Monthly Archives: July 2014

Dementeren is topsport

Ze had werkelijk geen idee wie die vrouw was die met haar zoon mee was gekomen. Haar zoon ging koffie halen en ze was blij toen hij weer terug was.

De vrouw maakte een papieren zak open en bleek lekkere koeken mee te hebben. Beleefd bedankte ze haar en at, zonder verder op te kijken de koek in snel tempo op. De vrouw vroeg iets aan haar zoon en zij reageerde: “Je bent niet nieuwsgierig, maar je wilt wel alles graag weten hè?”

Ze moest naar het toilet en gelukkig liep haar zoon met haar mee, want ze had werkelijk geen idee waar ze zijn moest. Weer terug zat er een vrouw aan het tafeltje en zij vroeg:
“U vindt het toch niet erg dat wij bij u komen zitten?”

Topsport, dat dementeren. Met de weinige hersencellen een poging doen om de wereld om je heen te begrijpen valt niet mee.

Opzeggen

De Telegraaf is snel met reageren. Op zondag deed ik de brief op de bus waarin ik mijn abonnement opzegde, zo’n voordeelabonnement voor € 18,50 in de maand. Overigens deed ik eerst online een poging. Ik moest een account aanmaken en dat lukte maar niet. Ze wilden mijn account niet accepteren, dan maar ouderwets met de post.

Meteen vandaag hing er iemand van de klantenservice aan de lijn. Helaas was me toen nog niet opgevallen dat we vandaag de krant niet ontvangen hadden, want dan had ik dat natuurlijk meteen gemeld. Ik werd doorgezaagd over de reden van mijn opzegging en kriegel reageerde ik dat het eigenlijk helemaal niet belangrijk was, want ik wilde gewoon met ingang van 9 oktober 2014 geen krant meer ontvangen.

Mijn lief kwam thuis en vroeg mij naar de krant van vandaag. Lekker balen, die hadden we dus niet gekregen. Bellen dan maar om dit te laten weten. Kreeg ik te maken met een bandje dat vragen stelt over postcode en huisnummer. Vervolgens lepelt de stem mijn adres op. Ja, het bleek het goede adres te zijn. Wist ik wel. En wat vertelde de stem mij daarna? “U krijgt de krant een dag langer. Op deze manier krijgt u toch het aantal kranten waar u recht op heeft. Weet u dat u ook de Telegraaf op uw smartphone of tablet kunt lezen?” Laat ik nou geen smartphone of tablet hebben. Ik wil gewoon de krant van vandaag. Vroeger werd zo’n exemplaar alsnog bezorgd nadat ze dit de bezorger hadden laten weten.

Ik heb trouwens niet alleen de Telegraaf opgezegd, maar ook de Mikrogids, èn mijn baan. Gek genoeg leek het mijn leidinggevende gewoon een goed idee dat ik vandaag kwam werken. Niks wegblijven en laten weten dat ik na mijn ontslagdatum wel een dag langer kom, zodat ik het aantal dagen gewerkt heb waar ik recht op heb. Of waar zij recht op hebben natuurlijk. Het is maar hoe je het bekijkt.

De ‘Jakkie’

De jakkie

Het is kwart voor vijf en, zoals gebruikelijk, heerst er onrust op de psychogeriatrische  afdeling. Er is niet een eenduidige verklaring voor. Heeft het met honger te maken, het is tenslotte bijna etenstijd? Of is het wisselen van de dagdienst met de avonddienst de oorzaak? Dementerenden zijn rond dat tijdstip klaar wakker. De één gaat rondlopen, de ander begint in het wildeweg te praten. Mensen gaan aan elkaar frunniken of worden boos op elkaar.

