Monthly Archives: January 2019

Boos

boos

Hij moppert dat het een lieve lust is als ik hem naar bed help. Hij wil een dokter zien en spreken.

“Vanwege uw voet?”

“Ja, waarom anders? Die kut-dokter praat alleen maar met jullie terwijl ik met die poot zit. Stuurt ze me naar dat ziekenhuis in Harderwijk, nou daar was het een puinhoop.”

“Daar hadden ze u wel kunnen helpen, maar u wilde niet blijven.”

“Nee, niet in de rotzooi daar. Maar ik wil die kut-dokter nu wel eens zelf zien.”

“Die “kut-dokter”, zoals u haar noemt die werkt hier niet meer. We hebben nu een “meneer dokter” en die kan u niet zó noemen. Maandag is er artsenvisite, ik schrijf u op de lijst, meer kan ik u nu niet beloven. Soms praat een arts inderdaad met ons. Wij zijn de ogen van de arts, om het maar zo te noemen.”
“Nou, dan hebben jullie geen goede ogen.”
“Nee, ik had vast mijn verkeerde bril op.”

Gelukkig kan hij daar een klein beetje om lachen.

Ik denk er later nog eens over na en zie wel in dat hij gelijk heeft. Vaak zien onze bewoners helemaal geen arts en als er een arts komt herkennen ze die persoon vaak niet als arts. Geen witte jas en zo, meestal vrouwen en vaak ook nog eens heel jong. Nu hebben we een mannelijke arts die al wat ouder is.

Misschien moet een arts standaard een stethoscoop om zijn nek hangen. Dat deed de verpleeghuisarts in Purmerend en dat was vast niet omdat hij dat interessant vond staan.

Ik vertel het verhaal thuis aan mijn man die vervolgens in de lach schiet. Een kut-dokter is een gynaecoloog. Die heeft ook helemaal geen verstand van voeten.

Geen recht op

Net als in alle andere januari maanden trekt mijn ene ik ten strijde tegen mijn andere ik. Het komt ieder jaar terug en ik weet dat het ook weer wegtrekt. Soms al op 1 februari, en af en toe duurt het wat langer. Bah, wat heb ik een hekel aan die vervelende januari dip.

“Jij hebt helemaal geen recht op een januari dip. Moet je kijken wat er allemaal voor moois in je leven gebeurt. Je sloot het vorige jaar af met het spelen van de Aria van de Goldbergvariaties op een Steinway vleugel. Nota bene op een groot podium tijdens het pianotest”.

“Ja maar dat was vorig jaar. Dat telt dan toch niet mee? Maar eerlijk is eerlijk, ik vond het wel fantastisch om te doen. En het ging nog goed ook. En kerst was ook heel fijn. Wel wat jammer dat ik op kerstavond tot 23.15 uur moest werken, maar eerste kerstdag hebben we gewoon samen doorgebracht. Tweede kerstdag hebben we voor het eerst sinds jaren weer eens mijn (bijna) hele familie gevierd. Mijn lief heeft mijn  ouders Tweede Kerstdag opgehaald en ik bracht ze de volgende dag weer naar huis. Daarna begon die werkmarathon van vier dagen om 5.30 uur opstaan. Het weekend, oudejaarsdag en nieuwjaarsdag. Weet je wel dat ik er s’avonds als een vaatdoek bij hing op de bank?”

“Nu haal je zelf ook het laatste deel van vorig jaar er bij. Ben je nu al vergeten dat je op 2 januari naar het nieuwjaarsconcert van Wibi Soerjadi bent geweest. En ben je dan ook al kwijt hoe mooi je dat vond? Hij speelde o.a. Nocturne nr. 20 waar je zelf ook mee bezig bent. Je vijzelt ‘m weer mooi op nadat je er 7 jaar geleden ook aan begonnen was. Je hebt met gespitste oren zitten luisteren om op die manier iets van Wibi in jouw spel te kunnen leggen.”

“Ja ja, dat weet ik heus nog wel. En die nocturne begint al aardig vorm te krijgen. Alleen al die lange notenreeksen die heel snel moeten, die willen nog niet zo. Althans, ze klinken nog lang niet zoals bij Wibi.

“Jemig mens, dat hoeft toch ook niet. De meeste mensen kunnen dat stuk helemaal niet spelen. En dan heel iets anders. Na dat concert kreeg je de volgende dag die mail met het verzoek te exposeren in de Markehof in Marknesse. EEN VERZOEK! Je hoeft niet eens met je schilderwerk te lopen leuren. Je werd er voor gevraagd en 22 januari ga je de boel daar ophangen.”

“Ja, ik weet het nog. Ik las de mail en stoof naar beneden om het mijn lief te laten weten. Hartstikke blij werd ik er van. Geen idee waarom zo’n blijdschap daarna zomaar minder wordt.”

“Hé, trouwens, je schilderij van die mus, die op steigerhout, die heb je toch maar mooi in de etalage van boekhandel Marsman mogen laten plaatsen. Wie weet verkoop je ‘m wel.”

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

“Daar ben ik inderdaad zelf achteraan gegaan. Maar dat gedoe van een prijs bepalen vinden ik dan heel vervelend. Als ik het voor een prikkie te koop zet neem ik mezelf niet serieus en als ik het te duur maakt koopt niemand het. Trouwens, als het schilderij verkocht wordt vind ik dat ook weer lastig. Het is toch een beetje een kindje van me”.

“Jemig hé wat kan jij zeuren. Die schilderijen van de honden van Jan heb je toch ook niet meer?”

img_7157img_7765 - kopie

“Nee, maar die kan ik wel iedere week vanuit het raam bekijken als ik pianoles heb. Niet dat ik dat doe, maar het kan wel.”

