Monthly Archives: August 2014

Uitvinden of terugvinden?

Op deze manier snijdt het mes aan twee kanten, dacht ik terwijl ik door de bossen van Paleis Het Loo wandelde. Naarmate ik verder van Het Loo verwijderd raakte werd het steeds stiller om me heen. Heerlijk, even helemaal alleen met mijn gedachten.

Dit is mijn laatste vakantieweek van de twee die ik op mocht nemen in het zomerseizoen. Mijn lief was alweer aan het werk en mijn stiefdochter en ik waren op elkaar aangewezen. Ze vond het gezellig, gewoon omdat ik met haar samen naar de bibliotheek ging en we samen pompoenen kochten. Zij mocht ze schikken in de mand die we er bij hadden aangeschaft. Deze staat nu te pronken op de tuintafel. Gewone simpele, alledaagse bezigheden.

Ver voor deze week hadden mijn lief en ik het over haar passie voor paarden. Haar halfzus rijdt ook paard, zodoende vroegen we haar of haar halfzusje een dagje mocht komen, zodat ze samen naar de manege konden. Eergisteren was het zover. Mijn stiefdochter en ik stapten om kwart over negen in de auto en een uurtje later kwamen we bij haar halfzus aan. Gezellig even bijgepraat, een kopje koffie gedronken en daarna vertrok ik naar Het Loo met de belofte dat ik vóór de paardrijles bij de manege zou zijn. Eerlijk gezegd heb ik niks met paarden. Ik vind ze mooi om te fotograferen en om te zien hoe een ander er op rijdt, maar daar houdt het voor mij op. Deze constructie gaf mij echter wel de gelegenheid om te gaan wandelen.

Al wandelend overdacht ik het sollicitatiegesprek van afgelopen maandag. Dat ik afgewezen was wist ik inmiddels. Was ik daar rouwig om? Eigenlijk niet en toch ook weer wel een beetje. Tijdens het gesprek dreven er te veel twijfels naar boven, maar het was leuker geweest als ik had kunnen zeggen dat ik de baan niet wilde. Gelukkig heb ik het flexwerken nog achter de hand, maar tegelijkertijd brengt dat wat onzekerheden met zich mee. Kan ik wel voldoende diensten werken? Of, erger nog, straks heb ik een hele week geen zin en kan ik gewoon denken: “Werk ik toch lekker een weekje niet!”. Laat dat nu de bedoeling helemaal niet zijn. Ik wil de onafhankelijkheid, die het verdienen van je eigen geld met zich meebrengt, niet kwijt. Dan moet ik mijn hand ophouden bij mijn lief. Niet dat hij daar een probleem mee heeft, maar ik wel.

Wat wil ik nu eigenlijk? Waar word ik blij van? Volgens mij zit ik in een periode dat ik mezelf opnieuw uit moet vinden. Dat is spannend, maar valt niet altijd mee. Wat ik wel ben gaan doen is de opleiding voor gewichtsconsulente gaan volgen. Met die gedachte speelde ik ruim acht jaar geleden ook. Toen waren er andere afwegingen en besloot ik de opleiding voor verpleegkundige te gaan volgen. Gek dat zo’n opleiding dat toch door je hoofd blijkt te zijn blijven zwerven. Die heeft vast al die tijd liggen slapen in één van de laatjes van mijn ladekast. Hij is van kersenhout en heeft allemaal laatjes met een koperen handvat. Nee joh, natuurlijk heb ik niet echt zo’n kast, maar in mijn hoofd ziet ‘ie er zo uit. Het bewuste laatje is open gefloept en sindsdien doolt die gedachte door mijn hoofd. Gewoon doen dus, daar had ik geen twijfels over. Als ik klaar ben wil ik een eigen praktijk beginnen die ik dan combineer met het geven van voorlichting op bijvoorbeeld scholen. Flexwerken kan ik er dan mooi naast doen.

Mijn manuscript “De avonturen van kabouter Pim”  ligt bij een manuscriptbegeleider of beoordelaar. Dat boek moet er gewoon komen. De verhalen zijn te leuk om alleen aan mijn kleinkinderen voor te lezen. Drie van hen hebben een rol in de verhalen wat het voor mij alleen maar leuker maakte om ze te schrijven.

