All posts by Wilma Phillipson

About Wilma Phillipson

Ik ben WIlma Phillipson en schrijf graag over van alles en nog wat. De ene keer over mijn eigen leven, dan weer over iets wat in het nieuws is, vaak over mijn kleinkinderen en regelmatig over mijn werk. Ik speel graag en goed piano, zing in het Emmeloords Vocaal Ensemble en wandel graag. Ik werk in een verpleeghuis op een afdeling voor dementerenden.

Saartje: Acryl op canvas 30×30 cm

Na Malle Pietje werd ook Saartje mooi. Dat betekent dat ik Swiebertje echt nog een keer opnieuw ga schilderen.

IMG_7797

Advertisements

De nieuwkomer

Nieuwkomer

Hij is een jaar jonger dan ik, het revalideren is niet gelukt en nu woont hij bij ons op de afdeling voor mensen met Niet Aangeboren Hersenletsel. Zijn linker arm en been doen niet meer mee. Toch doet hij zoveel mogelijk zelf en zag ik hem ‘s avonds zijn brood smeren en snijden.

Ik observeer hem en tegelijkertijd ook hoe de andere bewoners op hem reageren. Het gaat goed, maar aan hem meen ik vooral te merken dat hij niet lastig wil zijn. Of dat werkelijk zo is moet de tijd leren, maar het is mijn eerste indruk.

Het gekke is dat wanneer mensen niet lastig willen zijn, ze dit op een andere manier wel zijn. Dat klinkt een beetje gek, dat hoor ik zelf ook. Ik zal het proberen uit te leggen:
Ik meen aan hem te zien dat hij iets wil vragen, maar tegelijkertijd merkt hij op dat ik druk bezig ben. Er gaat een bewoonster met haar echtgenoot mee naar het diner in het verzorgingshuis aan de overkant. Zij moet haar pillen nog innemen, haar bloedsuiker moet gecontroleerd om te bepalen hoeveel insuline ik haar moet geven en in de gang staat de ergotherapeut op me te wachten die me iets door wil geven. Maar hij wil iets vragen en gaat strategisch midden in de huiskamer zitten en volgt wat ik doe. Als ik een andere kant op loop draait zijn rolstoel mee. Lastig, want hij kan beter gewoon zijn vraag stellen.

Als ik klaar ben met de medicatie van de bewoonster en de wachtende ergotherapeut te woord heb gestaan loop ik naar hem toe en vraag of ik iets voor hem doen kan.

Hij wil graag zijn jas aan zodat hij nog even naar buiten kan om te roken. Tja, dat wil ik best doen, maar het is bijna etenstijd en de tafel moet nog gedekt. Bovendien is hij dan niet op tijd terug en die etenstijden houden we toch wel in ere. Had hij mij dit eerder gevraagd, dan had ik hem zijn jas aan kunnen trekken en daarna me met die medicatie bezig kunnen houden om tenslotte de ergotherapeut te woord te staan.

“Ik wil u graag helpen met uw jas, maar dan doe ik dat na het eten, want het is echt etenstijd, we zijn al wat aan de late kant.”

Hij vindt het prima, als hij dan maar na het eten mag gaan roken. Natuurlijk mag dat.

Rond een uur of acht wil hij naar bed geholpen worden. Gelukkig geeft hij dit goed aan en ik leg hem uit dat ik over tien minuten bij hem kom, omdat ik net een andere bewoner naar bed zou gaan brengen.

Ik red het om na tien minuten bij hem te zijn en help hem naar bed. Intussen maak ik een praatje met hem om te peilen wat voor soort man dit is. Hij vertelt, ik luister en stel af en toe een vraag.

Hij is moe en blij dat hij ligt en wil graag iets om te slapen. Helaas staat er geen slaapmedicatie op zijn medicijnlijst.

Om kwart voor elf gaat zijn bel en ik loop naar hem toe.

“U zult me wel gestoord vinden dat ik hiervoor bel”, zegt hij.

Ik maak een grapje en zeg: “Ja ik dacht al, wat ligt hier voor gestoord persoon in bed”. Hij kan er om lachen. Gelukkig, dat heb ik goed ingeschat.

Het probleem blijkt de jeuk aan zijn rechter bovenarm te zijn. Zijn linkerhand ligt doelloos naast zijn lichaam, daar heeft hij niets aan.

“Zal ik dan even krabben?” Ik probeer de plek te lokaliseren waar hij jeuk heeft. Ik zit er aldoor net naast. Dan wijst hij met zijn rechterhand op de linker bovenarm aan waar de jeuk zit.
“Handig, zo snap ik beter waar ik krabben moet” en ik krab over de plek waar het jeukt.

