All posts by Wilma Phillipson

About Wilma Phillipson

Ik ben WIlma Phillipson en schrijf graag over van alles en nog wat. De ene keer over mijn eigen leven, dan weer over iets wat in het nieuws is, vaak over mijn kleinkinderen en regelmatig over mijn werk. Ik speel graag en goed piano, zing in het Emmeloords Vocaal Ensemble en wandel graag. Ik werk in een verpleeghuis op een afdeling voor dementerenden.

De etsen van Rembrandt

Na een bezoek aan het Rembrandthuis besloot ik een paar etsen na te tekenen met Oostindische inkt. Deze ga ik inlijsten, daarna krijgen ze ene mooi plekje in de gang van ons nieuwe huis.

 


IMG_0834IMG_0831

Zenuwen

Het is soms een raar iets met zenuwen of gezonde spanning. De hele week was ik niet zo bezig met mijn optreden bij de Pianofest Try-Out bij BOL piano’s in Amsterdam. Ik moest gewoon nog werken en verder bleef ik schaven aan “La fille aux cheuveux de lin” van Debussy.

zenuwen

De oorzaak van het uitblijven van zenuwachtig worden voor dit optreden lag echter heel ergens anders. De zoon van mijn lief, zeventien is hij inmiddels, vertelde zijn moeder en zijn tante, de zus van zijn vader en zijn vader een  leugen over mij. Het is niet de eerste keer dat hij dit doet, of iets verdraaid zodat het in zijn voordeel uitvalt en het is ook niet de eerste keer dat zijn moeder en zijn tante dit klakkeloos geloven. Ik kan me niet herinneren dat er ooit aan mij gevraagd is hoe het verhaal van mijn kant was. Nee sterker nog, het werd laatst gewoon beaamd dat er in het verleden en zelfs in het recente verleden dingen over ons, maar ook over mijn lief alleen, zijn verteld die in ons nadeel waren. Dat vermoeden hadden wij al, maar hoe wapen je je daartegen. Niet meer het achterste van je tong laten zien? Dan wordt er gewoon iets verzonnen wat je gezegd zou kunnen hebben.

“Als jij dat kunstwerk vernielt, dan vermoord ik je”, zou ik gezegd hebben tegen een jongen die toen veertien was. Stel dat ik het gezegd zou hebben, dan zou ik daar weken, zo niet maanden last van hebben gehad. Ik zou me werkelijk doodgeschaamd hebben en niet alleen voor mijn lief, maar ook voor mijzelf.

Mijn verontwaardiging en het onrechtvaardige van deze hele situatie leidde mijn aandacht domweg af van het optreden. Het was ineens niet zo belangrijk, dat optreden dan hè? Niet dat ik er minder goed door ging spelen hoor. Nee dat juist gek genoeg niet. Ik ging er zelfs beter door spelen. Er kwam een soort vastberadenheid over me, terwijl dit soort dingen me vroeger heel erg aangrepen. Dan was ik door zoiets “uit het lood geslagen”. Ik ben sterker geworden, ook harder denk ik.

Dat ik er beter door ging spelen was wel een fijn bijverschijnsel. Ja, omdenken kan ik al geen ander. Dus nee, ik was niet zenuwachtig op die dag dat ik op ging treden. Tenminste, dat dacht ik, tot mijn lief en ik in een restaurantje zaten te lunchen. Daar kwamen ze ineens, als bij toverslag naar boven. Ten eerste was ik bang dat ik de verkeerde bladmuziek meegenomen had, dus dook ik ineens in de tas waar die in zat. Daarna was ik bang dat mijn bril niet in mijn brillenkoker zat en vervolgens bedacht ik dat ik niet meer wist hoe het stuk begon. Al die gevoelens heb ik geparkeerd en bij BOL piano’s heb ik eerst mijn ogen uitgekeken naar werkelijk prachtige piano’s en vleugels. Hier en daar probeerde ik er even één, want we waren te vroeg.

