Monthly Archives: January 2016

Ledigheid is des duivels oorkussen

2013-11-28 De saaiheid die kenmerkt horen

Er is geen elektra, dus van televisie kijken is daar geen sprake. ‘s Avonds zitten ze met z’n allen bij elkaar om te praten over wat ze die dag beleefd hebben. Als een kind jarig is wordt dit gevierd met taart en een dansfeest. Cadeautjes zijn er niet.

Ik zag daar allemaal blije kinderen. Een meisje van 15 jaar woont daar sinds ze een jaar of 6 is. Haar moeder overleed aan kanker en haar vader niet veel later ook. Waarschijnlijk aan een niet meer werkende lever, want hij dronk te veel. Dat meisje heeft een ideaal. Ze wil gaan studeren in Amerika, wil oncoloog worden om daarna terug te komen naar Nepal en daar in afgelegen gebieden gaan werken. Ik besef heel goed dat ik maar flarden van hun leven heb gezien en dat de kinderen daar ook wel eens boos zullen zijn.

Vanmorgen las ik in de krant dat er in Amerika, maar ook in Nederland stunts worden gedaan door kinderen die vaak slecht aflopen. In Amerika probeerde een jongen, die zich met duct tape had vast laten plakken, los te wurmen. Het resultaat was dat hij tegen een betonnen muur en een metalen raamkozijn viel. Zijn oogkas raakte verbrijzeld en het is nog maar de vraag of hij met dat oog ooit nog kan zien.

In Nederland zijn er ook van die internethypes waar jongelui aan mee doen. Zo was er een jongen van 13 die meedeed aan de ‘cinnamon challenge’: Een hap kaneel wegkrijgen zonder te drinken. Door zuurstoftekort lag de jongen vervolgens 5 dagen in coma.

Zorgwekkende trends. Waarom doen deze jongelui dit? Zoeken ze uitdagingen, hebben ze niet genoeg te doen, vervelen ze zich? Vinden ze het leven saai? Het lijkt er op. In Nederland hebben de meeste jongeren vrijwel alles wat hun hartje begeerd. Ze worden door hun ouders op handen gedragen. Als leerkrachten het in hun hoofd halen om iets ten nadele over iemands kinderen te zeggen staan ouders meteen op de stoep om verhaal te halen.
Eigenlijk moet ik concluderen dat de hedendaagse jeugd verwend is tot in z’n nieren. Ik haast me meteen er bij te vermelden dat er natuurlijk uitzonderingen zijn. Ik zie ze in mijn omgeving ook hoor, die uitzonderingen. Dus voor de zekerheid zeg ik het er maar bij, anders krijg ik straks een bak commentaar over me heen.

Wat kan ik anders doen dan het eens zijn met de uitspraak: “Ledigheid is des duivels oorkussen”. Ledigheid werkt in de hand dat jongeren dat soort rare dingen gaan doen. En dan heb ik het nog niet eens gehad over het comazuipen. Dat lijkt al gewoon ingeburgerd in Nederland.

Wanneer gaan we met z’n allen onze kinderen weer gewoon opvoeden?

Psychofarmaca in de ouderenzorg

psychofarmaca

Regelmatig word ik met mijn neus op de feiten gedrukt: De overheid wil het gebruik van pscychofarmace in de ouderenzorg terugdringen. Het gevolg is dat veel dementerenden onrustig, boos of ongelukkig zijn. Het zijn middelen die de stemming beïnvloeden en alle emoties wat afvlakken. 

Natuurlijk is het beter om dit soort medicatie zo min mogelijk voor te schrijven. Ouderen worden hier suf van, het val gevaar is daardoor groter. Toch maak ik regelmatig mee dat na het afbouwen van de dit soort medicatie het val gevaar niet minder groot is geworden. Veel ouderen lopen nu eenmaal niet meer zoals ze deden toen ze twintig waren. Het wordt allemaal wat onhandiger. Het gebruik van een rollator begrijpen ze vaak niet eens. Die staat in een hoekje te verstoffen terwijl de dementerende van de ene stoel naar de andere loopt om maar ergens houvast aan te hebben.

Gisteren was ik bij mijn ouders en bedacht ik dat mijn moeder al zo’n jaar of 17 een lichte dosering antidepressiva slikt. Doet ze dit niet, dan wordt ze onrustig en maakt van elke mug een olifant. Bovendien gaat ze overal op letten, en loopt vervolgens te mopperen. Mijn ouders wonen nog zelfstandig en mijn moeder mag dat medicijn gewoon blijven slikken. Ik moet er niet aan denken dat ze in een verpleeghuis terechtkomt en de arts daar bedenkt dat dit nodig afgebouwd moet worden omdat dit voor de inspectie een beter beeld geeft. Want scoor je hoog op psychofarmaca, dan krijg je als instelling geheid problemen met diezelfde inspectie.

In het belang van mijn moeder zal ik dan net zo lang zeuren en met argumenten komen tot zij die antidepressiva wel mag slikken. Een verschrikkelijk type zullen ze me in dat verpleeghuis vinden en onderling tegen elkaar zeggen: “O jee, daar heb je die dochter van mevrouw ‘die en die’  weer. Zo’n lastig mens, want daardoor moeten we steeds weer met die arts om tafel over die antidepressiva”.