Ik wens hem welterusten en loop terug naar het teamkantoor waarbij ik bedenk dat de manier waarop hij dit onder de aandacht bracht bij mij het gevoel versterkt dat deze man vooral niet lastig wil zijn.

Zijn versleten heup

heup

Voordat hij naar bed geholpen wordt help ik hem naar het toilet. Hij staat in de actieve lift, kreunt en zegt: “Wat kan dat zeer doen zeg, zo’n versleten heup”.

Ik laat hem op het toilet zakken en vraag hem te bellen als hij klaar is. Ik ruim wat op, sla zijn dekbed terug en leg alvast kleding klaar voor de volgende dag. Als hij belt loop ik naar hem toe.

“Wat kan dat toch zeer doen zeg, zo’n versleten heup”, zegt hij nog een keer. Ik beaam het, want ja, dat is ook pijnlijk.

“Ik moet er ook veel meer door plassen”, zegt hij.

“Daar heb ik nog nooit van gehoord, dat je meer moet plassen door een versleten heup.”

Hij kijkt me, over de rand van zijn bril, aan en zegt dan: “Nou, het kon toch wezen?”

 

 

Aha…………………….nu snap ik het!!

articuleren

Iets kan honderd keer gezegd en uitgelegd worden en dan denk ik dat ik het begrijp. Sterker nog, ik denk zelf dat ik het op de goede manier doe. Dat is dan niet zo, anders wordt het niet iedere keer tegen me gezegd. Waar gaat dit over, denk je nu natuurlijk. Nou, gewoon over articuleren tijdens het zingen.

Tijdens mijn ‘sing a song’ lessen krijg ik herhaaldelijk te horen dat ik de uitspraak, zeker die in het Nederlands, moet overdrijven. Op de medeklinkers zingen zodat de woorden van je lippen spatten. Dan overdrijf ik volgens mij, maar is het nog steeds niet goed genoeg. De woorden voor in je mond vormen, dan heb je ook meteen meer klank. “Dat doe ik toch?” denk ik dan en soms zeg ik dat ook nog. Bij “Verdronken vlinder” van Boudewijn de Groot deed ik het uiteindelijk goed. Ja, sterker nog, ik kreeg een compliment zonder “maar”. Mijn neus begon te krullen en mijn voeten schoten bijna direct mijn schoenen uit, zodat ik er naast kon gaan lopen.

Gisteravond waren mijn lief en ik naar de mini-opera “Le Nozze di Figaro”. Komisch opgevoerd door Sopraan Johanette Zomer, bas-bariton Frans Fiselier en de verhaallijn werd door TV- en musicalacteur Peter Lusse uitgelegd. Er was een pianist die de orkestbak voor zijn rekening nam, zijn naam weet ik even niet meer, maar ook hij bleek goed te kunnen zingen toen het wat al te complex werd voor twee zangers.

Er was even een moment van verwarring toen ineens een deel van de bezoekers in de zaal ging staan. Mijn lief en ik keken elkaar wat twijfelachtig aan, want tja, was het de bedoeling dat wij ook gingen staan. Gelukkig begon het hele gezelschap te zingen en bleek het het koor van de plaatselijke operette vereniging te zijn. Die hadden een klein aandeel in de mini-opera.

Ik heb er van genoten, terwijl ik niet eens zo’n liefhebber van opera ben. Mijn gevoel zegt dan: “Dit is te veel, te groot en te luid”. Bij deze mini-opera had ik daar geen last van.

Al luisterend naar de sopraan en de bariton begon bij mij te dagen hoe het moet klinken als de woorden van je lippen spatten. De mini-opera werd in het Nederlands uitgevoerd en werkelijk ieder woord was te te verstaan, zowel van de bas-bariton als van de sopraan. Ik hoorde hoe de medeklinkers de uitspraak van de woorden duidelijker maakten.
Tja, daar kan zo’n sing a song leraar niet tegenop, al zegt hij het nog zo vaak en laat hij het horen. Als je op die manier gaat praten is het belachelijk, dan is het echt verschrikkelijk overdreven. Maar als je in het Nederlands zingt moet je dus wel.

Volgens mij wordt het nog lastig om in praktijk te brengen, maar hopelijk is tijdens mijn volgende lessen te merken dat ik begrijp wat er bedoeld wordt. In ieder geval ga ik thuis vast enthousiast overdrijvend zingen.

Sluipwinden

sluipwinden

Ik hielp haar op het toilet en vroeg haar te bellen als zij klaar was. Het duurde nogal even zodat ik op een gegeven moment naar haar terugliep.

“Is het gelukt?”

Ja, ze was net klaar.

“Heeft u alleen geplast of ook gedrukt?”

Ze bleek ook gedrukt te hebben.

“Ja, ik ruik het”.