We brachten mijn schoonmoeder terug naar de afdeling en hoorden op de gang al hoe twee dames met elkaar in gesprek waren. Nou ja, in gesprek? Het leek meer op een woordenwisseling. De stemmen klonken luid en wat geagiteerd. Terwijl wij de huiskamer inliepen kwam een dame,  met een zeer onderzoekende blik, steeds dichterbij. Ze liep een beetje krom, maar had haar blik strak gericht op mijn echtgenoot. Zomaar ineens boog zij af en verdween weer. Mijn schoonmoeder zocht een stoel en aan mijn echtgenoot werd, door een dame bij het raam, gevraagd of hij de tafel al gedekt had. “De tafels zijn wel gedekt, maar niet door mij” reageerde hij. Dit stond haar duidelijk niet aan want hij werd gesommeerd om dan maar direct weg te gaan. Hij mocht niet mee eten.

“O jakkie” zei ik. De kans om te zeggen dat wij dan ergens anders moesten gaan eten kreeg ik niet, want bij het horen van het “o jakkie” kwam er direct een reactie van een andere dame: “Wat zegt u? Jakkie? O jee, is ‘de jakkie’ hier?”

Mijn schoonmoeder had een stoel gevonden tussen die twee  in. Daar was de dame links van haar het niet mee eens: “Daar mag je niet zitten hoor” maar mijn schoonmoeder stoorde zich daar niet aan en zakte met een zucht neer. Mijn echtgenoot liep naar haar toe om haar gedag te zeggen en op het moment dat hij bij haar was zag de dame links van mijn schoonmoeder zijn blote benen. “Heeft u blote benen? Dan moet u doorfietsen hoor, anders krijgt u last van muggen”. Meteen ontstond er rechts van mijn schoonmoeder een hoop tumult, want de jakkie was nu wel erg dichtbij.

 

 

Een gekkenhuis

Welkom allemaal. Ga vandaag eens gezellig mij mee aan het werk in het verzorgingshuis. Bij iedere cliënt zet ik een andere pet op. Ik kan zo aan het toneel. Bij het Theater van de Lach of een komisch drama. Overigens noemde mijn jongste dochter dit vroeger “een dramische koma”.

Vanmorgen om 7.00 uur startte ik mijn dag bij mevrouw A. Zij moest geholpen worden met douchen. Daar was ik zo maar even 40 minuten zoet mee. Het zweet stond me op de rug en gutste over mijn gezicht. Terwijl ik haar hielp met het aantrekken van de bloes meldde zij mij dat het bovenste knoopje ook dicht mocht, want zó warm was het toch al niet meer. Ik deed het knoopje dicht en zag een prachtig borduurwerkje, net onder dat bovenste knoopje. “Wat mooi, dat takje met die blaadjes, als u het bovenste knoopje open zou laten zie je het helemaal niet. Goed dat u dit dicht doet vandaag” zei ik haar.

Daarna begon ik met het delen van de medicatie. Mevrouw B. gaf aan dat zij eigenlijk wel even wilde plassen, dus haar gaf ik de po op bed. “Belt u als u klaar bent, dan haal ik u er weer af” zei ik tegen haar. Twee deuren verder ging mijn pieper. Meteen liep ik terug, haalde de po onder haar weg en ging weer verder met mijn werkzaamheden. “Ik word toch wel al snel geholpen hè? vroeg zij mij.

Aan het eind van de gang hoorde ik een hoop tumult. Het echtpaar zat enorm te mopperen. Ik kon gewoon letterlijk verstaan wat zij er van vonden dat ik er nog steeds niet was. Logisch, want het was uiteindelijk al 8.05 uur. Hoe zou ik hier vandaag eens mee omgaan? “Goedemorgen!” begroette ik het echtpaar. “Brombrombrom”, klonk het uit zijn stoel. Terwijl ik haar hielp met haar ‘pufje’ vroeg ik aan hem of hij zijn kleren vast klaar wilde leggen.  Hij liep langs mij heen om in het trappenhuis te gaan roken en liet mij weten dat als ik geen haast had, hij dat nu zeker ook niet had. Dat gaat dagelijks zo, en niet alleen als ik het echtpaar kom helpen. “Prima, ik kom over een kwartiertje wel terug” liet ik hem weten. “Brombrombrom!”

