Monthly Archives: December 2017

Stoom uit mijn oren

stoom uit mijn oren

Sinds ongeveer een week hebben we er een nieuwe bewoner bij. Dat betekent een week of zes wennen aan elkaar. Hij aan ons en aan de andere bewoners en vice versa. Hij is iemand die van provoceren lijkt te houden en doet dat vooral tijdens de maaltijden. Dat is het moment dat iedereen in de huiskamer aanwezig is. De rest van de dag gaat iedereen toch een beetje zijn eigen gang.

Het is tweede Kerstdag, vlak voor de broodmaaltijd van 17.00 uur komt hij al luidruchtig binnen en praat een bewoner na die iets tegen mij zegt. Dat valt al meteen verkeerd bij de anderen. Hij gaat zitten vraagt zich meteen hardop af hoe lang het gaat duren voordat hij wat krijgt. Ik schenk koffie, thee en melk in en vervolg mijn werkzaamheden. Een aantal krijgen brood, boter en beleg en kan zichzelf dan verder redden. Onze nieuwe bewoner ook, ondanks dat zijn linkerhand niet goed meedoet. Op het moment dat ik voor zijn buurman brood begin te smeren begint het:
“Waarom moet ik zelf mijn brood klaarmaken en hij niet? Hij heeft twee klauwen en ik maar één.”

“U smeert tot nu nog alle keren zelf uw brood want uw linkerhand werkt nog een beetje mee en uw buurman heeft echt maar één hand tot zijn beschikking.”

Ik ga naar de volgende tafel en vraag wat de bewoners daar op brood willen. De ene wil nog wel wat van de salade, maar de ander wil iets wat hij beter niet kan eten omdat hij dan meestal halverwege moet braken.

“Jij wil altijd iets wat er niet is, of wat je niet mag!” hoor ik de nieuwe bewoner zeggen.

Ik vraag hem om zich niet met de anderen te bemoeien.

“Ik mag toevallig zeggen wat ik wil, ook als het jou niet uitkomt.”

Professioneel of niet, ik voel boosheid naar boven borrelen, maar ik reageer verder niet. Als iedereen van brood is voorzien ga ik de medicijnen delen. Voor hem trek ik de insulinepen op en pak een metformine tablet. “Alstublieft, uw medicijnen.”
“Steek die maar in je reet, samen met het brood en het beleg. Ik hoef die rommel niet.”

Ik pak de medicijnen weg en laat hem weten dat hij van mij de medicijnen niet hoeft in te nemen.
“Daar heeft u alleen uzelf mee, niet mij.”

“Ach mens, doe gewoon je werk en zeur niet.”

Het vervelendste is dat hij hiermee twee bewoners op zijn hand krijgt en dat er bij de rest van de bewoners een dodelijke stilte valt. Het is duidelijk dat wij als team hier iets mee moeten. Duidelijkheid naar de bewoner toe, duidelijkheid voor ons hoe te handelen. Hem nu naar zijn kamer sturen zal geen effect hebben.

Na de maaltijd verdwijnt hij weer naar zijn kamer. Zijn buurman zucht en zegt: “Wat een rotzooi is het hier”. Ik kan niet anders dan dit beamen.

Als ik de tafels afruim gaat mijn pieper en op het display zie ik dat de bel afkomstig is van de nieuwe bewoner. Ik besluit eerst alles op te ruimen voordat ik bij hem ga kijken. Hij ligt op bed en ik vraag hem wat ik voor hem kan doen.

“Wil je de televisie aan doen en ik wil een schone broek.”

Ik sta een poosje te kijken terwijl mijn hersenen op volle toeren draaien om te bedenken hoe ik hierop zal reageren. Het hele voorval van daarnet negeren of hem daar nog op aanspreken. Hij is nu gewoon weer vriendelijk. Ik besluit tot het laatste en pak er een stoel bij.
“Nog geen kwartier geleden kon ik geen goed doen, moest ik niet zeuren en gewoon mijn werk doen. Ik kon het brood, het broodbeleg en uw medicijnen in mijn reet steken en nu vindt u het de gewoonste zaak van de wereld dat ik uw televisie aanzet en u verschoon. Ik vind dit een rare gang van zaken en vraag me af hoe u het zou vinden als ik zou zeggen dat u die televisie en die schone broek in uw reet kan steken.”

Hij kijkt me een poosje aan en zegt niks, maar ik zie hem denken. Ik help hem met de schone broek, zet de televisie aan en wens hem een fijne avond.

Tien minuten later, als ik met mijn collega’s zit te eten en stoom afblaas over deze man komt hij met zijn scootmobiel langs. Of ik even wat sigaretten voor hem wil pakken. Daarna vertrekt hij, maar rijdt de verkeerde kant op. Hij verdwaalt nogal eens dus loop ik achter hem aan. Hij bleek nog niet naar beneden te gaan, maar moest zijn scootmobiel nog aan de lader zetten. Zijn accu is bijna leeg.