27-08-2014 (9)

Het laatste deel van de wandeling liep ik door een wildpark waar een grote hoeveelheid herten te zien waren. Zo te horen waren ze bronstig. Ik nam nog wat foto’s en besloot op dat moment om ook het tekenen weer op te pakken. Dat deed ik vroeger ook met veel plezier en het is er helemaal bij ingeschoten de laatste jaren. Eén van die hertenfoto’s kan ik waarschijnlijk mooi als voorbeeld gebruiken. Wie weet open ik de categorie “tekeningen” binnenkort op mijn blog.

Door al deze gedachten liep ik niet in het tempo waarin ik normaal wandel en het laatste stukje van de wandeling moest ik flink doorstappen om op tijd bij de manege te zijn. De les was nog niet begonnen en blij werd ik begroet. Tijdens de les wat foto’s gemaakt en daarna was het tijd om naar huis te gaan. M’n stiefdochter stortte in slaap en ik overdacht dat ik mezelf weer en beetje heb uitgevonden. Of misschien moet ik zeggen teruggevonden. En verrassend, of eigenlijk ook niet: het pianospelen blijft gewoon overeind in deze zoektocht.

Zeiknat

Herfstvakantie in augustus, wie had dat gedacht. Ik in ieder geval niet. Wel had ik vaak het gevoel dat het al veel te lang mooi weer was en het mooie weer wel eens op zou kunnen zijn als wij naar Zeeland gingen. Helaas kreeg ik wel een beetje gelijk. Temperaturen van een graad of zeventien en als het regende kwam het kwik niet hoger dan twaalf. Onwillekeurig vraag ik me af of de aarde echt aan het opwarmen is. Laatst hoorde ik dat dit niet de juiste benaming is. Klimaatverandering, zo heet het.

Plannen had ik om te gaan wandelen en fietsen. Dat heb ik ook gedaan hoor, maar niet zoals ik van te voren bedacht had. Het werden geen wandelingen van twintig kilometer. Op één van de vakantiedagen bracht mijn lief me naar Burgh Haamstede. Dit ligt aan de rand van een duingebied en mijn plan was om in die duinen een schitterende wandeling te maken en daarna langs het strand te lopen. We zagen de lucht donkerder worden naarmate we dichterbij  kwamen. Optimistisch zei ik dat ik me door een buitje niet zou laten weerhouden. Ik had uiteindelijk mijn regenponcho mee. Zo’n mooie gifgroene waarin ik goed opval. Mijn lief ging met zijn dochter van 11 naar Renesse. Daar zouden ze schelpen gaan zoeken.

20-08-2014

Burgh Haamstede is een leuke toeristische plaats en ik had het daar helemaal naar mijn zin. Ik bewonderde het slot en de tuin er om heen. Af en toe keek ik wat bezorgd naar boven en zag de grijze lucht alleen maar donkerder worden. “Niks van aantrekken”, dacht ik en besloot op een terras een koffie verkeerd te gaan drinken. Onder het zonnescherm, wat waarschijnlijk als regenscherm in gebruik was want ik zat nog maar net of het begon dikke druppels te regenen. Het echtpaar aan het tafeltje naast me vroeg of ik een lange wandeling in gedachten had. Eerlijk gezegd wel en opgewekt liet ik weten dat ik een regenponcho bij me had. Mijn koffie was op, maar ik bleef nog even zitten tot de regen wat minder heftig werd. Met de poncho om me heen verliet ik het terras richting duinen. Bij de eerstvolgende winkel, met zonnescherm, moest ik al schuilen. De regen  kwam bakken tegelijk de hemel uit. Zodra het kon hervatte ik mijn wandeling en sloeg rechtsaf richting duinen. Bij de eerste de beste dikke boom schuilde ik weer. Het was koud, mijn schoenen waren zowel van buiten als van binnen nat, zodat ik in mijn schoenen sopte. Bah, wat voelde dit allemaal vies. Toch maar weer verder lopen.

