Monthly Archives: October 2016

Een heel mooi, maar tegelijkertijd moeilijk klote jaar

een-mooi-en-moeilijk-klote-jaar

Kan een jaar tegelijk mooi en klote zijn? Ja, ik heb zelf ervaren dat het kan en dat jaar is eigenlijk nog niet helemaal om. Nog een week of vier te gaan, dan is dat jaar pas afgerond.

Went het, dat je twee van je drie kinderen al bijna een jaar niet gezien hebt? Ja, gek genoeg wel. Het went zelfs als je vier van de zes kleinkinderen ook al bijna een jaar niet gezien hebt. Ik heb het overleefd en de draad van mijn eigen leven opgepakt. Voor degene die de verhaaltjes over mijn kleinkinderen volgen is nu meteen duidelijk waarom ik nog maar over twee kleinkinderen schrijf.

Met mijn jongste dochter heb ik goed contact, terwijl het contact met haar tot vorig jaar niet heel geweldig was. Ze wilde heel lang per se niet op mij lijken, terwijl ze van alle drie het meest op mij lijkt. Mijn moeder zei het vroeger al, de jongste is echt jouw kind. Ze ziet het nu zelf ook en is er trots op.

Met de middelste had ik het meest contact, dus dat dit er niet meer is voelt raar. Wat is er eigenlijk echt aan dat contact geweest, vraag ik me wel eens af. Als ik bij de oudste van de drie was voelde ik altijd wel een bepaalde afstand. Net alsof het allemaal niet klopte, iets wat ik steeds maar weer van me af zette.

Vorig jaar, in september, ging mijn jongste bij haar man weg. Een scheiding volgde en mijn twee kleinkinderen wonen de ene helft van de week bij hun vader en de andere helft bij hun moeder. De breuk met mijn andere twee kinderen ontstond rond Sinterklaastijd. Er ging van alles mis tussen mijn kinderen en mij over dat feest, zodat ik uiteindelijk met een heleboel cadeautjes bleef zitten. Ik bespaar jullie de details, maar uiteindelijk volgde ik mijn gevoel en nam een beslissing terwijl ik geen idee had wat de gevolgen daarvan waren. Ik koos er voor om het Sinterklaasfeest bij mijn jongste dochter te vieren en bij de andere twee de cadeautjes af te geven. Niet lang daarna kreeg ik van mijn zoon te horen dat hij het contact met mij wilde verbreken. Gek dat ik dit altijd heb aan voelen komen en toch ook altijd heb gedacht dat dit niet zou gebeuren. Het zit schijnbaar in de genen, want zijn oma en opa van zijn vaders kant verbraken ook ooit het contact met de ouders van opa. Ze hebben ook, toen mijn kinderen nog klein waren, het contact met ons verbroken. Dat kwam na een jaar of twee pas weer “goed”. Helemaal goed was het niet te noemen, maar er was weer contact, wat ik voor de kinderen fijn vond.

De reactie van mijn ouders was nogal verrassend, want zij gaven aan dat zij het lastig vonden om contact te hebben met hun kleinzoon en hun achterkleinkinderen te zien opgroeien, terwijl de oma van hun achterkleinkinderen buiten beeld moest blijven. Vooral mijn moeder was hier heel stellig in maar had het er ook heel moeilijk mee. Het resultaat was dat zij hartklachten kreeg. Mijn vader was alleen maar ontzettend boos en had ze wel eens flink de les willen lezen. Dat kwam er uiteindelijk allemaal niet van, vooral doordat mijn moeder niet in orde was. Gelukkig liep met mijn moeder’s gezondheid alles met een sisser af. Ze zijn onlangs nog gewoon op vakantie geweest naar Malta. Heerlijk als je dat kan als je 81 en 88 jaar oud bent. Zo wil ik ook wel oud worden.

