All posts by Wilma Phillipson

About Wilma Phillipson

Ik ben WIlma Phillipson en schrijf graag over van alles en nog wat. De ene keer over mijn eigen leven, dan weer over iets wat in het nieuws is, vaak over mijn kleinkinderen en regelmatig over mijn werk. Ik speel graag en goed piano, zing in het Emmeloords Vocaal Ensemble en wandel graag. Ik werk in een verpleeghuis op een afdeling voor dementerenden.

Bang, boos of allebei?

bang, boos of allebei

We hebben twee terminale cliënten op de afdeling. Beiden zijn hier tijdelijk tot er een plekje vrij komt op een palliatieve afdeling. De één, hij is van mijn leeftijd, is er rustig onder. Hij wil bij de eerste controleronde een flesje nutridrink en een kan water met ijsblokjes. Verder geen controles ‘s nachts.

De ander is stukken ouder en is er duidelijk niet aan toe dat hij dood gaat. Hij is boos, is in nood en heeft hulp nodig. Tijdens de eerste nacht belt hij regelmatig. “Ik ben in nood, ik heb hulp nodig en jullie doen niks. Jullie laten me gewoon dood gaan”, is zijn klacht. Daar komt bij dat hij vindt dat ik niet snel genoeg op zijn bel reageerde. Ik doe een poging om uit te leggen dat ik bij iemand anders was en daar niet meteen weg kon. “Ja, jullie hebben voor iedereen tijd, behalve voor mij. Ga maar weg, laat mij maar gewoon dood gaan.”

Ik vraag hem of hij een glaasje warme melk wil zodat hij daarna misschien even kan slapen. Dat wil hij wel en dankbaar drinkt hij het glas leeg. Daarna overleg ik of het misschien beter is om het licht uit te doen. “Doe maar.”

Hij slaapt inderdaad van drie uur tot een uur of vijf. Daarna begint het bellen iedere tien minuten. “Ik heb hulp nodig!” Ik vraag hem wat ik voor hem kan doen. “Dat moet u mij niet vragen. U bent de expert. Ga ook maar weg, laat mij maar gewoon dood gaan.” Hij draait zich van mij af en contact krijg ik niet met hem.

Toevalligerwijs heb ik de E-learning “Palliatieve zorg” net afgerond, maar met alle tips die ik daar tegenkwam kan ik met deze man helemaal niets. Hij wordt bij alles wat ik zeg boos en ik voel me eigenlijk best een beetje tekortschieten. Iets wat niet hoeft, want ik had van collega’s ook al begrepen dat het allemaal niet makkelijk verloopt met deze cliënt.

Op een gegeven moment hoor ik hem hard praten en reageert er een vrouwenstem. Ik loop naar zijn kamer en kijk tegen wie hij praat. Er is niemand, hij telefoneert en is ook boos op degene die hij aan de lijn heeft. “Laat dan maar, niemand wil mij helpen. Laat mij maar gewoon doodgaan” en ik zie dat hij zijn telefoon van zich af gooit.

Als ik weer naar hem toe ga neem ik een kalmerend tabletje mee, dat gaat z’n werk wel doen, maar niet meteen. Hij bleek een vriendin te hebben gebeld om te vragen of zij z’n zoon wilde bellen. Zij vond het daar nog wat vroeg voor en daar was ik het wel mee eens. Hij duidelijk niet, want door niet zijn zoon voor hem te bellen begon hij “Brand! Brand!” te roepen. Het uiteindelijke resultaat was dat ik zijn zoon belde en toen ik naar huis mocht kwam deze de afdeling op hollen. Zijn vader had hem gebeld, en was in nood. Ik heb even met zijn zoon staan praten en even een en ander uitgelegd. Daar werd zijn zoon gelukkig wat rustiger door.

De tweede nacht begon deze cliënt meteen met bellen. Zo’n vier keer in een half uur. Ik was nog maar net binnen en reageerde direct op zijn bellen. “Goh, u bent er al” reageerde hij verbaasd. Weer wilde hij hulp en weer kon hij niet aangeven waarmee. Ik probeerde zijn hand vast te pakken en wilde gewoon even bij hem blijven. Daar was hij duidelijk niet van gediend. “Rotwijf, je bent al net zo erg als de rest”. Ik had werkelijk geen idee wat ik met hem aanmoest. Hij zag er nogal verhit uit, maar ik had begrepen dat hij het nogal snel koud had. “Zo te zien heeft u het warm, zal ik het raam een stukje open zetten?” Het mocht en daarna heb ik hem de hele nacht niet meer gehoord. Af en toe liep ik bij hem naar binnen, maar hij lag heerlijk te slapen.