“U bent in de verkeerde gang, daar is uw kamer niet.”
“Dat gebeurt me hier iedere keer. Ik snap er niks van.”

“O, ik wel hoor. Wij verwisselen de gangen als u even een poosje op bed ligt.”

Hij kan er wel om lachen en zegt: “Ja, dat dacht ik al.”

“Dan is het in ieder geval niet uw schuld dat u verdwaalt.”

Zijn accu blijkt echt leeg, dus duw ik hem terug naar zijn kamer en ik kan het niet laten om toch nog iets over het eerdere voorval te zeggen: “Eigenlijk hebt u wel mazzel dat ik dit tijdens mijn pauze voor u doe. Zeker nadat u zich tijdens de maaltijd zo misdragen heeft. Ik had ook kunnen zeggen dat u die scootmobiel maar in u reet moest steken. Maar ja, dat ding is een beetje groot en gaat waarschijnlijk niet passen.”

De rest van de avond heb ik geen last van hem. Tegen 21,30 uur vraag ik hem zijn sigaretten en aansteker in te leveren, want hij is al een aantal keer betrapt op roken in bed. . Zonder problemen krijg ik de spullen van hem en ik wens hem goede nacht.

Tijdens dit soort diensten en helemaal tijdens de Kerst vraag ik me af waarom ik dit werk doe. Vaak zegt men dat dit zulk dankbaar werk is, terwijl dat echt niet altijd het geval is. Het is schipperen tussen alle kuren en korte lontjes van iedereen. Ik begrijp echt wel dat mensen het moeilijk hebben met hun afhankelijkheid. Ik begrijp alleen niet altijd waarom ze zich dan afzetten tegen degene waarvan ze hulp krijgen. Maar goed, ander werk? Ik zou eerlijk gezegd ook niet weten wat voor werk dan. Het blijft een boeiend beroep.

 

Advertisements

Mijn kerstliedje

Gisteren raakte ik in het centrum van Emmeloord het totale gevoel voor Kerst kwijt. Er stond een stand van de KWF kankerbestrijding waarbij de mensen die daarbij hoorden een carnavalsmuts op hadden. Als muzikale noot klonk “keboenkeboenk” muziek. Verderop speelde een draaiorgel “Daar in het kleine café aan de haven”. Jammer vond ik het.

Tijdens Kerst werk ik avonddiensten. Dat valt niet mee, voor mij niet, maar ook voor onze bewoners niet. Niet omdat ik dan werk hoor, maar eerst het weekend waarin niks te beleven valt voor deze mensen en dan nog eens twee Kerstdagen zonder activiteiten. De irritaties tussen de bewoners onderling lopen dan nogal makkelijk op en daar moet ik dan tussendoor zien te laveren.

Aan de voorbereidingen van “The little drummer boy” heb ik een hoop lol beleefd. Een liedje met als begeleiding een trommel. Eerlijk gezegd had ik geen flauw idee wat ik er dan voor begeleiding bij moest maken. Talloze youtube filmpjes heb ik bekeken en er zaten hele leuke versies tussen, maar daar kon ik op de piano niets mee. Tot ik op een avond, vlak voordat we naar het optreden van LAVALU zouden gaan, een pianokwartet van Dvorák hoorde inzetten. Het begon met een motiefje wat een aantal keer terugkwam. Het gekke is dat ik meteen hoorde dat ik met dat ene motiefje, van slechts vier noten, een begeleiding zou kunnen maken. Het spookte zelfs tijdens het optreden van LAVALU door mijn hoofd. Ik moest het echt parkeren anders had ik van dat hele optreden weinig gehoord. Thuis gekomen opende ik de pianoklep, duwde het studiepedaal naar beneden en probeerde het motiefje uit. En ja hoor, het werkte!

In de loop van de weken bouwde ik het motiefje verder uit en iedere week vorderde het. Het blijft een heel proces om zelf de pianobegeleiding te spelen en dan ook nog te zingen. Bij mij duurt het even voordat dit bij elkaar komt.

Tijdens “Sing a Song @ Christmasdinner” mocht ik het uitvoeren. Ik raakte wat afgeleid door de achtergrondgeluiden, maar herpakte me al snel weer. Uiteraard was ik niet de enige die zong, er waren meerdere optredens en het werd een geweldig leuke avond.
Misschien vind je het leuk om naar het liedje te luisteren. Ik heb geen wereldstem en, zoals ik al eerder opmerkte, ik raakte wat afgeleid door de achtergrondgeluiden. Het is niet perfect, maar de lol die ik er aan gehad heb was dat wel.
Voor iedereen een fijne Kerst en een goed 2018 gewenst.

Jeuk

jeuk

Hij heeft rode plekken op zijn rug en heupen. Daar heeft hij last van want het jeukt, zodat daar een zalf voor is voorgeschreven.

Doordat hij incontinent is, heeft hij ook vaak jeuk aan zijn geslachtsdeel. Ook daar heeft hij een zalf voor gekregen.