De kerk bleek open en, regen of geen regen, een kerk moet ik altijd even van binnen bekijken: Het orgel en de glas in lood ramen. Bij de ingang zat een dame te breien. Ik zei haar gedag en liep meteen door naar voren, keek achterom en ja hoor, een prachtig orgel hing daar. Niet groot, maar wel mooi versierd. Veel glas in lood was er niet, maar wel een aantal wandkleden. Terwijl ik van het ene naar het andere kleed liep hoorde ik de regen op het dak tekeer gaan.

20-08-2014 (6) Nadat ik alles bekeken had besloot ik een praatje met de breiende dame te maken. Ik zei haar gedag en vroeg wat ze aan het maken was. Zij liet mij een kindertrui zien en legde met een zwaar accent uit dat de mouwen blauw met grijs werden. Ze had niet genoeg grijze wol en het voor- en achterpand was overwegend grijs met een blauw randje. Ik vroeg haar waar ze vandaan kwam en zij bleek Ierse te zijn van oorsprong. Het was nog goed te horen en af en toe moest zij naar de juiste woorden zoeken als zij iets uit wilde leggen. Ze was vanwege een man naar Nederland gekomen. Haar man leefde nu niet meer, maar ze had hier haar kinderen en kleinkinderen. Met haar kleinkinderen had ze het wat moeilijk, want die waren aan het puberen. Ze begreep ze niet meer zo goed en vond dat lastig. “Geen wonder dacht ik, want als ik mijn stiefkinderen al niet altijd begrijp moet het, als je nog ouder bent, helemaal lastig te zijn om nog wat van de jeugd van tegenwoordig te begrijpen. Ze bleek 92 jaar oud te zijn en daar was ik verbaasd over, want dat had ik haar niet gegeven. Ik vind dat ik al een hele stap gezet heb om vanwege een man van Noordholland naar de Noordoostpolder te verhuizen. Mijn stap valt bij die van haar in het niet.

Ik gaf aan dat ik weer verder ging, wat haar goed uitkwam, want op het moment dat ik binnen kwam stond zij op het punt om haar breiwerk op te ruimen en naar huis te gaan. Ze wenste me een prettige wandeling. Eenmaal buiten bleek het nog steeds pijpenstelen te regenen en werden mijn schoenen en sokken nog natter dan ze al waren. De straten stonden blank en dat gaf een automobilist mooi de gelegenheid om door een plas te rijden en voordat ik het wist was ik aan de linkerkant zeik- en zeiknat. Daar kon geen regenponcho tegenop, zelfs geen gifgroene. Ik had het helemaal gehad en belde mijn lief, met het idee dat hij wel in het huisje zou zitten vanwege die regen, dat ik graag weer opgehaald wilde worden. Wat bleek? Hij liep op het strand van Renesse waar het weliswaar niet warm was, maar wel droog. De zon scheen daar zelfs. Ik baalde, en niet alleen omdat ik drijfnat was, maar omdat ik hem van het zonnige strand liet komen om mij op te halen. Dat vond hij niet erg en zijn dochter ook niet, maar het gaf mij een vervelend gevoel. De gedachte kwam naar boven dat mij een mooie wandeling niet gegund werd. Even voelde het alsof ik gestraft werd voor mijn behoefte om dingen alleen te doen, zoals ik jullie liet weten in http://www.warboelwoordenspel.wordpress.com/2014/08/10/help-hoe-doe-ik-dat-vakantie-vieren/

De ontmoeting met de Ierse dame kan niemand me meer afnemen en eenmaal terug in het huisje ging het zonnetje schijnen. Ik heb nog heerlijk buiten gezeten en borduurde weer een stukje verder aan mijn Engelse dorp. Als ik een kat was geweest was ik beslist gaan spinnen.

Bij de pedicure

Dit verhaal werd mij in de schoot geworpen. Ik kreeg het toegestuurd door één van mijn lezers en mocht het delen met jullie. 

