Category Archives: warboel

Flintstone

Flintstone

Hij wilde mij iets vragen maar wist ineens mijn naam niet meer. Na een beetje geschutter en gemompel wat ik niet helemaal verstond riep hij ineens:

“Yabba-Dabba-Do!”

Meteen daarna wist hij ook mijn naam weer.

Advertisements

Boos

boos

Hij moppert dat het een lieve lust is als ik hem naar bed help. Hij wil een dokter zien en spreken.

“Vanwege uw voet?”

“Ja, waarom anders? Die kut-dokter praat alleen maar met jullie terwijl ik met die poot zit. Stuurt ze me naar dat ziekenhuis in Harderwijk, nou daar was het een puinhoop.”

“Daar hadden ze u wel kunnen helpen, maar u wilde niet blijven.”

“Nee, niet in de rotzooi daar. Maar ik wil die kut-dokter nu wel eens zelf zien.”

“Die “kut-dokter”, zoals u haar noemt die werkt hier niet meer. We hebben nu een “meneer dokter” en die kan u niet zó noemen. Maandag is er artsenvisite, ik schrijf u op de lijst, meer kan ik u nu niet beloven. Soms praat een arts inderdaad met ons. Wij zijn de ogen van de arts, om het maar zo te noemen.”
“Nou, dan hebben jullie geen goede ogen.”
“Nee, ik had vast mijn verkeerde bril op.”

Gelukkig kan hij daar een klein beetje om lachen.

Ik denk er later nog eens over na en zie wel in dat hij gelijk heeft. Vaak zien onze bewoners helemaal geen arts en als er een arts komt herkennen ze die persoon vaak niet als arts. Geen witte jas en zo, meestal vrouwen en vaak ook nog eens heel jong. Nu hebben we een mannelijke arts die al wat ouder is.

Misschien moet een arts standaard een stethoscoop om zijn nek hangen. Dat deed de verpleeghuisarts in Purmerend en dat was vast niet omdat hij dat interessant vond staan.

Ik vertel het verhaal thuis aan mijn man die vervolgens in de lach schiet. Een kut-dokter is een gynaecoloog. Die heeft ook helemaal geen verstand van voeten.

Huh?

huh

“Zuster, ligt mijn wandelstok in jullie keuken? Ik heb ‘m op tafel gelegd tijdens het eten en nu is ‘ie verdwenen. Zal wel gestolen zijn, gelijk met m’n portefeuille.”

“Als ik dit opgeruimd heb zal ik even voor u kijken.”

“Nee, uw wandelstok ligt niet in onze keuken.”

“Weet u het zeker, want tijdens het eten lag ‘ie nog op tafel”.

“Hij ligt er echt niet, maar ik wil straks wel even helpen zoeken hoor.”

“Nee, dat hoeft niet, want we hebben er vandaag al vier uur lang naar gezocht. Zelfs mijn zoon kon ‘m niet vinden.”

“Was u zoon vandaag bij u op bezoek. Wat fijn voor u.”

“Nee, hij was hier gisteren.”

“O.”

“De enige plek waar mijn stok zou kunnen liggen is onder het bed. Maar daar wilde niemand kijken.”

“Dan doe ik dat toch even”.

Ik zak op mijn knieën en ja hoor, helemaal tegen de muur lag de wandelstok. Nadat ik weer overeind was gekomen haalde ik het bed van de rem en reed het iets opzij zodat ik bij de wandelstok kon.

“Kijk, hier is uw wandelstok.”

“Waar heb je die gevonden?”

“Achter u bed. Hij was dus niet gestolen. Gelukkig maar.”

“Ik heb helemaal niet gezegd dat ‘ie gestolen was.”

Uh…………………………..en nee, een dank je wel voor mijn moeite kon er niet meer af.

Poepend rijk worden

Poepend rijk

Vooral moe was ik op nieuwjaarsdag. Het viel niet mee om na oudjaarsavond om 5.30 uur op te staan om vervolgens om 7.00 op mijn werk te beginnen.

Gelukkig hadden we een goede bezetting waardoor er gewoon aandacht aan de bewoners besteed kon worden. Na onze eigen lunch werd het tijd voor de warme maaltijd van de bewoners. Inmiddels was bij mij de “meligheid” toegeslagen. Gewoon doordat ik zo moe was. Vier dagen een vroege dienst en dan die jaarwisseling tussendoor hakten er bij mij goed in.

Ik zat bij de bewoners aan tafel toen zij aan hun toetje toe waren. Feestelijke toetjes met een laagje witte chocolade er om heen dat versierd was met en soort pareltjes. En juist die pareltjes gingen met mijn “meligheid” aan de haal.

