Monthly Archives: March 2016

Flinstone

Flinstone

“Mag ik u iets vragen? Mijn moeder beweegt voortdurend haar benen en zegt dat ze daar niet mee kan stoppen.” Ik vraag haar wie haar moeder is, hoewel ik daar wel een idee over heb. En ja hoor, ik weet nu ook over wat voor bewegingen zij het heeft.

“Ach, daar kan ze niets aan doen. Dat zijn Flinstone-bewegingen”, leg ik haar met een serieus gezicht uit. Verbaasd kijkt ze me aan. “U weet wel, van die bewegingen die Fred Flinstone maakt voordat zijn auto eindelijk gaat rijden.” Ze schiet in de lach en achter me hoor ik mijn twee collega’s ook lachen.

Met z’n drieën leggen we uit dat haar moeder die bewegingen automatisch maakt. Een poos geleden deed ze dit nog niet. Ze is behoorlijk ziek geweest en sindsdien heeft ze hier last van. Gelukkig is het vele roepen over, dus verdwijnt dit misschien ook wel weer.

De dochter gaat weer naar haar moeder en mijn collega’s schoten weer in de lach. “Verzon je dat nu ter plekke?”, vraagt de één, terwijl de ander serieus dacht dat dit een nieuw soort aandoening was.

Inderdaad verzon ik het ter plekke. Ik heet tenslotte Wilma, dus Flinstone-neigingen herken ik vanaf een afstand.

Advertisements

Bang

bang

Toen de eerste berichten over de terreurdaden van IS ons bereikten sloeg de schrik mij om het hart. Ik zei tegen mijn lief: “Vandaag of morgen komen die lui hier door de straat en verschuilen wij ons in huis. Dan dragen alle vrouwen hier minstens een hoofddoek of misschien wel een burka.”

Eerlijk gezegd maakte de berichtgeving mij toen bang en kreeg ik last van terneergeslagenheid. Nee, ik was niet depressief, dat is een te groot woord voor het gevoel waar ik last van had. Wel vroeg ik mij regelmatig of wat ik deed wel enig nut had. Wat voor zin heeft het om pianoles te hebben en steeds een beetje mooier te kunnen spelen? Wie heeft er eigenlijk iets aan dat ik kan tekenen en schilderen en wie boeit het dat ik leuk kan schrijven?

En nu het heel dichtbij komt verandert mijn gevoel. Ik maak me wel heel ongerust over de toestand in de wereld en vraag me af waar het allemaal heen gaat. In wat voor wereld groeien mijn kleinkinderen op en hoe gaan hun ouders, mijn kinderen, daarmee om? En toch is dat terneergeslagen gevoel er niet. Raak ik gewend aan dit soort berichten of is het een soort gelatenheid? Ik weet het niet. Het gevoel dat ik misschien ooit een keer op het verkeerde moment op de verkeerde plaats zou kunnen zijn en een zelfmoordterrorist de boel daar opblaast, is bij mij, ergens in mijn achterhoofd, wel aanwezig. De wetenschap dat ik daar helemaal niets aan kan doen of veranderen is er echter ook.

Nu het allemaal zo dichtbij komt ben ik blij dat ik piano speel en regelmatig naar les ga om het steeds beter te leren. En dat ik kan schilderen en tekenen vind ik ook alleen maar fijn. Ik blijf het ook allemaal gewoon doen, net zoals ik ook zal blijven schrijven.

Als dat gewenning is, is het misschien wel goed dat die gewenning optreedt. Als het een soort tegengas is voor alle ellende in de wereld is het ook goed. En als het een bepaalde mate van strijdlust is, zo van “en mij krijg je niet klein”, dan is dat ook prima.

In de knoop

knoop

Langzaam raak ik uit de knoop. Weinigen weten van die knoop, maar mijn laatste persoonlijke verhalen heb ik geschreven tijdens onze vakantie in Luxemburg, kort voordat die knoop ontstond. Er gebeurde zo verschrikkelijk veel, waardoor ik alleen maar voorvallen over mijn werk en verhalen over mijn kleinkinderen heb geschreven.

Die knoop is groot geweest en zeker drie maanden lang had ik elke dag wel een huilbui. Ze overvallen me nog wel eens, maar niet meer dagelijks. Zelfs niet meer wekelijks. Ondanks die knoop functioneerde ik wel gewoon.

