Category Archives: warboel

Paniek in de tent

paniek

Luidruchtig komt ze de huiskamer binnen. Ze duwt hard tegen de wielen van haar rolstoel en heeft dan flink de vaart in. 

“Zuster, mijn tas is gestolen. Ik heb ‘m aan tafel al die tijd op schoot gehad en nu is ‘ie weg.”

Ik bedenk nuchter dat het wat merkwaardig is dat zo’n tas gewoon van je schoot gestolen wordt, maar zeg dit uiteraard niet. Nee, ik kan beter even helpen zoeken. Misschien heeft ze ‘m even op een ongebruikelijke plek neergezet.

In haar kamer is de tas niet te vinden. Ik kijk zelfs, op haar verzoek, onder haar kussen. Ook de badkamer wordt geïnspecteerd, want misschien staat de tas wel achter de wc of in het badkamerkastje. Maar nee, de tas is er echt niet.

De paniek slaat toe, ze wordt nog luidruchtiger dan ze al was en vervolgens krijgt mijn collega de schuld. Die heeft haar steunkousen net bij haar uitgetrokken en was dus in haar kamer. “Zij heeft hem natuurlijk verstopt.”

Omdat ik haar, toen ik het verpleeghuis binnen liep, beneden heb zien zitten loop ik naar het restaurant. Misschien is de tas daar gevonden. Ook al niet.

Mijn collega hebben geen flauw idee waar haar tas gebleven is. Mevrouw zelf is nog steeds in alle staten en beschuldigt “Jan en alleman” van diefstal.
“Ik ga de politie er bij halen” roept ze met haar wat harde kijvende stem als ze richting de keuken rijdt waar wij de afwas wegwerken. Ja, met de hand, want de vaatwasser was vrijdag kapot gegaan. Zodoende moest er het hele weekend met de hand afgewassen worden. Dat is een hoop serviesgoed van vijftien bewoners.

“Misschien zit u op uw tas”, opper ik.
“Dat kan toch niet, dat zou ik dan toch moeten voelen!”. Woest is ze dat ik zoiets durf te zeggen.

“Wilt u misschien toch even opstaan.”

Zij komt half overeind en ik vis de tas van de zitting van haar rolstoel.

“Hoe heb ik dat nu kunnen doen?” jammert ze en begint vreselijk te huilen.

Terwijl ik de afwas verder wegwerk loopt mijn collega met haar mee om haar weer tot bedaren te brengen.

De enige andere bewoner die nog in de huiskamer zit kan niet praten, maar heeft het hele voorval gevolgd. Ik zie aan zijn ogen dat hij er om lachen moet. Ik loop even naar hem toe en zeg: Dat is me toch ook wat hè? Zo beleven we tenminste nog eens iets.

Advertisements

Knoiteren

 

Een beetje raar woord denk je misschien. Valt mee hoor, het is afgeleid van het Nederlandse woord kneuteren.

66288266_2329182923814017_6881575839226396672_n

Hoe lastig is het om aan niet-kampeerders uit te leggen waarom wij kamperen zo leuk vinden? Het is gewoon het buiten zijn, maar zeker ook het kneuteren wat ik meteen verbasterde tot “knoiteren”. Zo klonk het goed Oostenrijks en we hebben wat afgeknoiterd. Overigens niet meteen hoor. Onderweg naar Oostenrijk hadden we stralend mooi weer. De thermometer in de auto gaf 30° graden aan. Hoe dichter we bij plaats van bestemming kwamen hoe meer de lucht betrok. En ja hoor, op het moment dat we Oostenrijk binnen reden werd de lucht alleen nog maar donkerder.

We kregen een campingplek toegewezen en razendsnel legden we het grondzeil neer. Hup, de tent uitrollen en uitvouwen zodat die voor de bui zou staan. Nou, niks hoor. Het begon te spetteren terwijl wij pogingen deden om  de tentstokken door de bogen te krijgen. Als je haast hebt gaat er niets goed, dus ook dit niet. Er is ook niet voor niets de uitspraak “Heb je haast maak een omweg”. Helaas was die mogelijkheid er niet. Er moest gewerkt worden. Het ging steeds harder regenen en uiteindelijk besloten we in de auto te wachten tot het minder hard zou gaan regenen.  Maar lieve help! Dat kon helemaal niet, want er ontstonden plassen op de tent die nog steeds op het grondzeil lag. Toch maar weer de auto uit en aan het werk. Alle stokken door de bogen en toen kregen we tot overmaat van ramp de tent niet overeind. Dapper zetten we door en eindelijk, ja eindelijk stond de tent overeind. Inmiddels goot het pijpenstelen. Mijn lief vond dat ik beter in de auto kon gaan zitten dan zou hij de haringen in de grond slaan. Hij verdween aan de andere kant van de tent toen het ook nog eens begon te onweren. Een beetje ongelukkig zat ik me in de auto totaal overbodig te voelen. De donder kwam en ging. Gelukkig bliksemde het niet.