De vleugel waar ik op moest spelen was een Perzina. Nog nooit van gehoord, maar wat een prachtige, warme klank had deze vleugel.

Tijdens de optredens van anderen moest ik mezelf dwingen om te luisteren. Iedere keer dwaalden mijn gedachten af naar wat ik zelf zou spelen. “Hoe ging dat loopje ook alweer, en waar zat die lastige noot?” Gek werd ik van mezelf.

En toen was ik aan de beurt. Terwijl ik mijn muziek neerzette en even in mezelf probeerde af te dalen had ik het idee dat iedereen mijn hart kon horen kloppen. Toen ik begon te spelen verdwenen die zenuwen en na afloop had de conservatorium docente het idee dat ik helemaal niet nerveus was geweest.  De feedback die ik kreeg bestond uit: “Probeer het wat vrijer te spelen. Ga daar deze week mee aan het werk”. Daarna kwam er niets meer en eerlijk gezegd zat ik toen toch nog even te wachten op iets wat ik misschien minder goed gedaan had.

Zaterdag is het zo ver, dan speel ik tijdens het Pianofest. Mijn lief, mijn jongste dochter en mijn oudste kleindochter komen luisteren. En ik heb er gewoon reuze zin in. Zenuwachtig zal ik gerust weer zijn. Doordat ik ‘s morgens nog met de workshop historische instrumenten meedoe zullen die zenuwen me niet de hele dag parten spelen. Maar zo vlak voor dat optreden hè, dan begint dat weer. Dan weet ik niet meer hoe het stuk begint en waar die lastige noot zit. En daarna ga ik gewoon lekker zitten spelen.

Help, ik heb een sjaaltje nodig

De zus van mijn moeder heeft nogal wat rimpels, vooral in haar hals. Haar schoonheidsspecialiste zei ooit tegen haar: “Je hebt nu eenmaal vitrage en velours gordijn. Jij bent zo’n velours gordijn”. 

Je kent dat soort gordijnen wel, met van die diepe plooien. Gelukkig kon mijn tante hier hartelijk om lachen. Zij draagt echter wel heel vaak een sjaaltje om haar hals. Om die rimpels te verstoppen dus.

Ik hou niet van sjaaltjes, kettingen, bloesjes met kragen en coltruien. Dan zit ik gevangen en krijg ik spontaan anvallen van claustrofobie.

Maar laatst, bij het zien van een foto die gemaakt is tijdens een fotosessie in de bibliotheek riep ik heel verschrikt uit: “O hemel, moet je mijn nek zien. Ik heb een sjaaltje nodig!”

4d6b2f2d-8a12-4ba2-8020-c59b94ab0a51 - kopie

Niet dat ik nu spontaan met sjaaltjes om mijn hals rondloop hoor. Maar achteraf bedacht ik wel dat ik tegenwoordig vaak bloesjes met een kraagje onder een trui draag. Dat deed ik voorheen echt nooit.

Liefde van later

Op zoek naar een nieuw liedje voor mijn “Sing a Song lessen” stuitte ik op “Liefde van later” gezongen door Herman van Veen. Op slag verliefd, maar met de nodige twijfels. Was ik de aangewezen persoon om dit liedje te vertolken?

Als je het liedje beluistert hoor je dat het gaat over een liefde die een heel mensenleven mee gaat. Die elke storm en tegenslag overleeft. We kennen ze allemaal wel, mensen die bij elkaar thuis zijn, zich bij elkaar veilig voelen. Maakt niet uit wat er gebeurt, ze redden het samen.

Sinds zeven jaar ben ik met mijn lief getrouwd en ik denk, dat als anderen ons zien, het echt wel duidelijk is dat wij thuis zijn bij elkaar. Echt een liefde van later, maar dan letterlijk, want deze liefde kwam pas later nadat de eerste twee relaties niet standhielden. Iets wat voor overigens voor ons beiden geldt

Mijn eerste huwelijk, die met de vader van mijn kinderen, strandde na 20 jaar. Leven met een persoon met narcistische trekjes bleek niet mee te vallen. Ik kan je wel vertellen dat er weinig van jezelf overblijft in zo’n huwelijk.