Zou dat gewoon het hele probleem zijn geweest? Had hij het gewoon te warm en kon hij dat niet meer uitleggen? Ik zal het nooit weten, want de volgende dag wordt hij overgeplaatst.

Mijn claustrofobische ik

 

De microfoon

Kijk, pianospelen is één ding, zingen ook. Maar pianospelen en zingen tegelijk zijn twee dingen die je tegelijk moet doen. Dat is een soort puzzel waarbij alles op z’n plek moet vallen en dat gaat niet van de ene dag op de andere.

Ik weet nog goed, die eerste les zingen en mezelf begeleiden. Echt waar, ik scheet zeven kleuren bagger. Sorry voor het taalgebruik, maar zo zeiden wij dit toen ik nog het voortgezet onderwijs volgde. Dat is inmiddels alweer ruim 40 jaar geleden, maar de kreet ben ik niet vergeten. Net zoals iets “geen pan” is, geen gezicht dus. De polderbewoners kennen deze uitdrukking niet en na ruim vijf jaar hier wonen gebruik ik deze uitdrukking vrijwel niet meer. Toch is het leuk om ‘m af en toe te laten vallen, want dan krijg ik van die verbaasde blikken toegeworpen, maar dat even terzijde.

Maar goed, dat zingen en pianospelen tegelijk. Als iemand mij vorig jaar had verteld dat ik dit zou gaan doen had ik ‘m waarschijnlijk voor gek versleten. Niets zo veranderlijk als een mens, ook ik niet, en laat ik het nu ontzettend leuk vinden. De zoektocht om het akkoordenschema om te zetten in een begeleiding, de puzzel die dat voor mij is om uiteindelijk tot iets te komen wat leuk is. En dan die teksten uit m’n hoofd leren. Ik heb nog nooit zoveel gezongen als de laatste paar maanden. Zelfs in de auto galm ik af en toe een song, maar dat blijkt toch niet altijd handig te zijn. Want wat gebeurt er dan? Ik ga veel te hard rijden en dat heb ik pas door als ik wel erg veel auto’s passeer. Dus zingen in de auto doe ik maar niet meer en als ik wel zing doe ik het zachtjes. Gek genoeg ga ik dan niet harder rijden. Of misschien is dat logisch en is daar een wetenschappelijke verklaring voor. Wie het weet mag het zeggen.

En dan heb je nog die microfoon. Een hulpmiddel wat ik nog niet eerder gebruikt heb, dus het was even wennen. De eerste keer kreeg ik daar een zeer claustrofobisch gevoel door. Die microfoon kwam veel te dichtbij en tja, daardoor werd voor mijn gevoel de ruimte om me heen kleiner. Idioot eigenlijk, alhoewel, ik voel me bij vlagen ook claustrofobisch achter mijn bril. Vooral als het warm is. Ja, een beetje raar ben ik wel.

Maar ook je eigen stem horen alsof ‘ie niet uit jezelf komt. Dat was toch ook wel wat vreemd en ik wist ook niet goed of ik dit nu wel mooi vond. Maar ook dat blijkt te wennen.

De laatste twee lessen kwam de microfoon er ook aan te pas, want tja, het is wel iets waar ik mee moet leren omgaan. Achter de vleugel had ik nagenoeg geen last van dat ding. Ik kon de muziek, nou ja muziek? Als je op mijn papier kijkt zie je alleen tekst met daarboven akkoorden geschreven. Ha ha, nooit gedacht dat ik dat zou kunnen, maar het lukt. Maar goed, ik kon de muziek goed zien. Dat was de laatste keer een ander verhaal, want ik had les op de piano die achter in de tuin in een tent stond. De piano bleek lager te zijn dan de vleugel, waardoor ik hoger zat dan normaal. Mijn muziek stond lager dan normaal en eerlijk gezegd stond de microfoon, volgens mij een andere, toch behoorlijk in de weg. Claustrofobie werd meteen geboren, maar die heb ik meteen geparkeerd. Dan kon ik er niet bij gebruiken, maar ondertussen probeerde ik wel zo nu en dan p, microfoon heen te kijken om de muziek te kunnen zien. Ja, dat kan natuurlijk niet, want dan zing je naast de microfoon. Dat heeft volgens mij een beetje vreemd effect. Waarom ik naar de muziek moest kijken weet ik ook niet, want het zit in mijn vingers en in mijn hoofd.

Het is maar goed dat ik deze ervaring heb opgedaan, dan vlieg ik zaterdag hopelijk niet uit de bocht. Die claustrofobie laat ik gewoon thuis en ach, als er iets mis gaat is er nog geen man overboord. Dan ben ik waarschijnlijk wat uit mijn hum maar daar ga ik niet dood aan.