Toen alle haringen in de grond geslagen waren ging mijn lief, tot op de draad nat, ook in de auto zitten. “Kamperen? Nooit meer!” zeiden we tegen elkaar. Dat gevoel was net zo snel verdwenen als het opgekomen was toen het stopte met regenen. We sleepten de spullen de tent in, haalden droge kleding uit onze tassen en hebben ons omgekleed voordat we een hapje gingen eten bij het restaurantje vlak bij de receptie.

Na dit avontuur hebben we alle dagen het schitterendste weer van de wereld gehad en eindelijk konden we “knoiteren”.

66384722_2329183950480581_6680935651719774208_n

Maar wat is dat “knoiteren” dan precies? Nou gewoon, een beetje koffie drinken voor je tent. Eerst water halen bij het kraantje verderop, dan het campinggas aan en als het water kookt lekker koffie zetten. Plannen maken voor die dag en een beetje lezen in onze E-reader. Lekker wandelen in de bergen, af en toe compleet buiten adem en met een op hol geslagen hart, maar dat mag de pret niet drukken. Op de terugweg naar de supermarkt om boodschappen te doen voor het avondeten. Daarna begint het “knoiteren” pas echt, want ik vind niets zo leuk als een maaltijd bereiden op één gaspit. En werkelijk, dat lukt echt iedere keer weer. Soms deden we het vlees op de barbecue en werd de rest op die éne gaspit klaargemaakt.

En wat denk je van het ritueel wanneer je naar bed gaat. Eerst met je tandenborstel naar het sanitairgebouw om je tanden te poetsen. Nog even plassen en dan terug naar je tent. Rits achter je dicht, dan de rits van de slaaptent open en natuurlijk weer dicht. Slaapzak open ritsen en weer dichtritsen. Ja, die ritsen open en dicht doen is het summum van “knoiteren”.

Je begrijp het al. Het valt gewoon niet uit te leggen waarom kamperen zo leuk is, behalve wanneer je zelf ook van kamperen houdt. Die mensen hoef je niets meer uit te leggen. Die begrijpen het zonder al die uitleg ook wel.

 

 

 

 

 

 

Het gesprek

niet aangeboren hersenletsel.1

We weten nooit in wat voor humeur we hem zullen aantreffen. Daarnaast is het maar afwachten of hij mee wil werken of dat hij het douchen maar flauwekul vindt. 

Hij heeft zijn ontbijt op en ik wens hem goedemorgen.

“Ik zal je gordijnen even open doen.”

“Hé, daar lopen mensen. Jij bent ook een mens.”

“Ja, dat klopt. Jij ook.”

“Ja, maar ik ben ook loodgieter, geen klootgieter.”

“Zo is dat. Wil je douchen?”

“Nee hoor, ik ben toch schoon.”

Ik hoor het al, ik kan hem beter nog even met rust laten.

 

Boos

boos

Hij moppert dat het een lieve lust is als ik hem naar bed help. Hij wil een dokter zien en spreken.

“Vanwege uw voet?”

“Ja, waarom anders? Die kut-dokter praat alleen maar met jullie terwijl ik met die poot zit. Stuurt ze me naar dat ziekenhuis in Harderwijk, nou daar was het een puinhoop.”

“Daar hadden ze u wel kunnen helpen, maar u wilde niet blijven.”

“Nee, niet in de rotzooi daar. Maar ik wil die kut-dokter nu wel eens zelf zien.”

“Die “kut-dokter”, zoals u haar noemt die werkt hier niet meer. We hebben nu een “meneer dokter” en die kan u niet zó noemen. Maandag is er artsenvisite, ik schrijf u op de lijst, meer kan ik u nu niet beloven. Soms praat een arts inderdaad met ons. Wij zijn de ogen van de arts, om het maar zo te noemen.”
“Nou, dan hebben jullie geen goede ogen.”
“Nee, ik had vast mijn verkeerde bril op.”

Gelukkig kan hij daar een klein beetje om lachen.

Ik denk er later nog eens over na en zie wel in dat hij gelijk heeft. Vaak zien onze bewoners helemaal geen arts en als er een arts komt herkennen ze die persoon vaak niet als arts. Geen witte jas en zo, meestal vrouwen en vaak ook nog eens heel jong. Nu hebben we een mannelijke arts die al wat ouder is.