Geert en ik zijn bij de pedicure. Mijn voeten worden weer keurig in orde gebracht, terwijl hij in het wachtkamertje een tijdschrift zit te lezen. Daar voegt zich een buurtgenoot bij hem en ze raken aan de praat. Ineens verschijnt Geert in het kamertje van de pedicure en vraagt aan mij: “Wat heb ik eigenlijk?” “Hoe bedoel je?” vraag ik. “Ik zit te vertellen over mijn ziekte, maar wat heb ik eigenlijk?” “De ziekte van Alzheimer” zeg ik. Geert verdwijnt weer naar het wachtkamertje. We horen hem triomfantelijk zeggen: “Ja, ik weet het weer, het is Alzheimer!” “Je vindt het toch niet erg dat ik hier om moet lachen?” vraagt de pedicure fijngevoelig. Ik zit echter zelf ook te lachen, maar tegelijk schieten de tranen in mijn ogen. “Hieruit blijkt dàt hij het heeft” zeg ik, “dit zijn van die funny – sad – momenten die er nu eenmaal ook bij horen”. En we glimlachen begrijpend naar elkaar.

Vaak, of niet vaak.

Hoe vaak is vaak? Wanneer mag je tegen iemand zeggen dat ze wel erg vaak naar het toilet geholpen wil worden? Hoe leg je iemand uit dat ieder uur misschien echt wel wat veel is? Ik vind dit best lastige dilemma’s als iemand niet incontinent is en aandrang heeft. 

‘s Middags zijn we maar met z’n tweeën op de afdeling. En die afdeling telt een man of veertig, waarvan er veel afhankelijk zijn van hulp. Ik was in gesprek met de verpleeghuisarts en mijn collega holde van de ene bel naar de andere. Het was bijna niet bij te houden. Zij belde ook, maar het duurde haar te lang zodat ze toch maar naar het bloemschikken ging. Haar man was furieus en kwam verhaal halen in de zusterpost.

Na het bloemschikken werd zij naar haar appartement teruggebracht en belde zij voor hulp bij de toiletgang. Dat was ruim twee uur na haar eerste belletje. Ze mopperde dat ze voor het bloemschikken ook al moest plassen,  maar heeft alles goed opgehouden. Het was dus gewoon goed gegaan!

Normaal gesproken belt zij vrijwel ieder uur, of iedere anderhalf uur. Behalve als er bezoek is, dan belt zij niet. Dan is het soms een uur of drie achter elkaar stil. Vraagt zij hiermee om aandacht? Het lijkt er op.

Vanmorgen, om 7.30 uur had zij geplast terwijl zij in de douchestoel geholpen werd met douchen. Nadat ik haar man had geholpen vroeg zij mij of ze even naar het toilet mocht. Het was toen 8.15 uur. Ik hielp haar, want misschien kwam er een grote boodschap, je weet maar nooit. Ik zei er echter wel bij dat ik vond dat zij de volgende toiletgang moest proberen uit te stellen tot na tien uur.  “Maar dat is wel heel lang!” was haar reactie. Ik legde haar uit dat dit toch zou moeten kunnen. Het wordt ook gewoon wat veel om iemand een keer of twaalf naar het toilet te helpen. Alles wat we geprobeerd hebben hielp even. Daarna komt het patroon al snel weer terug.

Ze reageert wat beledigd, want stel dat ze nu echt moet…………Ik leg nogmaals uit dat ik toch wil dat ze het probeert. Het is niet goed voor haar blaas ook om bij iedere aandrang direct naar het toilet te gaan.

Om 10.15 belt zij, dat is de eerste keer nadat ik haar eerder geholpen heb en ik laat haar weten dat ze het goed volgehouden heeft. Ze glundert toch een beetje na mijn woorden. Het blijft echter een lastig probleem. Mijn stelling is eigenlijk altijd dat naar de wc moeten voorrang heeft op andere dingen. Maar als iemand twaalf keer op een dag moet raak ik met mijn stelling toch echt aan het twijfelen. Vandaar dat ik iedere keer toch probeer om de boel een beetje binnen de perken te houden.

Vrijheid

De halve wereld staat in brand en wij fietsen over het eiland Texel. Ik ben me heel erg bewust van de vrijheid die wij hier hebben en onwillekeurig vraag ik me af hoe lang die vrijheid blijft bestaan. De berichten in de krant liegen er niet om. Vandaag lees ik een ingezonden stukje waarin iemand aangeeft dat het, door alle ellende die via de kranten en het journaal over je heen spoelen, iedere dag een gevecht is om jezelf te blijven en niet in de put te raken. 