Ik wilde niet schrijven over die knoop, maar het betekende tegelijkertijd dat ik helemaal niets persoonlijks kon schrijven. Alles was en is met die knoop verweven. Het heeft er toe geleid dat ik een heel leven ben gaan overdenken. Waar ging wat fout en was dat altijd alleen maar mijn schuld? Goddank kon ik, juist door het graven in het verleden, concluderen dat echt niet alles wat verkeerd ging alleen mij aan te rekenen was. Tegelijkertijd nam ik meer dingen op de schop en hakte knopen door die niets met die ene knoop te maken hadden.
Het heeft me kritisch gemaakt, kritischer dan ik altijd al was. Niet in de laatste plaats naar mezelf toe. Gelukkig heeft het graven me milder naar mezelf toe gemaakt. En dat was hard nodig.

Mijn lief heeft een groot aandeel gehad in het uit de knoop raken. Hij heeft me laten razen en tieren èn laten huilen. Die periode is vast niet leuk geweest voor hem. Part noch deel had hij aan de situatie die de knoop veroorzaakte.

 

 

De discodel

discodel

Enig idee wat een discodel is? Ik tot vanmorgen vroeg nog niet. Even dacht ik aan een losbandig meisje in de disco, maar ik bleek er ver naast te zitten.

Al vroeg  zat ik in de auto op weg naar mijn werk. Eigenlijk best een nadeel dat je in de zorg zo belachelijk vroeg moet beginnen. Om kwart over zes op pad, zodat ik om zeven uur omgekleed en wel aan mijn werk kon beginnen. Aan de andere kant heb ik het voordeel dat ik op radio 1 vaak bijzondere onderwerpen voorbij hoor komen. Vooral op zondagochtend. Vandaag dus de discodel.

Een discodel is een frikandel met heel veel mayonaise en daar overheen een laag discodip. Je weet wel, die gekleurde dip die ook wel op ijs gedaan wordt.

Een groep jongelui bezocht na het stappen een snackbar en wilde wel eens iets anders dan het gebruikelijke ‘patatje met`. De voorkeur ging uiteindelijk uit naar de discodel, want softijs met satésaus bleek niet heel lekker. Bovendien werd dit een knoeiboel. Maar ook de bevroren bamischijf met piri piri saus viel niet in de smaak.

Verbaasd hoorde ik het interview aan en vroeg me af of deze jongelui niets beters te doen hebben. Zou het werkelijk zo zijn dat veel jongelui alles hebben en dit soort dingen moeten bedenken om het leven nog een beetje interessant te maken? Of waren ze gewoon stomdronken?

Overigens wel triest als je het afzet tegen de stroom vluchtelingen die Europa overspoelt.

Het Aagtendorp

Aagtendorpjpg

Huilend stond haar kleine meisje naast het bed. Ze had een bloedneus en dit was niet de eerste keer. Ze nam haar bij zich in bed en kneep het neusje dicht bij het neusbotje. Hopelijk zou het deze keer niet zo lang duren. Vorige keer had ze twee keer tien minuten zo gezeten en uiteindelijk had ze een propje watten voorzien van neusspray in het bloedende neusgat gedaan. Een gouden advies van haar huisarts, maar liever wilde ze dat het bloeden vanzelf zou stoppen.

Vroeger dacht ze dat bloedneuzen bij armoedige kinderen hoorden. Toen ze zelf op de lagere school zat, zat er een meisje bij haar in de klas dat regelmatig een bloedneus had. Het meisje zag er altijd wat smoezelig uit, net alsof ze nooit in bad of onder de douche ging. Altijd vette haren die in slierten om haar hoofd hingen en ze stonk ook een beetje. Volgens andere kinderen uit haar klas had dat meisje een gaatje in haar hart. Dat kon ook niet goed zijn en misschien stonk ze daarom wel.
Nu had haar eigen dochtertje met een bepaalde regelmaat bloedneuzen. Die kreeg ze altijd als er iets spannends te gebeuren stond: Een verjaardag of een feestje en nu was de boosdoener het schoolreisje van de volgende dag. En om nu te zeggen dat haar dochtertje armoedig was? Nee, dat ging wat ver.

Het armoedige meisje woonde in het Sint Aagtendorp. Een dorp in de stad en je kon alleen via een poort het dorp in. De muur, die het dorp voor een deel omringde, grensde aan een steegje bij haar in de straat. Soms zaten er kinderen uit het Aagtendorp op de muur. Van die brutale, viezige kinderen die dan vonden dat zij niet meer door het steegje mocht lopen. Haar vriendinnetjes trouwens ook niet. Diep in hun hart waren ze allemaal bang voor die branieschoppers.