“Wel die pareltjes opeten hoor. Dan groeit er een parelboom in onze buik en gaan we parteltjes poepen die we op de markt kunnen verkopen. Dan worden we poepend rijk.

Ook deze keer had ik eerst even opzij gekeken of haar mond wel leeg was, want een lachbui waarbij het toetje over tafel sproeit leek me wat rommelig worden. Haar mond was leefg en ze kreeg een enorme lachbui. De andere bewoners overigens ook. Kijk, daar is die “meligheid” dan weer goed voor.

Flauwekul

flauwekul

Er zijn van die momenten dat ik gewoon even melig moet doen op mijn werk. Gewoon om de lol er in te houden.

Hij had gisteren zijn bad-dag. Voor hem hoefde het niet zo nodig, ik mocht hem ook op bed wassen. Maar ja, hij begreep wel dat als hij in bad zat ik verder niet zo veel hoefde te doen. Ach tja, wat is “niet zo veel doen” in de zorg. Volgens mij moet dat nog uitgevonden worden.

We gingen op pad. Hij in het bed en ik er achter om het bed door de gang naar de grote badkamer te rijden. Daar liet ik het bad vollopen terwijl ik hem hielp met uitkleden. Vervolgens moest hij draaien zodat ik de tilmat voor de passieve lift onder hem kon schuiven. Toen hij eenmaal in de lift hing moest ik de lift verplaatsen tot boven het bad. Daarna kon ik hem laten zakken. Daar zat hij, prinsheerlijk in het schuim. Hij zou bellen als hij klaar was. Dat betekent dat ik dan terug moet snellen om de kraan dicht te draaien zodat er geen overstroming plaatsvindt.

Toen hij tien minuten later belde trok ik even een sprintje. Kraan dicht draaien, stop uit het bad halen anders schiet het nog niet op. De tilmat ergens onder hem vandaan halen om hem weer aan de passieve lift te kunnen vasthaken. Dan weer terug op bed en zorgen dat hij afgedroogd werd. Deken over hem heen en weer met het bed de gang over om hem vervolgens in zijn kamer aan te kleden.

(Hoe bedoelt u dat ik niks hoef te doen als hij in bad gaat?)

Tussen de middag aan tafel was ik melig van al het geren en gevlieg. Ik moest bij hem de insuline injecteren. Zo ergens rond de navel. Hij deed zijn overhemd omhoog en ik viste zijn onderhemd uit zijn lange broek. Nu is hij nogal omvangrijk dus riep ik quasi paniekerig: “Waar is je navel gebleven. O God nee toch? Niet te vinden. Waarschijnlijk weg gespoeld met het badwater. Dan moet ik straks het riool in om die navel van je te zoeken. O nee, toch niet, ik heb ‘m al gevonden.”

Voordat ik al deze onzin uitkraamde had ik wel even gekeken of zijn overbuurvrouw niet net haar mond vol eten had, want zij krijgt op dit soort momenten bijna de slappe lach. Ik zou toch niet willen dat zij zich door mijn meligheid verslikt.

Zijn achterlijke zus

Niet aangeboren hersenletsel

Hij is een paar dagen naar een ander deel van het land geweest om de begrafenis van zijn moeder te regelen. Hondderddrie jaar is zij geworden.

Ik condoleer hem en vraag of het een mooie rouwplechtigheid is geweest. Hij knikt wat en vertelt dan dat hij een achterlijke zus heeft en dat het haar schuld is dat zijn moeder dood is.

Het valt mij op dat hij het heeft over zijn moeder, net alsof het niet de moeder van zijn zus is.

“Die achterlijke zus van mij vond het nodig dat mijn moeder naar een verpleeghuis ging. Dat is nu vier weken geleden. Ze ging daar hard achteruit en nu is ze dood.”

Hier weet ik niet goed op te reageren, dus hum ik alleen maar iets.

Wat vind ik hier nu eigenlijk van? Ooit werd mij door een familielid van mijzelf verweten dat ik het verkeerde beroep had gekozen omdat ik vind dat mensen ook de mogelijkheid moeten krijgen om waardig te sterven. Dat het leven niet altijd eindeloos gerekt hoeft te worden.

“Jullie in de zorg, moeten gewoon beter voor de mensen zorgen”  was vervolgens wat ik te horen kreeg.

Toch sta ik pal achter mijn mening. Zorgen voor een waardig einde is ook zorgen voor.

De biecht

biecht

Dagelijks, soms wel twee keer, bezoekt ze haar man. Ze vroeg me of ik haar kon helpen, want ze had een berichtje ontvangen op haar telefoon, maar wist niet hoe ze dat moest openen.

