Monthly Archives: June 2017

Bang, boos of allebei?

bang, boos of allebei

We hebben twee terminale cliënten op de afdeling. Beiden zijn hier tijdelijk tot er een plekje vrij komt op een palliatieve afdeling. De één, hij is van mijn leeftijd, is er rustig onder. Hij wil bij de eerste controleronde een flesje nutridrink en een kan water met ijsblokjes. Verder geen controles ‘s nachts.

De ander is stukken ouder en is er duidelijk niet aan toe dat hij dood gaat. Hij is boos, is in nood en heeft hulp nodig. Tijdens de eerste nacht belt hij regelmatig. “Ik ben in nood, ik heb hulp nodig en jullie doen niks. Jullie laten me gewoon dood gaan”, is zijn klacht. Daar komt bij dat hij vindt dat ik niet snel genoeg op zijn bel reageerde. Ik doe een poging om uit te leggen dat ik bij iemand anders was en daar niet meteen weg kon. “Ja, jullie hebben voor iedereen tijd, behalve voor mij. Ga maar weg, laat mij maar gewoon dood gaan.”

Ik vraag hem of hij een glaasje warme melk wil zodat hij daarna misschien even kan slapen. Dat wil hij wel en dankbaar drinkt hij het glas leeg. Daarna overleg ik of het misschien beter is om het licht uit te doen. “Doe maar.”

Hij slaapt inderdaad van drie uur tot een uur of vijf. Daarna begint het bellen iedere tien minuten. “Ik heb hulp nodig!” Ik vraag hem wat ik voor hem kan doen. “Dat moet u mij niet vragen. U bent de expert. Ga ook maar weg, laat mij maar gewoon dood gaan.” Hij draait zich van mij af en contact krijg ik niet met hem.

Toevalligerwijs heb ik de E-learning “Palliatieve zorg” net afgerond, maar met alle tips die ik daar tegenkwam kan ik met deze man helemaal niets. Hij wordt bij alles wat ik zeg boos en ik voel me eigenlijk best een beetje tekortschieten. Iets wat niet hoeft, want ik had van collega’s ook al begrepen dat het allemaal niet makkelijk verloopt met deze cliënt.

Op een gegeven moment hoor ik hem hard praten en reageert er een vrouwenstem. Ik loop naar zijn kamer en kijk tegen wie hij praat. Er is niemand, hij telefoneert en is ook boos op degene die hij aan de lijn heeft. “Laat dan maar, niemand wil mij helpen. Laat mij maar gewoon doodgaan” en ik zie dat hij zijn telefoon van zich af gooit.

Als ik weer naar hem toe ga neem ik een kalmerend tabletje mee, dat gaat z’n werk wel doen, maar niet meteen. Hij bleek een vriendin te hebben gebeld om te vragen of zij z’n zoon wilde bellen. Zij vond het daar nog wat vroeg voor en daar was ik het wel mee eens. Hij duidelijk niet, want door niet zijn zoon voor hem te bellen begon hij “Brand! Brand!” te roepen. Het uiteindelijke resultaat was dat ik zijn zoon belde en toen ik naar huis mocht kwam deze de afdeling op hollen. Zijn vader had hem gebeld, en was in nood. Ik heb even met zijn zoon staan praten en even een en ander uitgelegd. Daar werd zijn zoon gelukkig wat rustiger door.

De tweede nacht begon deze cliënt meteen met bellen. Zo’n vier keer in een half uur. Ik was nog maar net binnen en reageerde direct op zijn bellen. “Goh, u bent er al” reageerde hij verbaasd. Weer wilde hij hulp en weer kon hij niet aangeven waarmee. Ik probeerde zijn hand vast te pakken en wilde gewoon even bij hem blijven. Daar was hij duidelijk niet van gediend. “Rotwijf, je bent al net zo erg als de rest”. Ik had werkelijk geen idee wat ik met hem aanmoest. Hij zag er nogal verhit uit, maar ik had begrepen dat hij het nogal snel koud had. “Zo te zien heeft u het warm, zal ik het raam een stukje open zetten?” Het mocht en daarna heb ik hem de hele nacht niet meer gehoord. Af en toe liep ik bij hem naar binnen, maar hij lag heerlijk te slapen.

Zou dat gewoon het hele probleem zijn geweest? Had hij het gewoon te warm en kon hij dat niet meer uitleggen? Ik zal het nooit weten, want de volgende dag wordt hij overgeplaatst.