Mijn zoon was stomverbaasd dat zijn oma op deze manier reageerde. Het gevolg was dat mijn middelste, ook een dochter, daar ontzettend boos over werd. Zij vond het raar dat oma en opa zo reageerden. Nog bozer werd zij toen mijn jongste met haar twee kinderen bij ons oud&nieuw vierde en een paar nachten bleven slapen. Ik heb deze dochter gewoon niet meer gesproken. Als ik belde nam zij niet op. Op sms’s reageerde zij niet en mails bleven onbeantwoord. Ook oma en opa werden genegeerd. Dit is iets wat ik nog steeds niet begrijp.

De eerste vier maanden had ik dagelijks huilbuien. Onmacht, verdriet en boosheid streden met elkaar. In die vier maanden ben ik al mijn pijn van me af gaan schrijven. Pijn die al in mijn eerste huwelijk begon. Zo’n beetje rond de geboorte van mijn zoon. Ik had zwangerschapsvergiftiging en lag in het ziekenhuis. Mijn schoonmoeder bleek mijn moeder bij mij weg te houden met allerlei smoezen richting mijn moeder en mij. Iets wat mijn moeder en ik helemaal niet in de gaten hadden, maar later pas aan het licht kwam. Eigenlijk had ik op dat moment zelf het contact met mijn schoonmoeder moeten verbreken. Ik denk dat ik dat niet durfde. Het huwelijk was moeizaam, want eigenlijk pasten wij totaal niet bij elkaar. Toch gingen mijn man en ik pas na 20 jaar uit elkaar.

En tja, erg fraai was het allemaal niet, want ik was verliefd op een ander geworden. Niet dat dit ooit iets geworden is. Ik wist tijdens die verliefdheid ook heel goed dat dit nooit iets kon worden. Het gaf mij alleen wel de moed om weg te willen bij mijn man. Een heel gedoe als je kinderen 11, 14 en 17 jaar oud zijn.

De jaren hierna heb ik heel wat beslissingen moeten nemen. Ook beslissingen die niet altijd voor iedereen leuk waren. Mijn ex hoefde dit niet, die zag de kinderen vrij weinig. Eens in de zoveel weken aten ze bij hem, verder hield hij zich overal buiten. Of nee, toch niet, als hij kans zag om een wig te veroorzaken tussen mijn kinderen en mij liet hij dat vooral niet na.

Mijn kinderen hadden weinig met hun vader op, en gek genoeg kan hij nu geen kwaad doen. Nee, hij heeft nooit gesprekken met ze hoeven voeren in hun puberteit. Hij heeft nooit eisen aan ze hoeven stellen en ook nooit vervelende beslissingen hoeven nemen. Dan kan je het dus duidelijk niet fout doen.

Ooit was er iemand die tegen mij zei: “Soms gebeurt het dat een moeder de kinderen door de puberteit heen loodst en dan kiezen ze daarna partij voor hun vader.” Er werd meteen bij gezegd dat gehoopt werd dat mij dit nooit zou gebeuren. Het gebeurde uiteindelijk toch.

In die tijd leerde ik een man kennen en de eerste periode leek dit allemaal heel leuk. Hij was gezellig, vrolijk en mijn twee dochters schijnen zelfs tegen mijn moeder gezegd te hebben: “We doen maar net alsof hij onze vader is”. Toen ik mijn flat opzegde en met de kinderen bij hem introk veranderde hij al snel. Hij was helemaal niet vrolijk, bleek toen. Ik heb nog gedacht dat dit misschien over zou gaan als mijn kinderen allemaal het huis uit zouden zijn. Inmiddels weet ik ook als geen ander dat stiefkinderen een behoorlijk druk op je relatie kunnen leggen. Helaas, toen het zover was dat wij met z’n tweeën waren bleek hij een onverbeterlijke mopperkont en sjachrijn te zijn. Wat jammer van al die verspilde jaren eigenlijk, want uiteindelijk ging ik ook bij hem weg.

