terug.”Hij gromt wat en ik loop naar de bewoner die ik al eerder aan het helpen was.

Als ik terugkom, nog geen vijf minuten later, ligt hij languit in zijn slaapkamer. Hij heeft kans gezien om de band aan één kan los te haken van de lift en heeft het vervolgens ook nog voor elkaar gekregen om deze een eind opzij te duwen met zijn voet.
“Schiet op, help me in mijn stoel.” Dit kan ik echt niet alleen en ik roep mijn collega er bij. Volgens hem wil ik hem niet alleen helpen. Wil ik iedereen helpen behalve hem en weer begint hij te schelden.
Samen helpen wij hem in zijn stoel. “Mijn broek moet nog omhoog!” Ik pak de sta-lift uit de badkamer en laat hem daarin staan zodat ik zijn broek goed kan doen.

Als hij weer zit vraagt hij poeslief om een paar peuken. Ik ga ze halen, ben te boos om nu een gesprek met hem aan te gaan.

Na het roken komt hij weer naar boven, vraagt of hij gewoon naar bed kan gaan. Dat doet hij zelf door zich vanuit zijn rolstoel op zijn bed te hijsen en zichzelf op te trekken naar het hoofdeind. Ik laat weten dat dit prima is, dat ik alleen zijn ogen nog kom druppelen. Hij begint alweer te schelden dat hij daar dan zeker weer een uur op moet wachten. “Over vijf minuten ben ik bij u.”

Weer bij hem ga ik het gesprek met hem aan en laat hem weten dat ik niet gediend ben van zijn scheldpartijen. “Ik begrijp dat u boos bent, maar ik ben hier om u te helpen, niet om uitgescholden te worden. Aan de situatie waarin u zit kan ik weinig doen, ik kan het voor alleen maar zo aangenaam mogelijk maken door u te helpen bij wat u niet kan.”

“Ik schold ook niet op jou, maar op God”, is zijn antwoord. Ik kan het nalaten en zeg: “Wel raar dat u God een rotwijf noemt”.

 

Het oog

Het oog

Hij heeft al een paar dagen een rood oog. Aanvankelijk alleen het oogwit. Dat zakte wat af, maar toen werd de huid om het oog heen rood en dik. En nee, hij wilde zijn gezicht niet wassen en ik mocht het ook niet doen. Zelfs niet als ik heel voorzichtig deed.

Ik besloot de verantwoordelijk verpleegkundige te bellen, zodat zij even mee kon kijken. Het was druk, dus het kon wel even duren voordat ze kwam. In de tussentijd ging hij toch maar naar beneden naar de rookruimte. Hij was dan ook niet op de afdeling toen zij kwam en we besloten samen naar beneden te gaan.

“U heeft een rood oog. Heeft u er last van als u kijkt?”

Nee, dat had hij niet.

“Doet het zeer?”

Nee, het deed ook niet zeer.

“Maar vanmorgen wilde u niet uw gezicht wassen omdat dat wel pijnlijk is.”
Ja, dat klopte, toen had hij zijn hoofd terug getrokken.

“U heeft er dus toch last van?”

“Ja, vooral van haar omdat ze zo bezorgd is!”, zei hij terwijl hij naar mij wees.

 

MS

87922c24852f6a0262925ff6be52351e--multiple-sclerose-my-dad

Wat een rare vraag. Natuurlijk leef ik niet het leven dat ik, binnen de mogelijkheden mijn beperkingen, zou willen leven. En natuurlijk helpen ze mij daar hier niet bij. Hoe zouden ze dat kunnen? Ik wil hier niet zijn en kijk me nu zitten in mijn rolstoel tussen al deze ‘rare’ mensen.

Voordat ik hier kwam woonde ik zelfstandig. Oké, ik kon niet alles en viel ook regelmatig maar ik hoefde in ieder geval niet overal om te vragen. Als ik moet plassen hou ik het zo lang mogelijk op, zodat ik niet te vaak om hulp bij de toiletgang hoef te vragen. Maar ja, als ik dan te lang moet wachten omdat de zuster net even bij iemand anders is doe ik het wel bijna in mijn broek.

Als ik op het balkon wil roken moet ik eerst bellen, want ik kan zelf niet met mijn rolstoel over de drempel heen. Die kracht heb ik niet.

Of ik iemand deze organisatie zou aanbevelen? Ook weer zo’n rare vraag. O, ze bedoelt iemand als mijn 82 jarige vriendin die pas geleden overleden is. Tja, dat hangt er van af wat zij voor zorg nodig zou hebben gehad. Volgens mij maakt het dan ook niet meer uit in welk verpleeghuis je terecht komt. Het wordt toch nooit meer zoals het was.

Kort door de bocht

Kort door de bocht

Nou, daar zit ik dan, in een verpleeghuis. Ik denk niet dat ik hier aan wennen kan, bovendien ben ik nog veel te jong. Ik weet dat ik MS heb en ook dat het stom is dat ik gevallen ben waardoor ik moest revalideren. En nu ben ik uitgerevalideerd, maar terug naar huis kan ik niet.

Zo te zien is er vandaag weer een zuster die ik nog niet ken. Dat houdt ook nooit op, lijkt wel. Ze is met de medicijnen bezig en zegt: “O, u krijgt niets, zie ik”. Nee, natuurlijk niet, ik slik gewoon niks, alleen paracetamol als ik veel pijn heb. O ja, en vitamine D3, maar dat hoeft maar een keer in de week.

Ja hoor, nu gaat die man aan de andere kant van de tafel zich er ook nog mee bemoeien: “Jij slikt helemaal geen medicijnen? Dan hoef je hier ook niet te wonen, dan kan je gewoon weer naar huis.”