Ik kan me bij deze schrijver aansluiten. Het is niet zo dat ik dagelijks moeite heb om uit die put te blijven, maar het houdt me wel bezig. Soms denk ik dat ik de kranten beter niet meer kan lezen. Maar steek ik dan niet mijn kop in het zand? En toch heb ik die krant opgezegd, want misschien is het voor mij wel voldoende om alleen naar het journaal van 20.00 uur te kijken. Dat is minder breed uitgemeten en ventileert ook niet de meningen van vele journalisten.

Maar goed, samen met mijn lief en zijn twee kinderen van twaalf en bijna elf, fietste ik gister over het eiland Texel. Het was droog en zonnig, maar er stond een stevige wind. Het was hard werken op de fiets. Ik kan merken dat mijn stiefkinderen dit soort activiteiten niet gewend zijn. Het is opletten geblazen voor mijn lief en mij. Ze moeten wennen aan de huurfiets, maar maken soms ook rare bewegingen. Bij kruisingen moeten wij uitkijken voor vier, want soms zijn ze geneigd om gewoon maar door te fietsen. Afstappen gaat ook niet altijd vlekkeloos en mijn achterwiel werd ook niet gespaard waardoor de oudste bijna van zijn fiets viel.  Hij lette even niet op en zag over het hoofd dat ik voor hem fietste. Tel daar de flinke wind bij op dan krijg je niet zomaar een fietstochtje. De jongste liet zich door de wind niet kennen en hield stug vol. Als het te zwaar werd schoot ze in haar fantasie. Dan was de fiets een paard en die was nog lang niet moe. Het werkte. De oudste liet af en toe de moed zakken en werd dan even stevig toegesproken.  Ik fiets en geniet, maar probeer me soms even af te sluiten voor de woordenbrij die de oudste aan één stuk door produceert. Ik wijs hem op het moois om hem heen, zodat hij niet alleen maar bezig is met die vervelende harde wind. Want dat is waar die woordenbrij uit bestaat. Iedere keer probeer ik een ander gespreksonderwerp aan te snijden,  zodat hij even afgeleid raakt van het probleem waar hij met fietsen op stuit. Het lukt aardig en er ontstaan korte gesprekjes, waardoor ik weer iets meer van hem begin te begrijpen.

11-08-2014 (8)

Het Juttersmuseum was ons eerste doel. Een mooie vergaarbak voor allerlei aangespoelde spullen. Je weet niet wat je ziet en helemaal niet wat je hoort als in een film een Jutter aan het woord is. Het zijn geweldige verhalen, maar allemaal hebben ze een serieuze ondertoon. “Die van het schip in nood en het redden van de opvarenden.” Het is goed dat zulke verhalen verteld worden. De manier waarop de Jutter dit deed was leuk. Hij schetste scènes die hilarisch waren, zodat we flink hebben gelachen. Op foto’s zien we een enorme hoeveelheid schoenen die met elkaar het woord “sportschoenen” vormen. Ze zijn van een containervracht die aangespoeld is. Maar ook rijen televisies, waar je natuurlijk niets meer aan hebt. En dan alles wat gewoon achterblijft op het strand. Lege flessen, aanstekers, lege pakjes sigaretten en zelfs schepjes en emmertjes. Waarom ruimen mensen hun zooi eigenlijk niet op?

11-08-2014 (18)

Na het Juttersmuseum rijden we richting Oudeschild, met de bedoeling een boottochtje te maken. Helaas, we zijn net te laat. De boten die nog varen zijn al weg. Er liggen nog twee boten die vanwege het weer niet afvaren. Eén van de bemanningsleden legt uit dat de meeste mensen groen en geel terugkomen en het onderweg alleen maar druk hebben gehad met het voeren van de vissen. Ha ha, met andere woorden: “Ze hebben kotsend over de reling gehangen”.  Het is er eigenlijk geen weer voor en om te voorkomen dat de meevarenden nooit meer op een boot willen varen ze gewoon niet. Geen nood, want wat in het vat zit verzuurt niet en we beloven ter plekke om een andere keer weer naar Texel te gaan. En één ding weet ik zeker, wat wij beloven doen we. We drinken ergens wat en gaan naar De Koog. Daar nemen we een kijkje op het strand en de jongste gaat schelpen zoeken. Een flink aantal gaat mee terug naar huis. Die kan ze mooi wassen en gebruiken voor één of ander knutselwerkje.