Mijn jongste kreeg de kritiek over zich heen dat ze te veel op mij lijkt. Ik kreeg te horen dat wat hun jongste zusje deed niet kon. Je ging niet scheiden als je kindjes had. Dat was dus met een omweg meteen ook een verwijt naar mij.

Het contact met mijn jongste is fijn. Ik voel me betrokken bij haar leven. Ze heeft die hele mooie, maar ook moeilijke klote jaar in een halve woning gewoond met haar twee kinderen. Zelf had zij de grootste slaapkamer als zit-slaapkamer en haar kinderen deelden een slaapkamer. Een andere gescheiden vrouw had de woonkamer als zit-slaapkamer en haar dochter de andere slaapkamer. De keuken, badkamer en toilet deelden ze. Ik geef het je te doen en ik heb mijn petje voor haar afgenomen.

Gisteren is ze verhuisd naar een eigen flat in een buurt waarin ik zelf ook een flat kreeg na mijn scheiding. Ze heeft  inmiddels een hele lieve vriend en zijn vader heeft de laminaatvloer door het hele huis gelegd. Mijn lief en ik zijn er woensdagmiddag en vrijdag de hele dag geweest. Woensdag moest ik nog werken tot 10.30 uur, daarna ben ik naar huis gegaan en had mijn lief de bus al volgestouwd met alles wat bij ons stond. Het moest daar uitgeladen worden en met de lift naar boven gebracht. Een heel gedoe, want niet alles kon in één keer naar boven. Mijn kleinkinderen wilden helpen, allemaal hiel lief bedoeld, maar handig is dat natuurlijk niet.

Toen alles boven was moesten we naar een ander adres om het laminaat op te halen. Alles de auto in, vervolgens weer uitladen, de lift in en naar boven. Er werd meteen gewerkt aan de vloer van haar slaapkamer. Zelf ben ik naar buiten gegaan met mijn kleinkinderen, terwijl mijn lief aan het klussen ging.

Vrijdagochtend zaten we om 7.00 uur in de auto, zodat mijn lief mee kon met mijn dochter om her en der spullen op te halen. Kasten en een twee persoonsbed, waarvan het hoofdeind te groot bleek te zijn voor de lift. Met z’n vieren hebben ze het via het trappenhuis, tussen de trappen door, naar boven gehesen en geduwd.

Mijn kleinzoon bleef bij mij in de halve woning. Dat vond hij aanvankelijk niet zo leuk, maar hij ontdooide al snel. We zijn de eendjes gaan voeren en hebben bij de bouwvakkers gekeken. Rond lunchtijd gingen we samen naar de nieuwe flat. Daar bleek de vloer in alle slaapkamers al te liggen en ook in de woonkamer. Mijn lief en ik besloten de bedden van de kleinkinderen in elkaar te zetten. Daarna de eethoek, zodat het allemaal al wat leek te worden.

‘s Middags haalde ik mijn kleindochter uit school. Ondertussen was mijn ex met zijn vrouw ook gearriveerd om te kijken hoe de woning van onze jongste er uitzag.

Ik ben moe van de afgelopen dagen, want tussendoor moest ik ook gewoon werken. Vandaag heb ik een wandeltocht van 20 km gelopen en ontstond het verhaal, zoals ik het op kon schrijven, in mijn hoofd.

Een jaar lang heb ik hier niet over willen en kunnen schrijven, maar nu ben ik zo ver dat ik dat kan. Mijn conclusie is dat van mij verwacht word dat ik iedereen accepteer zoals hij of zij is. Aan de andere kant moet ik voldoen aan een bepaald plaatje en vergeet men mij te accepteren zoals ik ben.

En ja, het was dus een heel mooi, maar tegelijkertijd moeilijk klote jaar.

Ik vertrek

ik-vertrek

Het is weer zo ver. Ik vertrek en soms lijkt het alsof ik niet anders doe dan dat. Eerst vertrok ik uit mijn eerste huwelijk, daarna uit het tweede. En nee, ik verlaat mijn lief niet, dus je hoeft niet te schrikken. Ik was gewoon nog niet klaar met de hele opsomming.