Misschien moet een arts standaard een stethoscoop om zijn nek hangen. Dat deed de verpleeghuisarts in Purmerend en dat was vast niet omdat hij dat interessant vond staan.

Ik vertel het verhaal thuis aan mijn man die vervolgens in de lach schiet. Een kut-dokter is een gynaecoloog. Die heeft ook helemaal geen verstand van voeten.

Huh?

huh

“Zuster, ligt mijn wandelstok in jullie keuken? Ik heb ‘m op tafel gelegd tijdens het eten en nu is ‘ie verdwenen. Zal wel gestolen zijn, gelijk met m’n portefeuille.”

“Als ik dit opgeruimd heb zal ik even voor u kijken.”

“Nee, uw wandelstok ligt niet in onze keuken.”

“Weet u het zeker, want tijdens het eten lag ‘ie nog op tafel”.

“Hij ligt er echt niet, maar ik wil straks wel even helpen zoeken hoor.”

“Nee, dat hoeft niet, want we hebben er vandaag al vier uur lang naar gezocht. Zelfs mijn zoon kon ‘m niet vinden.”

“Was u zoon vandaag bij u op bezoek. Wat fijn voor u.”

“Nee, hij was hier gisteren.”

“O.”

“De enige plek waar mijn stok zou kunnen liggen is onder het bed. Maar daar wilde niemand kijken.”

“Dan doe ik dat toch even”.

Ik zak op mijn knieën en ja hoor, helemaal tegen de muur lag de wandelstok. Nadat ik weer overeind was gekomen haalde ik het bed van de rem en reed het iets opzij zodat ik bij de wandelstok kon.

“Kijk, hier is uw wandelstok.”

“Waar heb je die gevonden?”

“Achter u bed. Hij was dus niet gestolen. Gelukkig maar.”

“Ik heb helemaal niet gezegd dat ‘ie gestolen was.”

Uh…………………………..en nee, een dank je wel voor mijn moeite kon er niet meer af.

Poepend rijk worden

Poepend rijk

Vooral moe was ik op nieuwjaarsdag. Het viel niet mee om na oudjaarsavond om 5.30 uur op te staan om vervolgens om 7.00 op mijn werk te beginnen.

Gelukkig hadden we een goede bezetting waardoor er gewoon aandacht aan de bewoners besteed kon worden. Na onze eigen lunch werd het tijd voor de warme maaltijd van de bewoners. Inmiddels was bij mij de “meligheid” toegeslagen. Gewoon doordat ik zo moe was. Vier dagen een vroege dienst en dan die jaarwisseling tussendoor hakten er bij mij goed in.

Ik zat bij de bewoners aan tafel toen zij aan hun toetje toe waren. Feestelijke toetjes met een laagje witte chocolade er om heen dat versierd was met en soort pareltjes. En juist die pareltjes gingen met mijn “meligheid” aan de haal.

“Wel die pareltjes opeten hoor. Dan groeit er een parelboom in onze buik en gaan we parteltjes poepen die we op de markt kunnen verkopen. Dan worden we poepend rijk.

Ook deze keer had ik eerst even opzij gekeken of haar mond wel leeg was, want een lachbui waarbij het toetje over tafel sproeit leek me wat rommelig worden. Haar mond was leefg en ze kreeg een enorme lachbui. De andere bewoners overigens ook. Kijk, daar is die “meligheid” dan weer goed voor.

Flauwekul

flauwekul

Er zijn van die momenten dat ik gewoon even melig moet doen op mijn werk. Gewoon om de lol er in te houden.

Hij had gisteren zijn bad-dag. Voor hem hoefde het niet zo nodig, ik mocht hem ook op bed wassen. Maar ja, hij begreep wel dat als hij in bad zat ik verder niet zo veel hoefde te doen. Ach tja, wat is “niet zo veel doen” in de zorg. Volgens mij moet dat nog uitgevonden worden.

We gingen op pad. Hij in het bed en ik er achter om het bed door de gang naar de grote badkamer te rijden. Daar liet ik het bad vollopen terwijl ik hem hielp met uitkleden. Vervolgens moest hij draaien zodat ik de tilmat voor de passieve lift onder hem kon schuiven. Toen hij eenmaal in de lift hing moest ik de lift verplaatsen tot boven het bad. Daarna kon ik hem laten zakken. Daar zat hij, prinsheerlijk in het schuim. Hij zou bellen als hij klaar was. Dat betekent dat ik dan terug moet snellen om de kraan dicht te draaien zodat er geen overstroming plaatsvindt.