Met elkaar hebben we een leuke dag, maar ook allemaal een moe lijf. Kijk, en dat geeft nou niet, want we weten ook waar dat door komt. We hebben gewoon heel veel lichamelijke arbeid verricht.  Dan mag je ook moe zijn en daardoor in slaap storten. Dat hoort ook zo. Bij mij duurt het even voordat ik echt slaap, want ik ben nog steeds aan het opletten. Ik zie gaten in de weg waar we omheen moeten. Langsrazende auto’s die niet voor ons willen stoppen en besluit al deze gedachten maar gewoon op te ruimen en val in een droomloze slaap.

 

 

Help, hoe doe ik dat: Vakantie vieren?

Ik ben opgelucht. Gewoon omdat ik nu eindelijk weet hoe ik mijn vakantie moet gaan vieren.

Belachelijk dat ik daar zo over in heb gezeten en het alsmaar niet wist. Zeker als je  het afzet tegen de slachtoffers van de ISIS, of tegen de nabestaanden van degenen die in het vliegtuig zaten dat boven de Oekraïne is neergehaald. Vergeet dan vooral ook niet de Hamas versus Israel en ook de Oekraïne die niet bij Rusland wil horen, al denkt Poetin daar totaal anders over. Vergeleken bij dit soort wanhoop, problemen en ellende valt mijn probleem toch totaal in het niet. Ik zou me eigenlijk moeten schamen, maar toch zat ik hiermee in mijn maag.

En waarom nu toch eigenlijk? We gaan een weekje naar Zeeland en de kinderen van mijn lief gaan mee. Die zijn de laatste drie weken van de zomervakantie bij ons. Dat is logisch want dan is de boel mooi verdeeld tussen moeder&stiefvader en vader&stiefmoeder. Ik weet alleen inmiddels uit ervaring dat ik totaal niet uitgerust raak van zo’n weekje met twee kinderen van elf en twaalf. Overigens gaat die van twaalf maar mee van vrijdag tot zondag, want hij moet de maandag er na al weer naar school. Brugklas, groepsvorming en het direct starten met de lessen gaf weinig gelegenheid om hem deze week toch mee te nemen. Beetje sneu, maar dit had geen enkele moeder, stiefvader, vader of stiefmoeder kunnen voorzien: “Een basisschool en een school voor voortgezet onderwijs in dezelfde plaats, die er verschillende vakantieweken op na houden.” Hoe verzin je het?

En waarom raak ik dan niet uitgerust van zo’n weekje? Nou, gewoon omdat de tijd dat ik met kinderen van die leeftijd op vakantie ging, ver achter mij ligt. Kom zeg, mijn oudste is de dertig ruim gepasseerd, de jongste is zevenentwintig en daartussen zit er nog één van dertig. Ik ben met dit soort vakanties dus terug bij af. “Maar dat wist je toch, toen je hier aan begon?” is de reactie wanneer ik dit ventileer. Ja, ja, natuurlijk wist ik dat. Maar tussen weten en ervaren zit een groot verschil hoor. Ik herinner me de eerste vakantie met z’n vieren nog. We hadden een sta-caravan gehuurd op een camping. Het was een smal straatje en iedereen kon op iedereens bord kijken. Allemaal jonge gezinnen met zeer jonge kinderen. Ik voelde me totaal uit de toon vallen en was na de vakantie zó moe. Veel moeier nog dan voor de vakantie. Dat is niet goed, dus het tweede jaar pakten we het al anders aan. Na die vakantie was ik minder moe, maar nog steeds moe. Even heb ik gedacht dat het voor mij beter zou zijn om die week alleen weg te gaan.  Gewoon lekker in mijn eentje, zodat ik met niemand rekening hoef te houden.

