Monthly Archives: April 2016

Geen schijn van kans

k5750124

We hebben een stagiair van het mannelijk geslacht. Daar zijn sommige vrouwelijke bewoners erg gecharmeerd van. Zij werken ineens mee en kijken hemels naar hem op.

Haar dochter kwam op bezoek en vroeg of wij moeder weer naar de huiskamer wilden rijden. Ze liep met ons mee en bleef gezellig staan babbelen terwijl wij haar moeder verschoonden, die telkens lachend naar de stagiair keek. Haar dochter vroeg de stagiair het hemd van het lijf. Haar moeder sloeg dit gade en zei tegen de stagiair: “Dat is mijn dochter, maar ze is wel getrouwd hoor!”

Rotwijf

bang

Na het middageten reed ik haar, met bed en al, weer terug naar haar slaapkamer. Zo kon ze even een uurtje op haar zij liggen en meteen een tukkie doen. Tevreden keek ze me aan toen ik haar gedag zei.

Na verloop van tijd zag ik dat haar dochter in de huiskamer zat. “Is moeder niet lekker, ze ligt zo vast te slapen”.
“Nee hoor, ze was gewoon erg moe. Ik ga haar straks wakker maken en breng haar weer terug.

Toen ik haar kamer kwam binnenlopen werd zij net wakker. Vriendelijke begroette ik haar, maar zo te zien had zij haar verkeerd pet op. Ze keek nors en toen ik liet weten dat ik haar nog even ging verschonen werd het er niet beter op.

“Rotwijf, met je rotkop. Denk maar niet dat ik hier nog langer blijf. Viezerik, die je d’r bent.”

Ik besloot al het gescheld te negeren en deed zwijgend mijn werk, terwijl zij alsmaar riep: “Zuster, help me dan. Zuster…………….!”

Toen ik klaar was liep ik de kamer uit om de rommel op te ruimen.  Pffffffffffffffff, dacht ik, het is weer zo ver. Nadat ik alles in de daarvoor bestemde bakken had gedeponeerd liep ik terug. Haar gezicht klaarde op toen ze me zag.
“Komt u me helpen?” Ik knikte en liep naar haar bed. “Ik ben zo blij dat u er bent. Die hier net was, was zo’n rotwijf.”

Logeren

logeren

“Kom, loopt je even met me mee, dan kan je je jas even ophangen in je kamer.” “Nee, ik hou mijn jas aan, want ik moet nog naar huis. Ik wil niet in het donker terug, dat vind ik helemaal niks”.

“Je hoeft niet naar huis. Je blijft hier logeren, dat scheelt weer een hoop gereis. Zullen we toch die jas maar even op gaan hangen? Het is ook bijna etenstijd, kijk maar, de meesten zitten al aan tafel.”

Ze loopt met me mee en in haar kamer bekijken we de foto’s die op het kastje staan.

“Dat is mijn moeder”.

“Dat kan ik zien. Je lijkt op haar.”

“Ja hè? Dat zeggen ze altijd.”

“Waar is mijn jas nu gebleven?”

“Kijk, daar hangt ‘ie, aan het haakje”

Ze kijkt rond, ziet haar jas en zegt dan ongerust: “Moet ik hier slapen? Ik ken deze kamer helemaal niet”.

“U mag hier logeren. Dit is de logeerkamer.”

Opgelucht kijkt ze me aan. “O, maar dat is fijn. Ik ben toch maar alleen, er is niemand die op me wacht. Weet u zeker dat ik hier mag slapen?”

“Ja natuurlijk. We hebben de logeerkamer speciaal voor u in orde gebracht.”

Na het eten begint het hele verhaal weer opnieuw, maar gelukkig brengt het idee van logeren wat rust. Haar vertellen dat ze bij ons woont brengt haar altijd helemaal van de kook.

Kedonnolds

Kedonnolds

Mijn lief en ik hebben een nieuwe krachtterm in gebruik genomen. Echt een woord wat lekker uit de mond rolt als iets niet helemaal lekker loopt, maar ook als we iets erg leuk vinden: “Kedonnolds”.

Vorige week werd mijn kleindochter helemaal enthousiast bij het zien van “Burger King”. We gingen daar patatjes met yamonaise eten. Nee, dit is geen schrijffout, zo sprak zij het woord mayonaise uit. Het deed me meteen denken aan haar moeder op die leeftijd, want die vroeg bij de nasi altijd of er satauhsees bij was. Als mijn lief en ik chinees eten vraagt een van ons dan ook steevast: “Satauhsees bij?”