Soms sprong zo’n branieschopper van de muur zó het steegje in. Dat mocht niet. Waarom eigenlijk niet? Ze had geen idee, dat was gewoon zo. Andersom mocht wel. Niet dat ze dat wel eens deden, maar het idee dat het mocht was al spannend genoeg.

Soms ging ze, samen met vriendinnetjes, wel eens op de muur zitten. Dan bleven ze net zo lang zitten tot de kinderen uit het Aagtendorp kwamen. Pas op het laatste moment sprongen ze van de muur en renden als de wiedeweerga het steegje uit.

Op een dag zaten ze daar, met z’n vieren, en verbaasd bleven ze zitten kijken naar dat ene meisje wat tussen de rest van de kinderen van het Aagtendorp liep. Ze was heel klein, had korte benen en armen en een heel groot hoofd.

Zie je nu wel dat er rare mensen in het Aagtendorp woonden. Niet alleen armoedig, maar ook nog eens heel anders. Ze konden maar beter maken dat ze wegkwamen, want misschien was het wel besmettelijk.

Het is nog niet zo erg als het gaat worden.

dementie

“Kan dit ook naar beneden”, en hij duwt met zijn handen tegen het werkblad op zijn rolstoel.

“Ik haal het wel weg, maar dan doe ik wel de beensteunen aan je rolstoel, want je hangt erg onderuit in je stoel”.

De beensteunen doe ik iets omhoog, zodat hij niet uit zijn stoel kan glijden. Hij is wat onrustig en heeft een diepe frons tussen zijn wenkbrauwen. Zo te zien zit hem iets dwars en ik ga op de rand van zijn bed zitten.

“Het is nog niet zo erg als het gaat worden, maar met minimaal vier moet het gaan lukken.”

“Als ik het goed begrijp wordt het dus wel erg?”

Verbaasd kijkt hij me aan en ik leg uit dat hij net zei dat niet nog niet zo erg is als het gaat worden. “Dan wordt het dus erger, maar met z’n vieren kunnen we het oplossen?”

Hij knikt en vervolgt zijn verhaal.

“Ik begrijp niet precies wat je bedoelt, maar als ik het nu eens met die drie anderen ga overleggen vinden we vast wel een oplossing waardoor het niet zo erg wordt. Maar eerst ga ik  naar het toilet, anders plas ik in mijn broek en wordt je bed nat.”

Hij schiet in de lach: “Ach, eens moet de eerste keer zijn”.

“Nou, liever niet, want niet alleen jouw bed wordt dan nat, maar ook mijn broek en dat lijkt me toch wel een vieze bedoening.

De lieverds

flauwekul

Ze grijpt me bij de pols vast: “Kom lieverd, mag ik met je mee? Wat ga je doen?” Haar greep is stevig en haar stem is zeer luid. Ik vertel haar dat ik op weg ben naar de keuken en vraag haar om wat zachter te praten.

In haar rolstoel trippelt ze achter me aan en blijft luid roepen: “Lieverd, wat ga je doen? Kom help me even”. Ik leg mijn wijsvinger tegen mijn mond om aan te geven dat ze toch echt wat zachter moet praten.

“Waarom moet ik zachter praten?” roept zij. Ik vertel haar dat het voor anderen wat storend is dat zij zo luidruchtig is.

Er komt een collega door de deur en ze roept meteen: “Dag lieverd!”

“Van die lieverd mag je ook niet zo hard praten.”

“Nee? En van die lieverd dan?”

Alle ‘lieverds’ zijn het met elkaar eens dat ze te luidruchtig is en moet proberen om zachter te praten.

Ze kijkt van de één naar de ander en zegt: “Nou, dan ga ik weg”.

De pizzakoerier

flauwekul

Terwijl ik haar help met het eten van de pap trek ik mijn hele trukkendoos open: “Hier komt weer een hapje met de trein, ‘tjoeketjoeketjoek’.

Wanneer de trein niet meer werkt komen de hapjes met het motorbootje mee en daarna is het vliegtuig aan de beurt.

Even lijkt het alsof er niets meer gaat werken. Ze doet haar mond niet meer open en heeft haar ogen dicht. De pap is nog lang niet op en ik verzin een nieuwe pap leverancier: “Dit hapje komt met de pizzakoerier!”

Ze doet de ogen open, kijkt me even verbaasd aan, maar begint dan te lachen. “Hield je vroeger van pizza?” Ze knikt en doet haar mond open. “Oké, dan doen je net of deze hap een stukje pizza is.”

Dankzij de pizzakoerier komt de beker pap toch leeg.