Gelukkig begrijpt mijn lief al deze gevoelens, maar echt leuk leek het hem niet.  Na veel denken van mijn kant en veel praten van beider kanten hebben we toch best een goede oplossing gevonden voor die drie weken. De eerste week is mijn lief vrij en gaan we op mijn vrije dag met z’n vieren naar Texel. Gezellig met een garnalenboot mee, misschien nog naar Ecomare, of naar het Juttersmuseum. Daar zijn we nog niet helemaal uit. Op mijn andere vrije dag, in diezelfde week, ga ik gewoon lekker wandelen. Dan moet ik nog drie dagen werken en bemoei ik me helemaal nergens mee.

En dan, in Zeeland? Nou, kijk wij hebben bedacht dat we samen gaan ontbijten. Met z’n vieren dus en later in de week met z’n drieën. Dan drinken we nog lekker een kop koffie en daarna ga ik mijn eigen ding doen. Welk ding dan wel? Wandelen, het liefst een tocht van een km of twintig. Of ik fiets naar één van de omliggende dorpen om daar eens een kijkje te nemen. Maar misschien ga ik ook wel mijn kabouter verhalen corrigeren, want daar komt op het ogenblik helemaal niets van. Of misschien pak ik mijn tekenspullen weer eens op, want die liggen de laatste maanden in de la van mijn kast te verkommeren.  Om een uur of vier voeg ik me weer bij mijn lief en bedenken we wat we gaan eten. Misschien maken we wel iets voor een picknick op het strand. Na het eten kunnen we nog mooi een spelletje doen of een ommetje maken met z’n allen. Of we kijken een filmpje, maar wie weet zijn er ook wel leuke activiteiten voor een elf jarige. En natuurlijk ga ik gezellig mee naar het Deltapark Neeltje Jans. Wat dacht je dan?

En weet je, de laatste week is mijn stiefdochter op mij aangewezen. Dan is mijn lief, haar vader dus, alweer aan het werk. Voor die week heb ik heus wel een en ander bedacht wat zowel voor haar als voor mij leuk is. Bovendien komt mijn dochter met mijn kleinzoon en kleindochter ook nog een dagje langs. Daar kijk ik nu al naar uit.

En nu nog dat stemmetje het zwijgen opleggen dat alsmaar beweert dat ik egoïstisch bezig ben. Dat ik het eigenlijk voor iedereen leuk moet maken. Dat stemmetje dat vervolgens vergeet dat ik dan heel moe word en niet meer gezellig ben. Het wordt tijd dat ik dat stemmetje zijn stembanden doorsnijd.

De wind er onder

“Och jee, nu valt mijn handdoek ook nog op de grond” zei ze vanmorgen tegen mij.

“Eerlijk gezegd ben ik wel blij dat hij naar beneden valt en niet omhoog. Het waait nogal en uw raam staat open. De wind zou zomaar onder de handdoek kunnen komen en wie weet vliegt hij dan door het raam naar buiten. Ik ben zo’n type die dan probeert om  zo’n handdoek tegen te houden. Dan pak ik ‘m vast en loop ik vervolgens het risico om met handdoek en al naar buiten te worden getrokken.  Ziet u me al gaan, vliegend door de lucht. Wie weet waar ik dan terecht kom” reageerde ik.

“Jij hebt wel heel veel fantasie.” Ja, dacht ik, dat heb ik zeker. Ik ben niet voor niks een kinderboek aan het schrijven.

 

Verveling

Daar zitten ze dan. Nou ja, zitten? Het is meer hangen wat ze doen, zo tussen de fietsen in het fietsenrek bij de Jumbo. De verveling druipt van hun gezichten. Hoe oud zijn ze? Zo’n jaar of dertien, schat ik.  Zijn het vriendinnen of zijn ze tot elkaar veroordeeld omdat de andere meiden met vakantie zijn? 

Terwijl ik mijn supermarkt kar uitpak en mijn fietstas inpak, bekijk ik de twee stiekem. Ze zitten vlak bij me en ik kan letterlijk verstaan waar ze het over hebben. Ze praten met elkaar, maar kijken elkaar geen enkel ogenblik aan. Ze kijken gewoon, met een lege blik, de andere kant uit. “Wat is er toch met dat kind?” hoor ik die met de donkere krullen zeggen.  “Had hij het over jou?” antwoordt de ander, met het lange stijle blonde haar. “Nee, hij had het niet over mij, maar over jou. Ik praatte wel eens over jou met hem, maar toen waren we nog geen vriendinnen hoor” legt de donkere krullenbol uit. Er komt geen reactie. De blonde, met het stijle haar, kijkt verveeld de andere kant uit.