De relatie die ik daarna had strandde na acht jaar. Misschien kwam die te snel en wist ik nog lang niet wie ik werkelijk was. Aan de andere kant bleek deze man nadat ik mijn huis had opgezegd en bij hem was ingetrokken, al heel snel te veranderen in een ander soort man dan hij tot die tijd was. Net alsof hij dacht: “Zo, die buit is binnen, nu kan ik weer gewoon doen”. Toen ging ik twijfelen of ik wel geschikt was voor een huwelijk of relatie. Misschien was ik wel iemand die dat helemaal niet zo goed kon, of zo. Dat het allemaal aan mezelf lag. Dat vooral dus.

Vandaar dus dat ik twijfelde of ik wel de aangewezen persoon was om dit liedje te zingen. Aan de andere kant was Herman van Veen dat eigenlijk ook niet. Die heeft ook niet zo’n huwelijk dat alles heeft overleefd. Dat trok me over de streep en ik startte met werken aan het liedje.

Dat werken hier aan betekende dat ik eerst maar eens goed ging luisteren. Daarna ging ik het meezingen om het me eigen te maken. Pas daarna ging ik de pianobegeleiding uitzoeken. Regel voor regel heb ik die voor elkaar gekregen. Soms met wat hulp van mijn pianoleraar als ik iets gewoon niet goed kon horen of niet goed kon “vertalen” op de piano. Het meeste deed ik echter zelf. Tot slot nog het zingen terwijl ik die begeleiding speelde. Dat was een proces van dagelijks doen om zang en piano bij elkaar te krijgen. Uiteindelijk bleek ik mijn aantekeningen nodig te hebben tijdens het zingen om niet uit de bocht te vliegen. Vaak hoefde ik er niet eens naar te kijken en bleken mijn vingers gewoon de weg te weten, maar even vaak lukte dat niet.

Misschien kan ik het eind februari, tijdens het Kleinkunstcafé wel uit mijn hoofd doen. Lijkt me hartstikke gaaf.

Dit was het nieuws – Tradities

 

vreugevuren

Duindorp staat op z’n achterste benen. De vreugdevuren kunnen met Oud & Nieuw niet doorgaan. Men kan niet aan de veiligheidseisen voldoen, dus is het te gevaarlijk. Tja, als je even terugdenkt aan vorige jaar, dan is dat goed te begrijpen.

Vervolgens zijn er mensen zó ontzettend boos dat zo’n 50 raddraaiers de straat op zijn gegaan waarbij zij brand stichtten in ondergrondse containers, bij bushaltes en in een lege patatkraam. Er is zelfs een jongetje van negen jaar oud opgepakt. Hij was in het bezit van een molotovcocktail. Die mensen zijn echt een partij boos, want deze vreugdevuren zijn een TRADITIE. Dan mobiliseer je ook kinderen, want ik kan me niet voorstellen dat het negenjarig jongetje dit zelf heeft bedacht. Maar ach, de moeder ontkent het, want het is een heel lief jongetje. Zo sneu, hij heeft waarschijnlijk vlak voordat de politie en ME arriveerde zo’n molotovcocktail in handen gedrukt gekregen. Ach ja, wat deed dat jochie daar dan ook.

De afgelopen 15 jaar is er niets mis gegaan tijdens die traditie van vreugdevuren. Begrijp ik nu goed en bestaat deze traditie slechts zo kort of is er alleen in die jaren niets mis gegaan?

Nou nee, als ik het goed begrijp zijn die vreugdevuren ingesteld omdat het in de jaren ’80 en ’90 onrustig was in Den Haag. “Straten lagen open, straatlantaarns waren kapot, op elke straathoek was vuur. Het was altijd vechten met andere buurten. De ME reed door de straten met jeeps en rieten schilden.” Een klein beetje oorlog dus.