“En dat schilderij en het portret van je ouders? Die heb je ook niet meer.”img_5880img_6385

“Nee, maar die zie ik als ik daar ben. En trouwens, het is heus niet allemaal rozengeur en maneschijn hoor. Je vergeet zeker dat ik me best zorgen maak om mijn oudste dochter en haar twee kinderen. Het heeft bijna een jaar geduurd voordat die scheiding er doorheen was, maar daarna leek de ellende alleen maar groter te worden voor haar. En dat ik al drie jaar geen contact meer heb met mijn zoon ben je zeker ook vergeten? Gek genoeg went dat ook nog en soms bedenk ik dat het zonder het contact met hem een stuk rustiger is. Het gevoel daar eigenlijk niet welkom te zijn en altijd net het verkeerde te zeggen was soms dodelijk. Spitsroeden lopen deed ik als ik daar was. En dat ik dat dan zo voel vind ik dan eigenlijk ook weer verkeerd.”

“Nee, dat ben ik niet vergeten. Maar ik dacht dat je dit aardig naast je neergelegd had.”

“Dat heb ik ook, maar soms springt er een laatje open in mijn hersenkast en floept dit naar buiten. Dan ben ik er toch weer even mee bezig.”

“Jeetje joh, dat weet ik dan toch niet?”

“En dan mijn moeders verjaardag. Ze heeft weet ik hoe vaak gevraagd wat mijn vrije weekend was, zodat ze het in dat weekend zou vieren. En wat doet ze? Gaat ze ineens zelf aan het rekenen met die weekenden en nu viert ze het dus in mijn werkweekend. Ik heb in ieder geval kunnen regelen dat ik eerder weg kan, zodat ik niet heel laat in de middag aankom, maar toch. Morgen ga ik nog proberen of er een flex-medewerker voor me wil werken. Dan ben ik die dag gewoon vrij.”

“Ja, ik hoor het al, jij hebt echt een januari-dip, want je maakt overal een probleem van op dit moment. Weet je, zo halverwege februari is het vast weer over, want zo gaat dat ieder jaar. Je moet gewoon nog een paar weken doorbijten.”

En zo zeurt het maar door in mijn hoofd. Het is net alsof mij ieder jaar overvalt dat het nieuwe jaar begonnen is en dat er eigenlijk niets verandert is. Eerlijk gezegd hoop ik, doordat ik het zo opgeschreven heb, dat het nu gewoon even rustig wordt in dat hoofd van mij. Ik heb de opname van het pianofest er bij gedaan en alle schilderijen die in mijn verhaal voorkwamen ook. En dan kom ik ook tot de conclusie dat ik toch echt geen recht heb op deze januari-dip. Maar helaas, ik heb er wel last van.

Huh?

huh

“Zuster, ligt mijn wandelstok in jullie keuken? Ik heb ‘m op tafel gelegd tijdens het eten en nu is ‘ie verdwenen. Zal wel gestolen zijn, gelijk met m’n portefeuille.”

“Als ik dit opgeruimd heb zal ik even voor u kijken.”

“Nee, uw wandelstok ligt niet in onze keuken.”

“Weet u het zeker, want tijdens het eten lag ‘ie nog op tafel”.

“Hij ligt er echt niet, maar ik wil straks wel even helpen zoeken hoor.”

“Nee, dat hoeft niet, want we hebben er vandaag al vier uur lang naar gezocht. Zelfs mijn zoon kon ‘m niet vinden.”

“Was u zoon vandaag bij u op bezoek. Wat fijn voor u.”

“Nee, hij was hier gisteren.”

“O.”

“De enige plek waar mijn stok zou kunnen liggen is onder het bed. Maar daar wilde niemand kijken.”

“Dan doe ik dat toch even”.

Ik zak op mijn knieën en ja hoor, helemaal tegen de muur lag de wandelstok. Nadat ik weer overeind was gekomen haalde ik het bed van de rem en reed het iets opzij zodat ik bij de wandelstok kon.

“Kijk, hier is uw wandelstok.”

“Waar heb je die gevonden?”

“Achter u bed. Hij was dus niet gestolen. Gelukkig maar.”

“Ik heb helemaal niet gezegd dat ‘ie gestolen was.”

Uh…………………………..en nee, een dank je wel voor mijn moeite kon er niet meer af.

Poepend rijk worden

Poepend rijk

Vooral moe was ik op nieuwjaarsdag. Het viel niet mee om na oudjaarsavond om 5.30 uur op te staan om vervolgens om 7.00 op mijn werk te beginnen.

Gelukkig hadden we een goede bezetting waardoor er gewoon aandacht aan de bewoners besteed kon worden. Na onze eigen lunch werd het tijd voor de warme maaltijd van de bewoners. Inmiddels was bij mij de “meligheid” toegeslagen. Gewoon doordat ik zo moe was. Vier dagen een vroege dienst en dan die jaarwisseling tussendoor hakten er bij mij goed in.

Ik zat bij de bewoners aan tafel toen zij aan hun toetje toe waren. Feestelijke toetjes met een laagje witte chocolade er om heen dat versierd was met en soort pareltjes. En juist die pareltjes gingen met mijn “meligheid” aan de haal.

“Wel die pareltjes opeten hoor. Dan groeit er een parelboom in onze buik en gaan we parteltjes poepen die we op de markt kunnen verkopen. Dan worden we poepend rijk.

Ook deze keer had ik eerst even opzij gekeken of haar mond wel leeg was, want een lachbui waarbij het toetje over tafel sproeit leek me wat rommelig worden. Haar mond was leefg en ze kreeg een enorme lachbui. De andere bewoners overigens ook. Kijk, daar is die “meligheid” dan weer goed voor.