Hij ligt ongeveer een half uur in bed als hij belt. En dan nu het taalgebruik van onze al wat oudere bewoner:
“Volgens mij heb je de verkeerde zalf gebruikt. Ik heb nog nooit zo’n jeuk aan mijn pik gehad.”

 

De verdwaalden

verdwaald

Misschien lag het aan het weer, of aan de naderende Kerst, wie zal het zeggen.

Ik bracht rond een uur of zes iets terug naar de tweede etage en zag daar een bewoner van de derde etage in de deuropening van een kamer. Haar kamer, maar dan een etage te laag. Ze wilde er niet meer weg en mijn collega’s vroegen of ik haar mee wilde nemen.

“Gaat u mee naar boven, naar uw eigen kamer?”

“Nee hoor, daar ben ik al geweest. Als ik daar weer heen moet ga ik naar huis!”

Tja, in deze kamer kon ze niet blijven, die was niet van haar. Ik haalde de stoel van de rem en al pratend liep ik met haar naar de lift.

“Hier ben ik ook al geweest”, waren haar woorden toen de liftdeuren open gingen.

“De lift is toch de enige mogelijkheid om van beneden naar boven te komen. Met de rolstoel over de trap is niet zo handig.”

“Nee, daar krijg je ongelukken van.”

Ik bracht haar terug naar mijn collega’s van de andere gang op drie hoog. Daar zag ik een collega rennen en vliegen, want er was een bewoner van ons verzeild geraakt bij het verpleeghuis aan de overkant.

“Nee, dat is deze mevrouw niet, ik kwam haar tegen op de tweede etage.”

Mijn collega vloog de trappen af om de verdwaalde bewoner op te halen.

Later op de avond, het zal tegen negenen zijn geweest, zag ik vanuit mijn ooghoeken een man in een rolstoel langs de kamers gaan. Hij was duidelijk aan het zoeken en ik liep naar hem toe. Ik zag dat hij van mijn leeftijd was en zo te zien had hij een linkszijdige verlamming.

“Bent u op zoek naar iemand?”

“Nee, ik zoek mijn kamer.”

“Op welke etage woont u?”

“Dat weet ik niet?”

“Bent u aan het revalideren?”

Zichtbaar opgelucht knikte hij van ja.
“ Dan woont u op de eerste etage. Als u even wacht loop ik met u mee naar de lift”. Daar aangekomen reed hij de lift in.

“U moet naar één hoog.”

“Dan moet ik op deze knop drukken, toch?”

“Ja, helemaal goed!”

Ik ging weer terug naar de afdeling en hervatte mijn werkzaamheden.

Om elf uur, tijdens de overdracht vroeg ik mijn collega wie er aan de overkant terecht was geraakt. Het bleek iemand van één hoog te zijn. Waarschijnlijk de verkeerde kant op gegaan na het roken.

Onderweg naar huis, waarbij ik niet verdwaalde, bedacht ik hoe blij ik ben dat ik in het verpleeghuis werk en er niet hoef te wonen.

 

Besmettelijk

morsig mannetje

Hij is een ‘morsig’ mannetje om te zien. Om hem ‘s morgens te helpen met wassen en aankleden moeten we alle zeilen bijzetten. Zijn ritme is dat hij eerst naar beneden gaat om te roken. Hij trekt, zo goed en zo kwaad als het gaat, zijn lange broek over zijn natte inco aan en is er niet toe te bewegen om zich eerst even te laten fatsoeneren.

Na het roken wil hij eerst ontbijten en soms komt dat ons dan eigenlijk ook beter uit. We moeten alleen opletten dat hij na het ontbijt meteen verdwijnt naar de rookruimte. Gelukkig moet hij ons om sigaretten vragen, anders is hij te snel door zijn rantsoen heen, terwijl zijn budget ook zeer beperkt is.

Douchen en zich scheren wil hij alleen op zondag en soms weigert hij dat ook nog. Zijn gebit mogen wij niet poetsen, want dat doe hij zelf. Helaas is dat niet het geval en heel soms weten wij hem te overtuigen dat het gebit toch nodig een poetsbeurt nodig heeft.

Gisteren, in de namiddag, kwam hij met zijn rolstoel de keuken binnen.

“Jongedame, ik heb nog vis in de koelkast liggen. Wil je dat er even uithalen?”

“Natuurlijk, maar we gaan pas over een half uur eten.”

“Dat weet ik, maar dan is die vis niet meer zo koud.”

Ik ben verkouden, krijg een niesbui en snuit daarna mijn neus. Kijk, en hygiënisch als ik ben was ik daarna mijn handen en pak dan pas de vis uit de koelkast. Het is gerookte makreel.

“Wilt u ze allebei?”
“Nee, één is genoeg.”

“Dan leg ik die, afgedekt, op een bordje op het aanrecht tot het etenstijd is.”

En dan komt het: “Ja maar niet met uw besmettelijke handen!”

“Natuurlijk niet, ik gebruik wel een vork.”

Overigens is het natuurlijk wel leuk om op je 59e met ‘jongedame’ te worden aangesproken.