Best te begrijpen dat er een alternatief voor al die vernielingen werd geboden. Maar ja, dat alternatief werd groter en groter en vorig jaar ging dat dus mis en werd een “bijna-ramp”. Logisch dat er dan heel goed wordt gekeken naar deze TRADITIE. Dat er allerlei eisen aan gesteld worden om het veilig te houden. En natuurlijk ga je dan als raddraaiers de straat op omdat je boos bent dat deze TRADITIE verloren lijkt te gaan. Dan ga je gewoon lekker vernielingen aan lopen richten, want wie weet, misschien schrikt men dan wel en mag deze TRADITIE gewoon doorgaan.

En ja hoor, gisteravond, toen ik na mijn avonddienst thuis kwam, keek ik nog even naar “Pauw” en viel met mijn neus in de boter. De vreugdevuren en de rellen werden besproken. Er was een man aan het woord. Ik heb overigens geen idee wie die man is, maar wellicht een bekende Nederlander.

Hij gaat bemiddelen, of is van plan te gaan bemiddelen, want die vreugdevuren moeten natuurlijk gewoon doorgaan. Uiteraard moet het wel veilig en mogen ze niet groter worden dan 10x10x10 meter. In ieder geval gaat hij daar zijn stinkende best voor doen.

Tja, ik weet het niet hoor, maar valt dit niet te vergelijken met een kind wat boos is en gaat schreeuwen omdat het geen snoepje mag, zo vlak voor het eten. Om dan van de boze bui en het geschreeuw af te zijn geef je het dan, zelf ten einde raad, een snoepje. Dat onthoudt zo’n kind dan gewoon hè? Er zijn van die opvoed-dingen die minder goed blijven hangen, maar dit is dan toevallig net iets wat wel onthouden wordt. Het resultaat is dat het kind, als het weer eens niet zijn zin krijgt, heel boos wordt en gaat schreeuwen en krijsen zodat het zijn beloning krijgt.

Gewoon dat dus hè, heel vervelend doen. Andermans bezittingen vernielen, want dan staat er altijd wel zo’n goedzak op die wil bemiddelen en er voor gaat zorgen dat deze boze mensen hun zin krijgen.

Maar ach, ik kom niet uit Den Haag en ben ook nog eens zo iemand van vroeger, van ver uit de vorige eeuw. Vandaar dat ik misschien wat anders tegen de dingen van tegenwoordig aankijk.

Overigens kom ik wel uit de buurt van Amsterdam waar op “Luilak”, je weet wel, de dag voor Pinkster, een hoop auto’s in de fik werden gestoken. Gek dat daar nooit een alternatief in de vorm van vreugdevuren is aangeboden. Daar hebben ze nooit een alternatief in de vorm van een TRADITIE voor gekregen. Maar wacht………….dat kan ook niet, want “Luilak” was zelf al een TRADITIE.

Vrijheid

IMG_0720

De afgelopen tijd las ik het boek “Wij waren de gelukkigen”. Een aangrijpend en waar gebeurd verhaal van een Pools Joodse familie in de Tweede Wereldoorlog. De hoofdstukken waren vaak kort en dat was voor mij goed. Zo hakte ik het boek in kleine stukjes om het te kunnen behappen, want het was vaak te veel om te bevatten.

 

Zelf heb ik de Tweede Wereldoorlog niet meegemaakt en als ik er over lees begrijp ik nog steeds niet hoe die massajacht en -moord op de Joden, maar ook op vele anderen, kon gebeuren. Tijdens het lezen is het boek vaak spannend omdat het beschrijft hoe leden van het gezin Kurc zich uit allerlei situaties weet te redden. Dat vind ik dan weer raar, dat ik dat spannend vind, want ik zou absoluut niet in hun schoenen hebben willen staan.

De honger en de kou is iets waar ik me weinig bij voor kan stellen. Als ik naar mijn werk moet ontbijt ik om zes uur en om negen uur eet ik even een sneetje roggebrood met kaas, omdat ik dan alweer trek heb.