Toen hij tien minuten later belde trok ik even een sprintje. Kraan dicht draaien, stop uit het bad halen anders schiet het nog niet op. De tilmat ergens onder hem vandaan halen om hem weer aan de passieve lift te kunnen vasthaken. Dan weer terug op bed en zorgen dat hij afgedroogd werd. Deken over hem heen en weer met het bed de gang over om hem vervolgens in zijn kamer aan te kleden.

(Hoe bedoelt u dat ik niks hoef te doen als hij in bad gaat?)

Tussen de middag aan tafel was ik melig van al het geren en gevlieg. Ik moest bij hem de insuline injecteren. Zo ergens rond de navel. Hij deed zijn overhemd omhoog en ik viste zijn onderhemd uit zijn lange broek. Nu is hij nogal omvangrijk dus riep ik quasi paniekerig: “Waar is je navel gebleven. O God nee toch? Niet te vinden. Waarschijnlijk weg gespoeld met het badwater. Dan moet ik straks het riool in om die navel van je te zoeken. O nee, toch niet, ik heb ‘m al gevonden.”

Voordat ik al deze onzin uitkraamde had ik wel even gekeken of zijn overbuurvrouw niet net haar mond vol eten had, want zij krijgt op dit soort momenten bijna de slappe lach. Ik zou toch niet willen dat zij zich door mijn meligheid verslikt.

Zijn achterlijke zus

Niet aangeboren hersenletsel

Hij is een paar dagen naar een ander deel van het land geweest om de begrafenis van zijn moeder te regelen. Hondderddrie jaar is zij geworden.

Ik condoleer hem en vraag of het een mooie rouwplechtigheid is geweest. Hij knikt wat en vertelt dan dat hij een achterlijke zus heeft en dat het haar schuld is dat zijn moeder dood is.

Het valt mij op dat hij het heeft over zijn moeder, net alsof het niet de moeder van zijn zus is.

“Die achterlijke zus van mij vond het nodig dat mijn moeder naar een verpleeghuis ging. Dat is nu vier weken geleden. Ze ging daar hard achteruit en nu is ze dood.”

Hier weet ik niet goed op te reageren, dus hum ik alleen maar iets.

Wat vind ik hier nu eigenlijk van? Ooit werd mij door een familielid van mijzelf verweten dat ik het verkeerde beroep had gekozen omdat ik vind dat mensen ook de mogelijkheid moeten krijgen om waardig te sterven. Dat het leven niet altijd eindeloos gerekt hoeft te worden.

“Jullie in de zorg, moeten gewoon beter voor de mensen zorgen”  was vervolgens wat ik te horen kreeg.

Toch sta ik pal achter mijn mening. Zorgen voor een waardig einde is ook zorgen voor.

De biecht

biecht

Dagelijks, soms wel twee keer, bezoekt ze haar man. Ze vroeg me of ik haar kon helpen, want ze had een berichtje ontvangen op haar telefoon, maar wist niet hoe ze dat moest openen.

Het bleek een herinnering te zijn voor het controle in het ziekenhuis.
“Wat gek, die dokter zei dat ik niet meer terug hoefde te komen.”

Ik schreef de datum en tijd en het telefoonnummer voor haar op, zodat ze de afspraak af kon zeggen. Daarna schreef ik voor haar op hoe zij berichtjes kan openen en verwijderen.

“Ik ga thuis meteen bellen.”
“Het is zondag vandaag.”

“Is het zondag? Dan kan ik beter morgen bellen. Alle dagen lijken ook op elkaar tegenwoordig.”
“Ben je niet naar de kerk geweest vandaag?”

Nee, daar kwam ze al jaren niet meer. Vroeger wel, elke ochtend voordat ze naar school ging werd ze door haar vader naar de mis gestuurd. Op zondag kreeg ze drie centen mee voor de collectes. Ze nam dan ook nog drie knopen mee, die gingen in de collectezakken, terwijl ze de centen bewaarde. Daar kocht ze toverballen voor.

“O jee, voelde je je niet schuldig?”

“Nee hoor, ik ging toch gewoon biechten. Dan kreeg ik absolutie en drie weesgegroetjes mee. Dan was het weer goed.”

“Ja, en dan kon je weer gewoon doorgaan met die knopen.”

“Ja, idioot eigenlijk hè?”

Tegenwoordig gaat ze niet meer naar de kerk. Haar zonden biecht ze aan zichzelf op waarna ze absolutie krijgt. Ook van zichzelf.

“En verder vergeet ik tegenwoordig toch al gauw wat ik misdaan heb. Dat is het voordeel van ouder worden.”