De pacemaker

Pacemaker

Op 29 mei waren mijn ouders 60 jaar getrouwd, maar het feest moest worden afgeblazen. Mijn moeder lag in het ziekenhuis en kreeg op haar trouwdag een kostbaar cadeau: een pacemaker.

Nadat de uitslag van het hartkastje binnen was belde de huisarts mijn moeder om haar te vertellen dat zij opgenomen zou worden in het ziekenhuis. Tien minuten later stond de ambulance voor de deur en mocht zij van het ene moment op het andere niets meer. “Ik kan wel zelf lopen hoor”, liet zij de ambulancebroeders weten. “Nee mevrouw, u gaat op de brancard, want uw hart kan er zomaar mee stoppen.”

Daar lag mijn moeder dan, als Hollands welvaren, aan de monitor op de hartbewaking. Zij zag er niet echt uit als een hartpatiënt wat het nogal verwarrend maakte.

“Ik ben blij dat ik hier lig. Ik had helemaal geen zin in het feest, daar ben ik veel te moe voor.”

“Mam, wat dacht je, ik zal iets moeten gaan doen om pa te overleven!”

“Ja, ik dacht, daar moet ik iets op bedenken.”

“Nou, dat is je aardig gelukt!”

Mijn moeder denkt al haar hele leven, of in ieder geval sinds mijn tienerjaren, dat zij mijn vader zal overleven. Waarschijnlijk omdat zowel haar moeder als schoonmoeder al jong weduwe waren. Mijn vader wordt in augustus 89 en mijn moeder is 82 maar kwakkelt wat meer met haar gezondheid dan mijn vader.

Ik heb een nachtje bij mijn vader gelogeerd in het eenpersoons logeerbed. Een rare gewaarwording want ik was bang dat ik er uit zou vallen. Ik begrijp ook heel goed dat bewoners in het verpleeghuis hun bedhek het liefst omhoog willen. Niks vrijheidsbeperkende maatregel. Gewoon een veilig gevoel. Als het logeerbed bedhekken gehad zou hebben had ik ze subiet omhoog gedaan.

Gisteren en vandaag ging ik weer gewoon naar het werk. Ik vertelde het verhaal aan mijn collega’s en aan mijn leidinggevende en deed gewoon “mijn ding”. Vooral vandaag was het erg druk. Een gesprek met emotionele lading met een bewoner en zijn bewindvoerder. Daarna artsenvisite en tot slot vanmiddag het MDO. De stagiaire had het voorbereid voor een opdracht en de bedoeling was dat ik haar zou observeren. Daarna moest ik haar werkbegeleider laten weten hoe het gegaan was.

Druk, druk, druk, terwijl mijn leidinggevende tegen mij had gezegd: “Doe jij maar wel een beetje rustig aan.”

Vanmiddag speelde ik een uurtje piano en zong de liedjes die ik volgende week zaterdag op de leerlingenuitvoering ga zingen. Na het eten tekende ik verder aan mijn kleindochter en daarna was het gedaan met mijn concentratie. Ik probeerde te lezen, belde mijn moeder om te horen of het goed ging met haar. Gaf haar advies hoe zij de pleister van de hechtingen kon halen, waarna zij mij weer terugbelde dat het was gelukt en dat alles er goed uitzag. We spraken af dat ze rustig aan zou doen en dat ik vrijdagochtend haar haar zal wassen, want dat mag ze zelf niet doen.

Daarna probeerde ik weer te lezen en kreeg ineens een huilbui die ik niet meer kon stoppen. Dan is het balen dat mijn lief op Vlieland zit voor zijn werk.

Uiteindelijk heb ik het boek maar weggelegd en mijn verhaal op papier op papier gezet. Hopelijk wordt het daardoor wat rustiger in mijn hoofd.

De verkeerde pet

Pet

Tussen de middag wordt er warm gegeten en één van de bewoners zit erg onsmakelijk te eten. Hij hoest voortdurend, geeft een hoop slijm op en vraag om een bak. Die geef ik hem en vraag hem naar zijn kamer te gaan om daar verder te eten. Dit is ook de afspraak die wij met hem hebben gemaakt.

Hij wordt boos. “Ik bepaal zelf wel of ik naar mijn kamer ga” en maakt geen aanstalten om op te staan.

Ik loop naar hem toe, zet zijn rollator bij zijn stoel en laat weten dat hij gewoon met me mee moet gaan. De kom met het opgegeven slijm zet ik op zijn rollator. Hij loopt mee, maar vindt me behoorlijk onbeschoft. Tja, meestal vindt hij me een lieve zuster, behalve op dit soort momenten.

Weer terug in de huiskamer zegt één van de bewoners: “Zijn pet staat zeker verkeerd”.

Terwijl ik een andere bewoner help met het innemen van zijn medicijnen laat ik weten dat mijn pet inmiddels ook verkeerd staat. Waarop de bewoner die ik aan het helpen ben een giechelbui krijgt en al giebelend zegt: “En je hebt niet eens een pet op.”