Overleven op 1 stuk brood en wat waterige soep en dan in de kou zware lichamelijke arbeid verrichten. Hoe deden deze mensen dat. Wij beginnen al te jammeren over het feit dat we tot onze 67e door moeten werken. Ook in de zorg en in andere zware beroepen.

En dan die aantasting van vrijheid tijdens de Tweede wereldoorlog. Niet vrij te zijn om te gaan en staan waar je wilt. Geen mening meer kunnen en durven ventileren uit angst dat je verraden wordt. Vervalste persoonsbewijzen om aan te kunnen tonen dat je vooral geen Jood bent, terwijl je dat in hart en nieren juist wel bent.

Vervolgens lees ik in de krant berichten dat het terugdringen van de maximale snelheid op snelwegen naar 100 km/u wordt gezien als vrijheidsbeperkend voor de automobilist. Ik voel een bepaalde opstandigheid naar boven borrelen. Wat nou vrijheidsbeperkend? Gelukkig lees ik niet lang daarna een ingezonden reactie van iemand die zich afvraagt of “stoppen voor een rood stoplicht”, “30 km/u in een woonerf”, “50 km/u binnen de bebouwde kom”, dan ook vrijheidsbeperking van de automobilist is. Het cynisme druipt van het stukje af. Goddank, denk ik, er zijn nog meer mensen als ik.

Trouwens, ik ben de laatste dagen meteen maar minder hard gaan rijden op de snelweg. Ik was al teruggegaan van 130 km/u naar 120 km/u en ontdekte dat ik daardoor anderhalf keer extra naar mijn werk kon rijden zonder te hoeven tanken. Nu ben ik 110 km/u gaan rijden en ik weet nu al dat ik daarmee geld uitspaar, want ik doe weer langer met mijn tank. Dat is toch ook een mooie vrijheid.

En wat mij toch ook opviel de laatste dagen is dat er meer mensen langzamer zijn gaan rijden. Mooi, want dat gejakker zorgt alleen maar van onrust. Niet alleen op de snelwegen, maar ook in mensen hun hoofd.

Maar terug naar het boek “Wij waren de gelukkigen”. Het liep voor deze mensen goed af. Alle leden van het gezin blijken nog in leven te zijn na de oorlog. Weliswaar woont iedereen verspreidt over de hele wereld, maar ze zijn er nog. Even bekruipt mij dan het gevoel dat het boek niet op waarheid berust tot ik de aantekeningen van de auteur lees. Het is wel degelijk gegaan zoals in het boek beschreven staat. Zij eindigt haar boek met een kort hoofdstuk waarin zij vertelt dat leden van deze familie verspreidt wonen over de hele wereld: Brazilië, de VS, Frankrijk, Zwitserland en Israël. Er worden reünies georganiseerd waarbij al deze mensen bij elkaar komen. Allemaal lid van deze familie, pianisten, violisten, cellisten, fluitisten, ingenieurs, architecten, juristen, artsen, bankiers, timmerlieden, motorrijders, filmmakers, fotografen, marineofficieren, eventplanners, restaurateurs, dj’s, onderwijzers, entrepreneurs en schrijvers. Dat van die entrepreneur moest ik even opzoeken. Nog niet eerder van gehoord. De kortste omschrijving is “een ondernemende ondernemer”. Ze lijken niet op elkaar, kleden zich niet hetzelfde en spreken ook niet allemaal dezelfde taal. Wat deze mensen met elkaar verbindt is de dankbaarheid dat ze er nog zijn.

Om maar even te herhalen: Een aangrijpend en waar verhaal dat ik in kleine stukjes moest lezen om het te kunnen bevatten.

Altijd bereikbaar

altijd bereikbaar

Onderweg naar mijn ouders ontdekte ik dat ik mijn gsm vergeten was mee te nemen. Vervelend want ik was in een file verzeild geraakt en wilde hen laten weten dat het later zou worden. Het gebeurt me wel vaker dat mijn Nokia thuis ligt. Het is ook zo’n telefoon waar je verder niks mee kan. Bellen en sms’en, daarmee heb je het ook helemaal gehad. Filmpjes kijken of facebooken is niet bij. Wel lekker rustig overigens. Ik kan het iedereen aanraden die wat meer rust in zijn leven wil. Nee, altijd bereikbaar ben ik bepaald niet.