Ik verliet de eerste kantoorbaan, de tweede, de derde en de vierde en ging in de zorg werken. Bij mijn eerste werkgever bleef ik tot ik van Middenbeemster naar de Flevopolder vertrok. Daarna kon ik denk ik mijn draai niet meer echt vinden. Ik vertrok uit het verzorgingshuis en ging weer werken in een verpleeghuis. Kijk, en daar vertrek dus ik binnenkort.

Een afdeling voor dementerenden is niet meer zoals ik het ken uit het verleden. Dit jaar is het thema in de zorg “Leven in vrijheid”, en dat geldt ook voor dementerenden. Er moet met zo min mogelijk ‘Middelen en Maatregelen’ gewerkt worden. Dat betekent dat er zo min mogelijk vrijheidsbeperkende middelen worden ingezet. Het klinkt heel mooi en voor sommige dementerenden is het misschien ook fijn, alhoewel? Ik schreef laatst al in een blog hoe alle deuren open moeten blijven zodat iedereen vrij rond kan lopen. Sommigen weliswaar met dwaalsensor, zodat ze niet door de BOPZ deur kunnen verdwijnen. Zodra dat gebeurt krijgen wij op onze pieper een melding en reppen we ons richting die deur om zo iemand terug te halen. Dat gaat niet altijd zonder slag of stoot, want zo iemand wil weg.

Wat ook vrijheidsbeperkend is, is de psychofarmaca. Dus zo min mogelijk kalmerende middelen en vooral ook geen antidepressiva. Persoonlijk zou ik het vreselijk vinden als bij mijn moeder ineens dit middel afgebouwd zou worden. Zij slikt dit zeker al 18 jaar in een lage dosering. Soms bouwde zij dit op eigen initiatief af. Mijn moeder voelde zich dan goed en vond dat medicijn overbodig. Al snel ontdekte zij dat ze zich dan minder prettig voelde. Stel nu dat zij in een verpleeghuis terecht komt en dat zo’n specialist ouderengeneeskunde dan besluit om die antidepressiva af te bouwen. Ik zou vechten als een leeuw om mijn moeder dit te laten blijven slikken.

Wie doe je nu eigenlijk een plezier met het afbouwen van kalmerende middelen en antidepressiva? De dementerende zelf volgens mij niet. Ze zijn onrustig en voortdurend op zoek naar iets wat er niet meer is. Ze maken ruzie met elkaar over de meest onzinnige dingen. Kortom, een aantal van hen is gewoon boos en wij horen daar oplossingen voor te vinden zonder die middelen die ik noemde. Allemaal leuk en aardig, maar dan hadden ze in Den Haag niet met die bezuinigingen moeten aankomen. Je kan niet aan de ene kant met minder personeel op de werkvloer hetzelfde werk blijven doen en dan ook nog verwachten dat we met een paar man allerlei activiteiten ontplooien om de bewoners aangenaam bezig te houden. Ook kan niet verwacht worden dat we een half uur naast een onrustige bewoner gaan zitten en haar hand vasthouden terwijl er nog een stuk of 30 aandacht willen. Dat gaat nu eenmaal niet.

Wanneer ik ‘s morgens begin aan mijn dag loopt de eerste bewoner al in pyjama rond. Op zoek naar, ja naar wat? Halverwege de ochtend loopt ze helemaal scheef, want zitten wil ze niet. Meestal zoekt ze haar kinderen. Een ander loopt vanaf dat tijdstip mopperend rond. Niks is goed en iedereen doet het verkeerd. Gisteren rukte ze een plant uit een pot en wilde daar een andere bewoner een klap mee verkopen. Gelukkig kon mijn collega dit nog op tijd voorkomen. Een ander vraagt zich voortdurend af waarom wij haar ‘dit’ aandoen.