Plechtig beloof ik dat ik volgende keer mijn pet mee zal nemen. Dan kan iedereen aan de stand van de pet zien hoe het met mijn humeur gesteld is.

Het moet toch niet gekker worden

verward

Soms kan ik ontzettend moe van mezelf worden. Weet je wel wat een moeite het mij soms kost om dicht bij mezelf te blijven? Nou, gewoon veel. Soms lijk ik het onder de knie te hebben en dan ineens slaat er een soort virus toe en dwaal ik bij mezelf vandaan. Ik merk de drukte op in mijn hoofd, voel de twijfels die ik vervolgens lekker ga negeren. En hoe zit het ook alweer met twijfel? Is het niet zoiets: “Bij twijfel, niet doen!”

Een jaar of drie geleden ging ik hier zingen in een koor. Het bleek niet helemaal het koor wat ik gedacht had en soms had ik heimwee naar het Waterlands Kamerkoor. Maar ja, om nu vanuit Emmeloord naar Purmerend te rijden om de koorrepetitie bij te wonen ging ook wat ver.

Drie jaar lang heb ik in dit koor gezongen en drie jaar lang heb ik getwijfeld of dit was wat ik wilde. Ik ben zelfs nog een jaar voorzitter van het bestuur geweest, ook al met de nodige twijfels. Niet lang geleden hakte ik de knoop door en nam ik afscheid van dit koor.

Begin dit jaar begon ik met ‘sing a song’ lessen naast mijn pianolessen. Het gekke is dat ik daar geen enkele twijfel bij had en nog steeds niet heb. Het is iets wat ik heel goed kan doen in plaats van in een koor zingen. En toch ging ik op zoek naar een koor waar ik me misschien meer thuis zou voelen. Waarom ik dat deed? Ach, er speelde van alles door mijn hoofd. Alles wat ik naast mijn werk doe, en dat is best veel, doe ik alleen. Piano spelen, sing a song, schrijven, tekenen en schilderen, niets van dit alles doe ik in groepsverband. Ja oké, ik heb piano en sing a song les. Door de aanwijzingen die ik daar krijg ontwikkel ik me steeds meer. Maar het blijft toch iets wat ik alleen doe. In een koor zing je samen en misschien is dat wel goed voor me. Onzin natuurlijk, want ik gedij prima als ik dingen alleen doe. Bovendien werk ik door mijn beroep met allerlei soorten mensen. En zonder dat ik op wil scheppen durf ik best te zeggen dat ik goed ben in mijn werk. Het is dus niet zo dat ik een soort kluizenaar ben.

Maar goed, ik vond een koor en woonde twee repetities bij. Het was een koor waar ik meteen enthousiast van werd. En toch was er een stemmetje wat twijfel zaaide. Wat deed ik daarmee? Het moet toch niet gekker worden, maar ik negeerde het totaal. Oliedom natuurlijk, want het stemmetje vroeg mij of ik niet te veel hooi op mijn vork nam. De vakopleiding van de Schumann Akademie gaan volgen en dan toch ook weer een koor zoeken. Kijk, dat is ook zoiets. Over die Schumann Akademie had ik geen enkele twijfel. Vandaar dat het ook zo onlogisch was dat ik de twijfels over het zingen in koorverband zo totaal negeerde. Ik deed zelfs auditie. Spannend, maar ook leuk om te doen. Ik bleek een groot stembereik te hebben en wat ik voorbereid had kwam er goed uit. De dirigent enthousiast, de voorzitter enthousiast en ik op dat moment ook. De uitslag heb ik uiteindelijk niet afgewacht, want na die auditie sloeg de twijfel pas goed toe. Nog steeds negeerde ik die hardnekkig tot ik een interview met Adriaan van Dis las. Door iets wat hij zei begon ik mijn twijfels te verwoorden naar mijn lief.

“Als jij twijfelt dan weet je eigenlijk al dat je het niet moet doen. Neem dat gevoel serieus!”

Ik sliep er een nachtje over en de volgende ochtend waren bij het wakker worden mijn eerste woorden: “Ik ga het afzeggen”. Raar, want ik had niet liggen piekeren die nacht en toch kwam het er heel resoluut uit. Ik zei zelfs nog iets over zangles nemen, maar waar dat idee ineens vandaan kwam weet ik niet. Dat idee verdwijnt overigens alweer langzaam naar de achtergrond.

In ieder geval maakte ik weer eens een grote omweg om een beslissing te nemen maar bleef ik uiteindelijk dicht bij mezelf. Maar die drukte die in mijn hoofd ontstaat moet ik toch echt eens serieus gaan nemen.