“Nou jij ruikt ook niet lekker als je gedrukt hebt hoor.” Het klonk ietwat gepikeerd. Ach heel goed kende ik haar ook niet, dus misschien had ik dit niet moeten zeggen.

“Inderdaad, ik ben kampioen stinken hoor. Volgens mijn man span ik de kroon, vooral als ik een windje laat, u weet wel zo’n sluipwind. Die glijdt heel langzaam je broek uit, en stinken dat ‘ie doet.”

“O kind (zo lief om op je 59e nog met ‘kind’ aangesproken te worden) dat ken ik. Die zijn de ergste. Je hoort ze niet, maar ineens zijn ze er.”

We hebben er samen smakelijk om gelachen.

Het is een schande

Om kwart over vijf zitten alle bewoners aan tafel voor de broodmaaltijd. Ik val in op een andere afdeling en werk die avond samen met iemand van de flexpool. Ook zij valt dus in en heel bekend zijn wij hier beiden niet.

Schande

Iedereen is voorzien van brood en beleg en voor een aantal mensen ben ik nog brood aan het smeren, omdat zij dit niet meer zelf kunnen. Er ligt een bewoner ziek op bed, die moet nog geholpen worden met eten. En er eet een bewoner in zijn kamer omdat hij anders te veel prikkels krijgt.

Op het moment dat ik de huiskamer verlaat hoor ik een mevrouw zeggen dat zij naar het toilet moet. Ik hoor dat ze het nog een keer herhaalt. Mijn collega zit vlak bij haar, maar helpt iemand met eten die dit helemaal niet meer zelf kan. Dit zijn van die momenten dat je een afweging moet maken. Ik besluit toch eerst de bewoner op zijn kamer te helpen met eten.

En dan kom ik terug de huiskamer in. Op luide toon hoor ik een andere bewoner, die zelf nogal doof is, zeggen: “Het is een schande dat je gewoon moet wachten tot iemand je naar het toilet kan helpen”.

Ik reageer en zeg: “Weet u wat een schande is? Dat jullie met z’n zestienen zijn en wij maar met z’n tweeën. Die strijd blijft altijd oneerlijk, want we kunnen niet iedereen tegelijk helpen.”

Het wordt stil en ik rij de bewoner die naar het toilet moet naar haar kamer. Ze kan er niks aan doen, vindt het ook allemaal heel vervelend. Als ik vervolgens de tilband van de actieve lift (zo één waar je nog wel sta-functie voor moet hebben) achter haar rug doe en vasthaak aan de lift zegt zij: “Ik hoop dat er wat komt”.

Tja, er kwam niets, geen plas geen ontlasting en zelfs geen boze zuster. Ik vroeg me later af of zij misschien alleen maar uit de huiskamer weg wilde. Ze zit graag alleen op haar kamer om een beetje tv te kijken. Volgende keer zal ik het haar eens vragen.

Stoom uit mijn oren

stoom uit mijn oren

Sinds ongeveer een week hebben we er een nieuwe bewoner bij. Dat betekent een week of zes wennen aan elkaar. Hij aan ons en aan de andere bewoners en vice versa. Hij is iemand die van provoceren lijkt te houden en doet dat vooral tijdens de maaltijden. Dat is het moment dat iedereen in de huiskamer aanwezig is. De rest van de dag gaat iedereen toch een beetje zijn eigen gang.

Het is tweede Kerstdag, vlak voor de broodmaaltijd van 17.00 uur komt hij al luidruchtig binnen en praat een bewoner na die iets tegen mij zegt. Dat valt al meteen verkeerd bij de anderen. Hij gaat zitten vraagt zich meteen hardop af hoe lang het gaat duren voordat hij wat krijgt. Ik schenk koffie, thee en melk in en vervolg mijn werkzaamheden. Een aantal krijgen brood, boter en beleg en kan zichzelf dan verder redden. Onze nieuwe bewoner ook, ondanks dat zijn linkerhand niet goed meedoet. Op het moment dat ik voor zijn buurman brood begin te smeren begint het:
“Waarom moet ik zelf mijn brood klaarmaken en hij niet? Hij heeft twee klauwen en ik maar één.”

“U smeert tot nu nog alle keren zelf uw brood want uw linkerhand werkt nog een beetje mee en uw buurman heeft echt maar één hand tot zijn beschikking.”

Ik ga naar de volgende tafel en vraag wat de bewoners daar op brood willen. De ene wil nog wel wat van de salade, maar de ander wil iets wat hij beter niet kan eten omdat hij dan meestal halverwege moet braken.

“Jij wil altijd iets wat er niet is, of wat je niet mag!” hoor ik de nieuwe bewoner zeggen.

Ik vraag hem om zich niet met de anderen te bemoeien.

“Ik mag toevallig zeggen wat ik wil, ook als het jou niet uitkomt.”