We naderden “Burger King” en toen ik tegen mijn kleindochter zei dat we er bijna waren keek zij uit het autoraam en riep helemaal blij: “Kedonnolds, we gaan bij Kedonnolds eten”. Jullie begrijpen het al, ze zag de Burger King voor Mac Donalds aan.

Gisteren zaten we op de fiets, we reden de tulpentocht. Helaas bleken de tulpen nog lang niet allemaal in bloei, dus toen wij eindelijk een veld paarsachtige tulpen zagen riep mijn lief: “Kedonnolds, tulpen! Hier moet ik even een foto van maken”. Maar ook toen we op een lange, rechte weg flink wat tegenwind hadden klonk onze nieuwe krachtterm.

Maandagavond zat ik met Oost-Indische inkt te tekenen. We hadden een poosje geleden foto’s in Lemmer gemaakt en ik was druk in de weer met een kerktoren. Ik schoot lekker op, maar had waarschijnlijk te veel haast. Ik doopte mijn kroontjespen in de inkt en vervolgens spatte er een grote druppel op mijn papier. Soms kan ik daar nog wel een draai aan geven, maar nu zat er een flinke vlek, vlak naast de kerktoren. “Kedonnolds! Kan ik helemaal opnieuw beginnen”, riep ik uit.

“Kedonnolds”! Ik raad de term iedereen aan. Wie weet wordt het dan het woord van het jaar 2016. Dat zou ik wel wat vinden.

Veel te druk

veel te druk

Meestal wordt ze pas laat wakker, maar deze keer zat ze als eerste op de rand van haar bed. Ze werd geholpen met douchen en daarna naar de huiskamer begeleid. Op de eerste de beste stoel, direct na de deuropening, ging ze zitten.

Regelmatig liepen wij met een bewoner de huiskamer in. Ze vond dat heen en weer geloop waarschijnlijk te veel van het goede. Moeizaam stond ze op, sleepte haar stoel naar het midden van de deuropening en ging daar pontificaal zitten. “Zo, hier komen jullie niet meer langs”!

De twee nachthemden

verbijsterd

Ze scharrelde al een poosje rond in haar slaapkamer. De kastdeuren waren zoals gewoonlijk op slot, op één na. Washandjes en inco-broekjes lagen her en der en ze had twee nachthemden over elkaar heen aangetrokken. Eén kwam tot over haar knieën, terwijl het andere een korter exemplaar was.

Even observeerde ik haar om te bepalen of ik haar al zou kunnen helpen. Haar steunkousen en schoenen moesten nog uit. Ze zat op de rand van het bed en zo te zien was ze zo ver om te gaan slapen.

“Zal ik u even helpen?” vroeg ik haar. Ze reageerde niet, keek me alleen maar aan. Ik maakte de veters van haar schoenen los, deed de schoenen uit en vervolgens ook haar steunkousen.

“U heeft twee nachthemden aan. Misschien kan er wel één uit”. Overduidelijk bleek dat niet de bedoeling te zijn. Ze pakte resoluut de onderkant van het langste nachthemd beet en vouwde dit naar buiten om zodat het dezelfde lengte kreeg als het kortere exemplaar.

“Dat kan natuurlijk ook”, zei ik tegen haar terwijl ik haar in bed hielp.

Onderuit

onderuit

Ik zag haar schutteren op haar elektrische fiets. Ze maakte de bocht en keek verschrikt om zich heen toen ik het kruispunt naderde.

Ze probeerde af te stappen, maar viel midden op de rijbaan met haar fiets ondersteboven. Paniekerig probeerde ze op te staan. Ze zat bijna op haar knieën en wilde de fiets overeind duwen. Die was duidelijk te zwaar en ze viel pardoes weer ondersteboven.

Gelukkig ben ik zo’n brave weggebruiker die zich aan de snelheid houdt en kon ik op tijd stoppen. Midden op het kruispunt zette ik mijn motor af, stapte uit de auto en liep naar haar toe. Aan de overkant stopte nog een automobilist en rechts van mij had de vrachtwagenchauffeur gelukkig in de gaten dat het verkeer stil stond. Erg vriendelijk keek hij niet.

Ik hielp haar overeind en samen hesen we de fiets omhoog. Bibberend stond zij naast me, haar grijze krulletjes helemaal in de war en in haar ogen een verwilderde blik. “Ik wilde afstappen, maar bleef met mijn jas haken. Mijn fiets is zo zwaar dat ik hem niet zo snel overeind kreeg.”

“Hebt u zich niet bezeerd?” Nee, ze was alleen geschrokken. Ze stapte weer op keek nog achterom en riep: “Dank u wel dat u stopte”.