De bekeuring

NAH

Ik nam hem mee naar de badkamer, maar aan zijn reactie te zien begreep hij totaal niet wat er van hem verwacht werd. Op het moment dat hij stond en ik zijn broek naar beneden deed wist hij niet hoe snel hij deze weer omhoog moest doen. Geduldig legde ik uit dat hij naar het toilet ging en dat hij daarbij niet zijn broek aan kon houden.

Met veel pijn en moeite kreeg ik hem zover dat hij ging zitten. Helaas zat hij niet ver genoeg naar achteren: “Je zit niet goed, als je straks plast, plas je de hele muur nat. Je moet eerst opstaan en dan meer naar achteren gaan zitten.”

Het duurde even voordat hij deed wat ik van hem vroeg en ondertussen had hij het nog steeds over die bekeuring die hij niet wilde krijgen.

“Maar waarom krijg je dan een bekeuring?”, vroeg ik hem.

“Nou, omdat ik verkeerd op de wc zit natuurlijk”, was het antwoord.

“Gelukkig zit je nu goed op de wc, dus als je die bekeuring krijgt kan je hem rustig verscheuren.”

De halve marathon van Egmond

In 2005 deed ik voor het eerst mee aan de halve wandelmarathon van Egmond. Het was meteen mijn eerste oefentocht voor de Vierdaagse van Nijmegen. Koud dat het was, het vroor en we hadden de eerste negen kilometer over het strand wind tegen. Muts op, sjaal om, handschoenen aan, gezicht ingesmeerd met vaseline en lopen maar. De tranen biggelden over mijn wangen. Iets waar ik nogal snel last van heb als het wat kouder is, maar ook als er wind staat. Ik heb evengoed genoten van die tocht. Na het strand gingen we de duinen in en meteen kon mijn jas los. Wat een verschil in temperatuur. Daarna heb ik ‘m nog een aantal keer gelopen, waarvan één keer in de sneeuw. Dat was ook een hele belevenis, vooral omdat in de duinen sommige stukken spiegelglad waren.

Dit jaar, elf jaar later, ging ik weer naar Egmond, samen met mijn lief. Niet om de halve wandelmarathon te lopen, maar om mijn dochter te zien finishen. Niet wandelend, maar hardlopend. Om zes uur opgestaan en eerst drie uurtjes gewerkt, daarna naar huis voor een kop koffie en vervolgens de auto in met mijn lief. Broodjes mee voor onderweg en eenmaal in Egmond aangekomen gauw een restaurant opgezocht, want bij ons allebei stond de blaas op knappen.

Een koude wind zorgde er ook nu weer voor dat de tranen over mijn wangen biggelden. Mijn muts en handschoenen was ik vergeten mee te nemen. Even overwoog ik om een muts te kopen, tot ik de prijzen zag. € 41,95 Voor een muts ging me iets te ver. Dan maar een koud hoofd. Verkouden was ik toch al voor de zoveelste keer. Of misschien is die verkoudheid nooit helemaal weg geweest. Hardnekkig is het en vervelend ook. Ik snuit me een versuffing en soms lijkt het alsof het snot ergens uit mijn tenen vandaan moet komen.

DSCN4084

IMG_4961Vlak bij de finish vonden mijn lief en ik een mooi plekje, waar we redelijk goed overzicht hadden. Er kwamen heel wat mensen voorbij. De één leek bijna voorover te struikelen, de ander rende voorbij alsof hij net begonnen was. Hardlopers in een hawairok en met ontbloot bovenlijf, maar ook één met een skeletshirt. Ingespannen keken mijn lief en ik of we het roze jasje van mijn dochter zagen. Er kwamen heel wat roze jasjes voorbij, maar niet met het gezicht van mijn dochter er boven. Bijna vroeg ik me af of ze harder had gelopen dan ze zelf verwacht had. Dan waren we mooi te laat. En toen, zomaar ineens rende ze voorbij. We hadden haar niet eens aan zien komen. “Daar gaat ze!”, riep mijn lief. En ja hoor, in haar roze jasje, met blonde paardenstaart zag ik haar verdwijnen.

DSCN4086
Tussen de mensenmenigte door liepen we naar de finish. Vanaf dat punt stonden aan weerszijde hekken. Aan het eind van de hekken zochten we een centraal plekje om haar niet te missen. Het duurde en het duurde, maar mijn dochter zagen we niet. Ze belde me op mijn gsm: “Waar zijn jullie nou?”

Wat bleek, ze had haar tas al opgehaald in de sporthal en stond niet ver bij ons vandaan. Apetrots op haar prestatie rende ik naar haar toe. Ik doe het haar niet na: 21 km hardlopen, waarvan 9 km over het strand met windkracht 7 tegen.

Wel bekroop mij het gevoel dat ik die halve wandelmarathon weer eens mee zou willen lopen. Ach, wie weet, volgend jaar misschien.