Alle leuke anekdotes ten spijt raakte ik zelf helemaal overprikkeld op deze afdeling. Een chaos was vaak in mijn hoofd, vooral aan het eind van de dag. Maar vooral als er op diezelfde dag ook nog een artsenvisite was of een gedragsspreekuur. Alles wat daar besproken wordt moet verwerkt, doorgebeld aan familie en zodanig omschreven staan dat het voor iedereen duidelijk is. Dan schoot een verschoning bij deze of gene er wel eens bij in. Daar baalde ik dan van. Kon een ander dat dan niet doen? Ik hoor het je vragen. Natuurlijk kan dat, als er geen rare dingen tussendoor gebeuren wel, maar met veel zijn wij niet op de afdeling.

Nu vraag je je natuurlijk af wat ik dan voor werk ga doen. Tja, ik ga weer in een verpleeghuis werken, maar dan op een afdeling waar mensen verblijven met niet-aangeboren hersenletsel. Ik heb er een dagje mee mogen lopen/werken en voelde me daar meteen zo prettig bij. Uiteraard weet ik heus wel dat niet-aangeboren hersenletsel ook gedragsafwijkingen geeft. Toch is het anders dan bij dementerenden. Deze mensen kun je op het gedrag aanspreken. Bovendien zijn er afspraken gemaakt waar iedereen zich aan houdt, zodat dit ook werkt.

En natuurlijk weet ik dat ook hier de werkdruk hoog is en dat ik misschien wel tegen een heleboel dingen aan ga lopen die ik minder leuk zal vinden. Maar misschien ook niet, dat weet ik pas als ik er werk. Voorlopig heb ik er zin in en weet je wat fijn is? Het is in Lelystad, in een cultuur die lijkt op die van Noord-Holland en die ik dus ook herken. Zelfs het soort mensen dat ik voor de deur in rolstoelen zag zitten herkende ik. Geen idee of je dit begrijpt, maar gelukkig begrijp ik het zelf.

Er is nog een bijkomend voordeel. Als ik naar mijn ouders of kinderen wil na mijn werk, dan ben ik al een aardig eind in de goede richting en is mijn reistijd niet ineens nog eens een half uur langer.

In die bijna vijf jaar dat ik hier nu woon, in de Flevopolder, zie ik pas achteraf hoe lastig het is om een heel nieuw leven op te bouwen. Spijt heb ik er niet van, maar het had fijn geweest als ik dit van te voren had in kunnen schatten. Heel lang heb ik gezegd dat ik ooit terug zou willen naar Noord-Holland. Dat gevoel is nu pas weg, alhoewel ik nog steeds wel graag wat dichter bij mijn ouders en kinderen zou willen wonen. Gewoon omdat dat praktisch is. Ach, wie weet verhuizen we nog eens naar Lelystad. Dat is dan toch alweer wat dichterbij. Tegelijkertijd worstel ik dan met het gevoel dat dit niet eerlijk is tegenover de puberkinderen van mijn lief. Maar ja, voor wie is het leven wel eerlijk?

De slappe lach

de-slappe-lach

Op zijn bord lag een dubbele boterham met gebakken ei en hij zat er schaterend naar te wijzen. Hij had gewoonweg de slappe lach. Waarom wisten we niet. Het brood was slap geworden, zodat ik het maar in stukjes sneed en hem hielp met eten.Na iedere hap barstte hij weer in lachen uit. “Hebben ze lachgas in het ei gedaan?”, vroeg ik hem.

“Wie weet.” En weer schoot hij in de lach. De tranen liepen hem over de wangen, zo’n lol had hij. Bij mij werkte het aanstekelijk, terwijl de rest van de bewoners met doodernstige gezichten verder aten.

Na het eten bracht ik hem, vanwege alle prikkels, naar zijn kamer. Daar kantelde ik zijn stoel zodat hij even kon rusten. Ik pakte de cd van Wim Zonneveld zodat hij naar de liedjes kon luisteren. “Straks breng ik je nog wat te drinken.”