Advertisements

Mijn claustrofobische ik

 

De microfoon

Kijk, pianospelen is één ding, zingen ook. Maar pianospelen en zingen tegelijk zijn twee dingen die je tegelijk moet doen. Dat is een soort puzzel waarbij alles op z’n plek moet vallen en dat gaat niet van de ene dag op de andere.

Ik weet nog goed, die eerste les zingen en mezelf begeleiden. Echt waar, ik scheet zeven kleuren bagger. Sorry voor het taalgebruik, maar zo zeiden wij dit toen ik nog het voortgezet onderwijs volgde. Dat is inmiddels alweer ruim 40 jaar geleden, maar de kreet ben ik niet vergeten. Net zoals iets “geen pan” is, geen gezicht dus. De polderbewoners kennen deze uitdrukking niet en na ruim vijf jaar hier wonen gebruik ik deze uitdrukking vrijwel niet meer. Toch is het leuk om ‘m af en toe te laten vallen, want dan krijg ik van die verbaasde blikken toegeworpen, maar dat even terzijde.

Maar goed, dat zingen en pianospelen tegelijk. Als iemand mij vorig jaar had verteld dat ik dit zou gaan doen had ik ‘m waarschijnlijk voor gek versleten. Niets zo veranderlijk als een mens, ook ik niet, en laat ik het nu ontzettend leuk vinden. De zoektocht om het akkoordenschema om te zetten in een begeleiding, de puzzel die dat voor mij is om uiteindelijk tot iets te komen wat leuk is. En dan die teksten uit m’n hoofd leren. Ik heb nog nooit zoveel gezongen als de laatste paar maanden. Zelfs in de auto galm ik af en toe een song, maar dat blijkt toch niet altijd handig te zijn. Want wat gebeurt er dan? Ik ga veel te hard rijden en dat heb ik pas door als ik wel erg veel auto’s passeer. Dus zingen in de auto doe ik maar niet meer en als ik wel zing doe ik het zachtjes. Gek genoeg ga ik dan niet harder rijden. Of misschien is dat logisch en is daar een wetenschappelijke verklaring voor. Wie het weet mag het zeggen.

En dan heb je nog die microfoon. Een hulpmiddel wat ik nog niet eerder gebruikt heb, dus het was even wennen. De eerste keer kreeg ik daar een zeer claustrofobisch gevoel door. Die microfoon kwam veel te dichtbij en tja, daardoor werd voor mijn gevoel de ruimte om me heen kleiner. Idioot eigenlijk, alhoewel, ik voel me bij vlagen ook claustrofobisch achter mijn bril. Vooral als het warm is. Ja, een beetje raar ben ik wel.

Maar ook je eigen stem horen alsof ‘ie niet uit jezelf komt. Dat was toch ook wel wat vreemd en ik wist ook niet goed of ik dit nu wel mooi vond. Maar ook dat blijkt te wennen.

De laatste twee lessen kwam de microfoon er ook aan te pas, want tja, het is wel iets waar ik mee moet leren omgaan. Achter de vleugel had ik nagenoeg geen last van dat ding. Ik kon de muziek, nou ja muziek? Als je op mijn papier kijkt zie je alleen tekst met daarboven akkoorden geschreven. Ha ha, nooit gedacht dat ik dat zou kunnen, maar het lukt. Maar goed, ik kon de muziek goed zien. Dat was de laatste keer een ander verhaal, want ik had les op de piano die achter in de tuin in een tent stond. De piano bleek lager te zijn dan de vleugel, waardoor ik hoger zat dan normaal. Mijn muziek stond lager dan normaal en eerlijk gezegd stond de microfoon, volgens mij een andere, toch behoorlijk in de weg. Claustrofobie werd meteen geboren, maar die heb ik meteen geparkeerd. Dan kon ik er niet bij gebruiken, maar ondertussen probeerde ik wel zo nu en dan p, microfoon heen te kijken om de muziek te kunnen zien. Ja, dat kan natuurlijk niet, want dan zing je naast de microfoon. Dat heeft volgens mij een beetje vreemd effect. Waarom ik naar de muziek moest kijken weet ik ook niet, want het zit in mijn vingers en in mijn hoofd.

Het is maar goed dat ik deze ervaring heb opgedaan, dan vlieg ik zaterdag hopelijk niet uit de bocht. Die claustrofobie laat ik gewoon thuis en ach, als er iets mis gaat is er nog geen man overboord. Dan ben ik waarschijnlijk wat uit mijn hum maar daar ga ik niet dood aan.