Twintig minuten later dan gepland stond ik voor het appartement van mijn ouders. Er hing een briefje dat de intercom het niet deed, maar de bel deed het wel. Al gauw begreep ik dat zij dan vanuit hun appartement de voordeur niet konden openen en dat waarschijnlijk nog niet wisten.

Daar stond ik dan. Ik had al drie keer aangebeld en vroeg me af hoe ik dit op ging lossen. Had ik mijn Nokia bij de hand, dan kon ik even gebeld dat ik voor de deur stond. Lekker handig dus van mij om dat ding niet mee te hebben. Heel even vloog er een gedachte door mijn hoofd waar ik achteraf om moest lachen. Echt waar, ik bedacht dat ik dan even mijn lief moest bellen, zodat hij mijn ouders kon laten weten dat ik voor de deur stond. Tja, die vlieger ging natuurlijk niet op.

Steentjes tegen hun raam gooien? Dat zou kunnen, maar ze wonen op drie hoog. De kans dat ik het raam zou raken was niet echt groot.

Wachten tot er iemand naar buiten ging. Gebeurt vaak genoeg, maar vandaag dus niet.

Aan die mevrouw die haar hond uitliet vragen of ik haar telefoon even mocht gebruiken. Goed plan, alleen liep de vrouw, toen ik naar haar toe liep, meteen een andere kant op. Beetje mensenschuw, of misschien ben ik gewoon een beetje “eng”.

Ik stond de situatie vanaf de overkant van de straat te overpeinzen toen ik verderop een busje zag staan waar iemand met werkkleding aan bij stond. Misschien mocht ik zijn telefoon even gebruiken. Best een ongebruikelijke vraag in deze tijd waarin het gros van de mensen vergroeid is met zijn telefoon.

Het mocht, ik had alleen geen idee hoe ik die smartphone moest bedienen. . De man liet het me zien, maar moest zelf ook even zoeken. Hij kwam wel bij al zijn contacten maar had even geen idee hoe hij iemand moest bellen die daar niet tussen stond. Hij gaf ruiterlijk toe dat het toch niet zo makkelijk was als hij dacht. Overigens was het te hopen dat mijn ouders op zouden nemen als ze door een onbekend nummer gebeld werden. Ik hoorde de aarzeling in mijn vader zijn stem en vervolgens de opluchting dat ik het bleek te zijn. Ze zouden open doen, maar voordat ik bij de voordeur was was het moment al voorbij dat ik de deur kon openen. Ik liep maar weer naar de overkant van de straat. En ja hoor, mijn moeder verscheen op de galerij. “Ik denk dat één van jullie naar beneden moet komen” schalde ik door de straat. Dat had mijn vader ook al bedacht, want die zag ik over de galerij lopen.

De geheime missie

geheim

Met een grote tas op schoot beweegt hij zich langzaam in zijn rolstoel naar de deur. Op mijn vraag of hij uit gaat krijg ik fluisterend antwoord, want het moet geheim blijven. Hij is gebeld door Israël en zijn aanwezigheid is daar per direct gewenst en dat mag ik aan niemand vertellen.

Mijn gedachten maken overuren, want als ik zeg dat hij misschien geslapen heeft en uit een droom is wakker geworden, maak ik geen vrienden. Raar is mijn gedachtegang niet, want hij doet heel wat dutjes gedurende de dag. Als ik hem vraag eerst met ons te eten krijg ik oorlog, want die geheime missie is nogal dringend. Ik besluit om hem gewoon naar beneden te laten gaan en bel naar de balie om te vragen of ze het een beetje in de gaten kunnen houden.

Na verloop van tijd hebben mijn gedachten hun werk gedaan en ga ik naar beneden. Hij zit midden op het parkeerterrein en wacht schijnbaar ergens op. Ik vermoed op een taxi. Dat is alvast een gegeven wat ik kan gebruiken.