Met het glas drinken in mijn hand liep ik zijn slaapkamer binnen. Ja, hoor hij had dorst, maar niet het geduld om te drinken. Hij nam één slok en prikte toen met zijn vinger in mijn blote onderarm.

“Wat is dat?”

“Dat is mijn arm.”
Daarna prikte hij in mijn blote bovenarm. “En wat is dat?”

“Dat is ook mijn arm.”

“Vind je dat niet raar?”

“Nee hoor. Dit is jouw arm”, en ik weest naar zijn arm. “En dit is mijn arm. Jij hebt er twee en ik ook.”

“Toch vind ik het raar. Kijk, daar hadden ze net eieren gelegd en daar ook en daar was het per ongeluk.” Hij schoot weer in de lach en keek mij olijk aan.

“Dat kan gebeuren, dat ze dat per ongeluk doen. Je was er toch niet boos over?”

“Nee, hoor waarom zou ik?”

“Wil je nog een slokje drinken?”

Hij pakte het glas aan en dronk het in één teug leeg.

De broer van Johan Cruijff

de-broer-van-johan-cruijff

Wij moeten nog aan hem wennen en hij ook aan ons, want hij woont nog niet zo lang bij ons. Hij is wat apraktisch, maar als we het begin van een handeling voordoen neemt hij het over en volgt de rest vrijwel automatisch. Ook vertelt hij veel en graag, maar tot nu toe is er nog niet veel touw aan vast te knopen doordat hij de verkeerde woorden gebruikt.

Vanmorgen zat hij in zijn onderbroek op de rand van het bed, maar de schoenen had hij vast aan. “Vindt u het goed dat ik u even help?” Samen gingen we aan de slag. Hij kreeg van mij een washand zodat hij zijn gezicht kon gaan wassen. Eenmaal gewassen trok hij zijn hemd aan. Daarna gaf ik hem het overhemd in de handen en ook dat trok hij zelf aan. De knoopjes vormden echter een groot probleem. Hij worstelde er wat mee en ik bood aan om met de onderste knoopjes te beginnen, zodat we elkaar halverwege wel tegen zouden komen.

Hij bekeek eens hoe ik dit deed en zei: “Ja, je moet het ook eerst snappen voordat je het kan”.

 

Ruimte en vrijheid

 

ruimte-en-vrijheid

Probeer je eens voor te stellen dat je in je huiskamer zit en er loopt ineens een vreemde door de gang en gaat in de keuken een boterham smeren. Vervolgens komt er een meisje je kamer binnen en gaat gewoon gezellig bij je zitten.

Ik persoonlijk zou er niet aan moeten denken.

Mijn dochter heeft, met haar twee kinderen, bijna een jaar zo gewoond. Ze deelt een flat met een andere gescheiden vrouw die ook een kind heeft. Gelukkig bestaat die constructie anders had ze haar benen onder andermans tafel moeten steken. Vorig jaar was de wachtlijst nog drie maanden. Vandaag de dag blijkt die wachtlijst voor zo’n gedeelde woning een jaar te zijn.

Mijn dochter heeft de grootste slaapkamer als zit-slaapkamer en haar kinderen delen één slaapkamer. Er is een gezamenlijke keuken, badkamer en toilet. Haar huisgenote heeft de woonkamer als zit-slaapkamer en haar dochter heeft de andere slaapkamer. Soms moeten mijn dochter en haar huisgenote tegelijk koken. Zie je het voor je? Maar het is niet anders tot ze vorige week hoorde dat ze een eigen flat krijgt. Eind van deze maand kan ze al verhuizen en ze is de koning te rijk. Toen ze me belde om het te vertellen sprongen spontaan de tranen in mijn ogen. Ik heb met haar meegeleefd en heb ook regelmatig gezien wat moeilijk het is om in zo’n kleine ruimte goede moed te houden. Echt waar, ik heb mijn petje voor haar afgenomen.