 

 

Bang, boos of allebei?

bang, boos of allebei

We hebben twee terminale cliënten op de afdeling. Beiden zijn hier tijdelijk tot er een plekje vrij komt op een palliatieve afdeling. De één, hij is van mijn leeftijd, is er rustig onder. Hij wil bij de eerste controleronde een flesje nutridrink en een kan water met ijsblokjes. Verder geen controles ‘s nachts.

De ander is stukken ouder en is er duidelijk niet aan toe dat hij dood gaat. Hij is boos, is in nood en heeft hulp nodig. Tijdens de eerste nacht belt hij regelmatig. “Ik ben in nood, ik heb hulp nodig en jullie doen niks. Jullie laten me gewoon dood gaan”, is zijn klacht. Daar komt bij dat hij vindt dat ik niet snel genoeg op zijn bel reageerde. Ik doe een poging om uit te leggen dat ik bij iemand anders was en daar niet meteen weg kon. “Ja, jullie hebben voor iedereen tijd, behalve voor mij. Ga maar weg, laat mij maar gewoon dood gaan.”

Ik vraag hem of hij een glaasje warme melk wil zodat hij daarna misschien even kan slapen. Dat wil hij wel en dankbaar drinkt hij het glas leeg. Daarna overleg ik of het misschien beter is om het licht uit te doen. “Doe maar.”

Hij slaapt inderdaad van drie uur tot een uur of vijf. Daarna begint het bellen iedere tien minuten. “Ik heb hulp nodig!” Ik vraag hem wat ik voor hem kan doen. “Dat moet u mij niet vragen. U bent de expert. Ga ook maar weg, laat mij maar gewoon dood gaan.” Hij draait zich van mij af en contact krijg ik niet met hem.

Toevalligerwijs heb ik de E-learning “Palliatieve zorg” net afgerond, maar met alle tips die ik daar tegenkwam kan ik met deze man helemaal niets. Hij wordt bij alles wat ik zeg boos en ik voel me eigenlijk best een beetje tekortschieten. Iets wat niet hoeft, want ik had van collega’s ook al begrepen dat het allemaal niet makkelijk verloopt met deze cliënt.

Op een gegeven moment hoor ik hem hard praten en reageert er een vrouwenstem. Ik loop naar zijn kamer en kijk tegen wie hij praat. Er is niemand, hij telefoneert en is ook boos op degene die hij aan de lijn heeft. “Laat dan maar, niemand wil mij helpen. Laat mij maar gewoon doodgaan” en ik zie dat hij zijn telefoon van zich af gooit.

Als ik weer naar hem toe ga neem ik een kalmerend tabletje mee, dat gaat z’n werk wel doen, maar niet meteen. Hij bleek een vriendin te hebben gebeld om te vragen of zij z’n zoon wilde bellen. Zij vond het daar nog wat vroeg voor en daar was ik het wel mee eens. Hij duidelijk niet, want door niet zijn zoon voor hem te bellen begon hij “Brand! Brand!” te roepen. Het uiteindelijke resultaat was dat ik zijn zoon belde en toen ik naar huis mocht kwam deze de afdeling op hollen. Zijn vader had hem gebeld, en was in nood. Ik heb even met zijn zoon staan praten en even een en ander uitgelegd. Daar werd zijn zoon gelukkig wat rustiger door.

De tweede nacht begon deze cliënt meteen met bellen. Zo’n vier keer in een half uur. Ik was nog maar net binnen en reageerde direct op zijn bellen. “Goh, u bent er al” reageerde hij verbaasd. Weer wilde hij hulp en weer kon hij niet aangeven waarmee. Ik probeerde zijn hand vast te pakken en wilde gewoon even bij hem blijven. Daar was hij duidelijk niet van gediend. “Rotwijf, je bent al net zo erg als de rest”. Ik had werkelijk geen idee wat ik met hem aanmoest. Hij zag er nogal verhit uit, maar ik had begrepen dat hij het nogal snel koud had. “Zo te zien heeft u het warm, zal ik het raam een stukje open zetten?” Het mocht en daarna heb ik hem de hele nacht niet meer gehoord. Af en toe liep ik bij hem naar binnen, maar hij lag heerlijk te slapen.

Zou dat gewoon het hele probleem zijn geweest? Had hij het gewoon te warm en kon hij dat niet meer uitleggen? Ik zal het nooit weten, want de volgende dag wordt hij overgeplaatst.

De verkeerde pet

Pet

Tussen de middag wordt er warm gegeten en één van de bewoners zit erg onsmakelijk te eten. Hij hoest voortdurend, geeft een hoop slijm op en vraag om een bak. Die geef ik hem en vraag hem naar zijn kamer te gaan om daar verder te eten. Dit is ook de afspraak die wij met hem hebben gemaakt.

Hij wordt boos. “Ik bepaal zelf wel of ik naar mijn kamer ga” en maakt geen aanstalten om op te staan.

Ik loop naar hem toe, zet zijn rollator bij zijn stoel en laat weten dat hij gewoon met me mee moet gaan. De kom met het opgegeven slijm zet ik op zijn rollator. Hij loopt mee, maar vindt me behoorlijk onbeschoft. Tja, meestal vindt hij me een lieve zuster, behalve op dit soort momenten.

Weer terug in de huiskamer zegt één van de bewoners: “Zijn pet staat zeker verkeerd”.

Terwijl ik een andere bewoner help met het innemen van zijn medicijnen laat ik weten dat mijn pet inmiddels ook verkeerd staat. Waarop de bewoner die ik aan het helpen ben een giechelbui krijgt en al giebelend zegt: “En je hebt niet eens een pet op.”

Plechtig beloof ik dat ik volgende keer mijn pet mee zal nemen. Dan kan iedereen aan de stand van de pet zien hoe het met mijn humeur gesteld is.