Ik loop naar hem toe en vertel hem dat ik net gebeld ben door Israël en dat ik moest overbrengen dat de missie is afgeblazen. Zijn aanwezigheid is niet meer noodzakelijk en de taxi die ze voor hem geregeld hadden is afgezegd. Hij wil nog wel weten wat de naam van de persoon was die ik aan de telefoon had. Heel eerlijk vertel ik hem dat ik het een moeilijke naam vond die voor mij niet goed uit te spreken was, maar dat het een man was. Daarmee ging het bijna mis, want degene die de missie had georganiseerd was een vrouw. Maar het kon heel goed dat zij een man liet bellen met deze boodschap. Meteen vertelde ik hem dat vrouwen ook niet te vertrouwen zijn.

Hij was boos, maar gelukkig niet op mij. Het was al de tweede keer dat dit hem overkwam. Hij laat zich door mij naar boven brengen, heeft wat boterhammen gegeten en is daarna in zijn kamer gaan zitten wachten op een telefoontje uit Israël. Daar zat hij nog steeds toen mijn dienst er op zat. Naar bed geholpen worden wilde hij niet, want hij moest wel in de startblokken blijven.

Paniek in de tent

paniek

Luidruchtig komt ze de huiskamer binnen. Ze duwt hard tegen de wielen van haar rolstoel en heeft dan flink de vaart in. 

“Zuster, mijn tas is gestolen. Ik heb ‘m aan tafel al die tijd op schoot gehad en nu is ‘ie weg.”

Ik bedenk nuchter dat het wat merkwaardig is dat zo’n tas gewoon van je schoot gestolen wordt, maar zeg dit uiteraard niet. Nee, ik kan beter even helpen zoeken. Misschien heeft ze ‘m even op een ongebruikelijke plek neergezet.

In haar kamer is de tas niet te vinden. Ik kijk zelfs, op haar verzoek, onder haar kussen. Ook de badkamer wordt geïnspecteerd, want misschien staat de tas wel achter de wc of in het badkamerkastje. Maar nee, de tas is er echt niet.

De paniek slaat toe, ze wordt nog luidruchtiger dan ze al was en vervolgens krijgt mijn collega de schuld. Die heeft haar steunkousen net bij haar uitgetrokken en was dus in haar kamer. “Zij heeft hem natuurlijk verstopt.”

Omdat ik haar, toen ik het verpleeghuis binnen liep, beneden heb zien zitten loop ik naar het restaurant. Misschien is de tas daar gevonden. Ook al niet.

Mijn collega hebben geen flauw idee waar haar tas gebleven is. Mevrouw zelf is nog steeds in alle staten en beschuldigt “Jan en alleman” van diefstal.
“Ik ga de politie er bij halen” roept ze met haar wat harde kijvende stem als ze richting de keuken rijdt waar wij de afwas wegwerken. Ja, met de hand, want de vaatwasser was vrijdag kapot gegaan. Zodoende moest er het hele weekend met de hand afgewassen worden. Dat is een hoop serviesgoed van vijftien bewoners.

“Misschien zit u op uw tas”, opper ik.
“Dat kan toch niet, dat zou ik dan toch moeten voelen!”. Woest is ze dat ik zoiets durf te zeggen.

“Wilt u misschien toch even opstaan.”

Zij komt half overeind en ik vis de tas van de zitting van haar rolstoel.

“Hoe heb ik dat nu kunnen doen?” jammert ze en begint vreselijk te huilen.

Terwijl ik de afwas verder wegwerk loopt mijn collega met haar mee om haar weer tot bedaren te brengen.

De enige andere bewoner die nog in de huiskamer zit kan niet praten, maar heeft het hele voorval gevolgd. Ik zie aan zijn ogen dat hij er om lachen moet. Ik loop even naar hem toe en zeg: Dat is me toch ook wat hè? Zo beleven we tenminste nog eens iets.