Als ik die ruimte nu eens doortrek naar het verpleeghuis, waar de dementerenden ook in vrijheid moeten kunnen leven. Dat is het thema wat de overheid dit jaar bedacht heeft en het resultaat bij ons is dat alle deuren open moeten blijven. Er is één deur met een code en laatst is die door een bewoner gekraakt, dus werd de code veranderd. Verder zijn alle deuren open en de dementerenden met loopdrang hebben alle vrijheid om rond te lopen. Bekaf zijn zij aan het eind van de dag. Het lopen begint vaak al aan het eind van de nachtdienst. Dan komen de eerste twee in pyjama, vaak op blote voeten, al rondlopen.
Er zijn dementerenden die er helemaal niet goed tegen kunnen dat iedereen maar in- en uitloopt. Ze zich afvragen wat al die mensen in hun huis doen. Op zo’n moment moet ik ook altijd aan mijn dochter denken.

Vrijheid voor dementerenden is voor mijn gevoel wat tegenstrijdig. Zij worden gescreend en krijgen een BOPZ status. Dat betekent groen licht voor Bijzondere Opname Psychiatrisch Ziekenhuis. Ofwel een gesloten afdeling omdat zij voor zichzelf en anderen een gevaar vormen.

Tegenwoordig mogen zij overal rondstruinen en degene die dit al te enthousiast doen hebben een dwaalsensor. Deze gaat af zodra zij in de BOPZ gang lopen. Hoezo vrijheid? Als ze per ongeluk door de klapdeur met code verdwijnen worden zij door ons terug gehaald. Er zijn er die dat helemaal niet willen en boos worden.

Wij, het personeel, nemen het soms al te letterlijk. We laten ook kastdeuren of de deuren van de bergruimte open. Scheelt een handeling, want de werkdruk wordt alleen maar groter. Laatst liep ik zo’n bergruimte in om iets op te ruimen. Ik nam niet eens de moeite om het licht aan te doen. Terwijl ik iets terug zette zag ik vanuit mijn ooghoeken iets bewegen. Geschrokken keek ik nog eens goed en deed het licht aan. Daar zat ze, met haar broek op haar enkels op een po-stoel die niet gebruikt werd. Helaas zat er geen po en je raadt het al: Poep op de grond. Stel nou dat ik niet in die ruimte had hoeven wezen dan had één van ons de boel op een gegeven moment zó aangetroffen. We zouden geen idee gehad hebben van wie dat was en die mevrouw liep dan nog gewoon rond met vieze billen en vieze handen. Tja, je moet ergens je billen mee schoonvegen.

Later diezelfde dag, zag ik een bewoner met rolstoel en al in de voorraadkast, die ook al niet dicht was. Hij had een pak sap opengemaakt en aan zijn mond gezet.

Onze eigen schuld. Wij hadden die deuren wel dicht moeten houden, maar ja, het is zoveel makkelijker om dat niet te doen. Scheelt een handeling, zoals ik al zei.

Maar even terug naar al die deuren die wel open moeten blijven en stel je dan eens het volgende voor: Je zit in een rolstoel en kan daarmee goed uit de voeten. Je zoek naar de uitgang en trippelt de hele dag door de gangen.

“Zuster, kom ik zo bij de uitgang?”

“Ja, als u die gang neemt, of die andere komt u bij de uitgang. Deze gang loopt dood, dus daar heeft u niks aan.”

“Hartelijk dank, zuster.”

Een kwartier later herhaalt het tafereel zich. En iedere keer is ze weer dankbaar dat we haar de weg wezen naar de uitgang.

Zorg om van te rillen

zorg-om-van-te-rillen

Van de week las ik een artikel in De Telegraaf waarin een oud verpleegkundige alarm slaat over de ontmenselijking in de zorg. “Zorg om van te rillen” stond er als kop boven het artikel. De bezuinigingen in de zorg maken ons werk er inderdaad niet makkelijker op, maar in wat ik las herkende ik mijzelf en ook mijn collega’s niet.