Professioneel of niet, ik voel boosheid naar boven borrelen, maar ik reageer verder niet. Als iedereen van brood is voorzien ga ik de medicijnen delen. Voor hem trek ik de insulinepen op en pak een metformine tablet. “Alstublieft, uw medicijnen.”
“Steek die maar in je reet, samen met het brood en het beleg. Ik hoef die rommel niet.”

Ik pak de medicijnen weg en laat hem weten dat hij van mij de medicijnen niet hoeft in te nemen.
“Daar heeft u alleen uzelf mee, niet mij.”

“Ach mens, doe gewoon je werk en zeur niet.”

Het vervelendste is dat hij hiermee twee bewoners op zijn hand krijgt en dat er bij de rest van de bewoners een dodelijke stilte valt. Het is duidelijk dat wij als team hier iets mee moeten. Duidelijkheid naar de bewoner toe, duidelijkheid voor ons hoe te handelen. Hem nu naar zijn kamer sturen zal geen effect hebben.

Na de maaltijd verdwijnt hij weer naar zijn kamer. Zijn buurman zucht en zegt: “Wat een rotzooi is het hier”. Ik kan niet anders dan dit beamen.

Als ik de tafels afruim gaat mijn pieper en op het display zie ik dat de bel afkomstig is van de nieuwe bewoner. Ik besluit eerst alles op te ruimen voordat ik bij hem ga kijken. Hij ligt op bed en ik vraag hem wat ik voor hem kan doen.

“Wil je de televisie aan doen en ik wil een schone broek.”

Ik sta een poosje te kijken terwijl mijn hersenen op volle toeren draaien om te bedenken hoe ik hierop zal reageren. Het hele voorval van daarnet negeren of hem daar nog op aanspreken. Hij is nu gewoon weer vriendelijk. Ik besluit tot het laatste en pak er een stoel bij.
“Nog geen kwartier geleden kon ik geen goed doen, moest ik niet zeuren en gewoon mijn werk doen. Ik kon het brood, het broodbeleg en uw medicijnen in mijn reet steken en nu vindt u het de gewoonste zaak van de wereld dat ik uw televisie aanzet en u verschoon. Ik vind dit een rare gang van zaken en vraag me af hoe u het zou vinden als ik zou zeggen dat u die televisie en die schone broek in uw reet kan steken.”

Hij kijkt me een poosje aan en zegt niks, maar ik zie hem denken. Ik help hem met de schone broek, zet de televisie aan en wens hem een fijne avond.

Tien minuten later, als ik met mijn collega’s zit te eten en stoom afblaas over deze man komt hij met zijn scootmobiel langs. Of ik even wat sigaretten voor hem wil pakken. Daarna vertrekt hij, maar rijdt de verkeerde kant op. Hij verdwaalt nogal eens dus loop ik achter hem aan. Hij bleek nog niet naar beneden te gaan, maar moest zijn scootmobiel nog aan de lader zetten. Zijn accu is bijna leeg.

“U bent in de verkeerde gang, daar is uw kamer niet.”
“Dat gebeurt me hier iedere keer. Ik snap er niks van.”

“O, ik wel hoor. Wij verwisselen de gangen als u even een poosje op bed ligt.”

Hij kan er wel om lachen en zegt: “Ja, dat dacht ik al.”

“Dan is het in ieder geval niet uw schuld dat u verdwaalt.”

Zijn accu blijkt echt leeg, dus duw ik hem terug naar zijn kamer en ik kan het niet laten om toch nog iets over het eerdere voorval te zeggen: “Eigenlijk hebt u wel mazzel dat ik dit tijdens mijn pauze voor u doe. Zeker nadat u zich tijdens de maaltijd zo misdragen heeft. Ik had ook kunnen zeggen dat u die scootmobiel maar in u reet moest steken. Maar ja, dat ding is een beetje groot en gaat waarschijnlijk niet passen.”

De rest van de avond heb ik geen last van hem. Tegen 21,30 uur vraag ik hem zijn sigaretten en aansteker in te leveren, want hij is al een aantal keer betrapt op roken in bed. . Zonder problemen krijg ik de spullen van hem en ik wens hem goede nacht.

Tijdens dit soort diensten en helemaal tijdens de Kerst vraag ik me af waarom ik dit werk doe. Vaak zegt men dat dit zulk dankbaar werk is, terwijl dat echt niet altijd het geval is. Het is schipperen tussen alle kuren en korte lontjes van iedereen. Ik begrijp echt wel dat mensen het moeilijk hebben met hun afhankelijkheid. Ik begrijp alleen niet altijd waarom ze zich dan afzetten tegen degene waarvan ze hulp krijgen. Maar goed, ander werk? Ik zou eerlijk gezegd ook niet weten wat voor werk dan. Het blijft een boeiend beroep.