Het bleek een herinnering te zijn voor het controle in het ziekenhuis.
“Wat gek, die dokter zei dat ik niet meer terug hoefde te komen.”

Ik schreef de datum en tijd en het telefoonnummer voor haar op, zodat ze de afspraak af kon zeggen. Daarna schreef ik voor haar op hoe zij berichtjes kan openen en verwijderen.

“Ik ga thuis meteen bellen.”
“Het is zondag vandaag.”

“Is het zondag? Dan kan ik beter morgen bellen. Alle dagen lijken ook op elkaar tegenwoordig.”
“Ben je niet naar de kerk geweest vandaag?”

Nee, daar kwam ze al jaren niet meer. Vroeger wel, elke ochtend voordat ze naar school ging werd ze door haar vader naar de mis gestuurd. Op zondag kreeg ze drie centen mee voor de collectes. Ze nam dan ook nog drie knopen mee, die gingen in de collectezakken, terwijl ze de centen bewaarde. Daar kocht ze toverballen voor.

“O jee, voelde je je niet schuldig?”

“Nee hoor, ik ging toch gewoon biechten. Dan kreeg ik absolutie en drie weesgegroetjes mee. Dan was het weer goed.”

“Ja, en dan kon je weer gewoon doorgaan met die knopen.”

“Ja, idioot eigenlijk hè?”

Tegenwoordig gaat ze niet meer naar de kerk. Haar zonden biecht ze aan zichzelf op waarna ze absolutie krijgt. Ook van zichzelf.

“En verder vergeet ik tegenwoordig toch al gauw wat ik misdaan heb. Dat is het voordeel van ouder worden.”

 

Twee plassers

twee plassers

De werkdruk is hoog bij ons in het verpleeghuis. Volop vakantietijd, dus collega’s die heerlijk van hun vrije tijd aan het genieten zijn. Het is ze van harte gegund, zelf heb ik ook van mijn vakantie genoten.

Helaas zijn er ook in deze tijd ziekmeldingen en dan ontstaat er een soort paniek, want hoe ga je dit oplossen. De bezetting hangt van kunst- en vliegwerk aan elkaar en soms dicht je het ene gat met het andere. Zo was het gat van zondagavond opgelost met een gat op maandag.

Het was na het weekend dus ook op maandag druk, druk en nog een druk. Zó druk dat we er met elkaar hartstikke melig van werden. Dat is dan wel weer een bijzonder fenomeen, want we kregen wat keren de slappe lach om gewoon helemaal niets en dat begon al tijdens de overdracht.

Ik was die maandag een soort vliegende kiep en pendelde heen en weer tussen twee afdelingen. Na het middageten vroeg ik aan een collega wat er nog gedaan moest worden.

“Ik heb er twee die naar bed geholpen moeten worden en ik heb twee plassers.”

“Bijzonder. De meeste mannen hebben maar één plasser en hebt er twee en je bent nog een vrouw ook”

 

Eigenwijs

Silhouette head with puzzle pieces on white background.
Silhouette head with puzzle pieces on white background.

Hij zit met zijn rolstoel bijna in de deuropening van zijn kamer als hij mij roept.

“Die nieuwe rolstoel doet het niet. Hij wil niet voor of achteruit!”

“U zit met uw rugleuning klem onder het blad van uw nachtkastje.”

Ik verhelp het probleem door het blad iets op te tillen en zijn stoel te verplaatsen.

“Dat kan helemaal niet. Ik heb de hele tijd voor het raam gezeten.”

Het gat

het gat

Ze moest al om 7.45 uur klaar zitten in de hal, want om 8.00 uur had ze een afspraak in het ziekenhuis. Niets ernstigs hoor, gewoon een controlebezoekje. Maar ja……………ze is nooit zo van het vroege wakker worden.

Met een verhaal over de huifkartocht die we binnenkort gaan maken met mijn hele familie had ik haar geholpen met wassen en aankleden. Afgeleid als ze hier door was zat ze voordat ze het wist in haar stoel. Ze trok zo’n blik alsof ze de zeggen: “Hoe is dit me nu toch overkomen?”

Later die ochtend vroeg ik haar of alles goed was in het ziekenhuis. Met een heel bedenkelijk gezicht zei ze: “Nee”. En na enige aarzeling kwam er achteraan: “Ik heb een gat in mijn broek en dat kan niet meer gemaakt worden”.

Ik hield mijn gezicht in de plooi en beaamde haar gevoel dat dit niet fijn was.

Na de middagmaaltijd bracht ik haar naar haar kamer. Ik pakte het urinaal om haar catheterzak te legen. Terwijl ik daarmee bezig was zag ik dat er een naadje los zat aan de pijp van haar broek.