Onze dag start 7.00 uur en ik begin dan bijna altijd met één bewoner haar medicatie te geven. Gemalen medicatie met appelmoes. Lepeltje voor lepeltje gaat dit bij haar naar binnen. Het duurt even voordat het tot haar doordringt wat ik van haar wil. Daarna krijgt zij een beker pap en als ik daarmee klaar ben, ben ik al bijna een half uur verder. Dan is zij nog niet gewassen en aangekleed. Dat wordt gedaan als alle andere bewoners klaar zijn, zodat we de tijd voor haar kunnen nemen. Zij krijgt haar koffie op bed, omdat dit beter gaat dan wanneer zij eenmaal in haar rolstoel zit.

Ik zie wel degelijk humor en emotie, zowel bij onze bewoners als bij het personeel. Dit in tegenstelling tot wat in het artikel stond. En nee, ook ik vind het niet fijn als een agressieve bewoner mij openkrabt knijpt, slaat of bespuugt. Het gebeurt echter wel, maar ik word steeds handiger in het ontwijken hiervan. Een kwestie van anticiperen.Dit gedrag bij dementerenden is mijns inzien het resultaat van het het zo min mogelijk toedienen van psychofarmaca. Iets wat de overheid in het leven heeft geroepen. Dit jaar staat dan ook in het teken van “leven in vrijheid”. Ook voor dementerenden, iets waar ik mijn vraagtekens bij heb. Maar goed, bij ons wordt dan ook niet snel naar haldol gegrepen, maar in sommige gevallen zou ik dat eigenlijk wel prettig vinden. Dan lopen mijn collega’s en ik misschien wat minder lichamelijk letsel op.

Er wordt veroordelend over gesproken dat wij om klokslag vier uur naar huis willen. Wat is daar precies op tegen? Wij werken overigens van 7.00 – 15.30 uur en willen dus al een half uur eerder naar huis. Dan hebben wij onze portie geduld wel opgesoupeerd en zijn we gewoon moe. Bovendien worden wij afgelost door de avonddienst. Die zijn ook met te weinig, net als wij overdag, maar zij nemen het stokje van ons over. Het is dus niet zo dat we, als de werktijd om is, de dementerende ouderen in hun eentje achterlaten.

Ook mijn collega’s en ik blijven wel eens langer. Als een familielid mij nog even wil spreken en het is 15.25 uur, zeg ik niet dat ik eigenlijk over vijf minuten naar huis mag. Of als de verpleeghuisarts om 15.20 uur nog even met ‘iets’ komt wat nog geregeld moet worden. Ook dan blijf je om dat af te handelen. Maar ook als familie een gesprek wil en niet op een door ons gewenst tijdstip kan, dan komen wij gewoon een half uur eerder voordat onze avonddienst begint, of we blijven wat langer na onze dagdienst. Het lijkt soms nooit op te houden. Ik beperk dit echter tot het minimum, want volgens mij kan de oplossing voor het personeelstekort nooit liggen in het vrijwillig langer blijven of eerder beginnen. Dat kan niet de bedoeling zijn. Dan ben je werknemer en vrijwilliger tegelijk. Stel dat wij dat met z’n allen gaan doen en op die manier de verpleeghuiszorg draaiend houden zoals het eigenlijk in onze ogen zou moeten. Dan zijn wij, de werknemers, voortijdig opgebrand. Is dat dan de bedoeling?

En tot slot voel ik me door het artikel in mijn hemd gezet. Ergens onderaan het artikel staat een regeltje: “De goeden niet te nagesproken”. Ik ben bang dat de lezer dit niet eens meer leest. Die wordt aan het begin van het artikel al boos en heeft zich tijdens het lezen van dit artikel een uitgesproken mening over mij en al mijn collega’s gevormd. Om die reden vind ik het heel jammer dat de redactie van De Telegraaf mijn reactie niet geplaatst heeft.