“Nou, waar blijven die kinderen?” zegt de krullenbol. “Wie bedoel je” reageert de blonde met het stijle haar. “Nou het zijn geen volwassenen, dus zijn het kinderen” redeneert de krullenbol met onweerlegbare puberlogica.

Mijn fietstas is ingepakt, ik zet de supermarkt kar terug en rij naar huis.

Annie en Truus

Met mijn lief loop ik de Jumbo binnen en meteen vallen ze mij op. Ze bakkeleien over het mandje wat mee de winkel in moet. Annie, in de rolstoel wil ‘m niet op haar schoot, terwijl Truus (geen idee of ze zo heet, maar het is makkelijker als ik haar een naam geef) het lastig vindt om de rolstoel te duwen en tegelijkertijd het mandje op wieltjes achter zich aan te trekken.

“Nou hoef je niet zo op mij te mopperen. Ik kan hier verder ook niks aan doen hoor” zegt Truus tegen Annie, die er boos bij zit in haar rolstoel. Opgezette voeten, zonder schoenen rusten op de voetsteunen van de rolstoel. Bewegingloos kijkt zij sjacherijnig voor zich uit. Het wordt uiteindelijk het mandje op wieltjes, want Annie blijft steevast weigeren om het mandje op schoot te houden.

Bij de groente en fruit afdeling kom ik ze weer tegen. Ze staan bij de voorgesneden groenten en Truus noemt werkelijk iedere groente op die ze ziet. Annie wil niks, lust niks of geeft gewoon geen antwoord. Truus blijft vriendelijk, maar het klinkt langzaam maar zeker als gemaakt geduldig. Zelf ben ik op zoek naar chinese kool, maar deze is er zowel gesneden als ongesneden niet. Geeft niet, verderop is een groentenwinkel, die verkoopt dit vast wel.

“O, kijk, witlof. Lust je dat Annie?” vraagt Truus. Annie lust het wel maar wil het niet. Zo te horen wil Annie helemaal niks, behalve sjacherijnig doen en mopperen tegen Truus. Ën Truus hoor ik, terwijl ze van Annie wegkijkt, mompelen :”Wil ik niet, lust ik niet, wil ik niet”.
Bij de kassa kom ik ze weer tegen en Truus legt 6 bruine kadetjes en een kuipje boter op de band. Meer hebben ze, zo te zien niet kunnen vinden. Als ze afrekenen hoor ik Annie tegen Truus zeggen: “Ik wil nog even terug, want je hebt me niet alles laten zien”.

Truus zucht en zegt dat ze haar toch echt alle soorten groenten heeft laten zien, waarop Annie reageert: “Vroeger hadden ze veel meer. Ze hebben zeker de winkel veranderd”.

Een bijzonder verjaardagsontbijt

Vrijdagochtend, 1 augustus, loop ik rond een uur of negen bij haar naar binnen. Ik ga haar helpen met het innemen van de medicijnen. Ze krijgt ook insuline toegediend en daarna maak ik de pap warm.

“Vandaag is een bijzondere dag” zegt ze tegen mij. Direct gaat er bij mij een lichtje branden en ik zeg: “Ja, u bent jarig vandaag. Tegelijk met mijn vader”.  Ik feliciteer haar en zij feliciteert mij.

Ze heeft geen zin in de pap en vertelt dat zij nooit van ontbijten heeft gehouden. “Het moet, vanwege de insuline, maar het liefst zou ik ‘s morgens niets eten.”  Ik vraag haar of er iets is wat zij erg lekker vindt. Het hoeft geen groente, vlees of brood te zijn, maar gewoon iets waar ze van houdt. Ik zie haar denken en dan ineens komt het antwoord: “Ja, boerenjongens”.
“Weet u wat?” zeg ik tegen haar, “u doet gewoon bij elke hap pap de ogen dicht en denkt heel hard aan boerenjongens. Misschien gaat het dan ook wel zo smaken. En volgend jaar krijgt u het als ontbijt, dan hebt u alvast een jaar voorpret.”