Ik zette bij de laatste drie cliënten de medicatie vast klaar en na tien minuten was ik er weer en helaas, hij moest nog steeds zijn kleding klaar leggen. En hoe ging ik hier vandaag mee om?  Ik zei tegen hem dat hij zich moest schamen. “Mijnheer, ik begrijp u niet. U heeft van half acht tot acht uur zitten mopperen dat alles te lang duurt. In diezelfde tijd had u ook uw kleding klaar kunnen leggen.” Hielp dat? Welnee want hij begreep zoveel niet. Bijvoorbeeld waarom zij altijd als laatste hun medicijnen krijgen. Op de zakjes staat keurig dat het medicatie is van 8.00 uur. Tja, dan is 8.05 uur wel wat laat. Ach ja, heel logisch start ik altijd aan het begin van de gang, zodat ik als laatste bij hen ben. Daar moet ik dan toch zijn om hem te helpen. Dat noem ik “het zo goed mogelijk organiseren van je werk, zodat je niet onnodig heen en weer hoeft te lopen”. Het liefst wilde ik hem dit uitleggen, maar ik deed het niet en zwijgend hielp ik hem met douchen. “Wilt u een kopje thee?” vroeg ik hem. Nee, hij wilde niks en ik hoorde hem bijna denken dat hij die thee zeker niet van mij wilde.

Vervolgens pendelde ik tussen drie vlak bij elkaar liggende kamers. Bij de één zette ik de vernevelaar aan. De ander, mijnheer X gaf ik de medicatie in met appelmoes en zette ik een boterham, zonder korst, met hagelslag binnen handbereik neer. Aan de overkant gaf ik een mevrouw eerst wat te drinken. En toen was er even vijf minuten tijd voor een kopje koffie. Het was dan ook al 8.50 uur, dus mocht het wel even.  Na mijn koffie zette ik bij haar de vernevelaar uit, hielp hem voor een deel met zijn brood en de thee, want hij was te moe om zelf te eten en te drinken. Aan de overkant hielp ik haar met pap eten en liep ondertussen af en toe bij hem binnen om weer een stukje brood in zijn mond te doen. Tenslotte hielp ik de mevrouw, waarbij ik de vernevelaar had uitgezet, nog met het eten van haar pap en inmiddels was het 9.30 uur.

Ha ha, kunnen jullie het nog volgen?

Mijn telefoon ging en de receptioniste liet weten dat mevrouw M. klaar was bij de kapper. Of ik haar even naar haar appartement kon terug brengen. “Direct maar doen” dacht ik. Achter de rolstoel liep ik door de gang. Hup, door de bocht met een grote zwaai, hup de volgende bocht en daarna tot aan haar deur. Bij iedere bocht schoot zij in de lach. Het leek dan ook wel wat op sleetje rijden, vond zij.

Mevrouw F. was aan de beurt. Ik belde aan en liep bij haar naar binnen. “Goedemorgen!” begroette ik haar. Net als andere dagen vroeg zij wie daar was. Ik liep naar haar bed en liet even ‘mijn neus zien’. “O ben jij het?” Ja ik was het en ik vroeg haar om op de rand van haar bed te gaan zitten vanwege het pufje en de medicijnen. “Goed rechtop blijven zitten, anders rolt u achterover en krijgt u het water in uw nek.” Dat had ik niet moeten zeggen, want door het lachen helde zij direct weer naar achter. Ik ging naast haar zitten, steunde haar in de rug en hielp haar met de medicijnen. Daarna pakte ik de douchestoel en liet haar, bet behulp van de rollator, staan. “Blijf je wel bij me, want ik val hoor”. Natuurlijk bleef ik bij haar en zij landde zachtjes op de douchestoel. “Hoe is het nu met je zoon?” Ik kwam hem gister nog tegen. Het is toch zo’n knappe jongen en hij heeft zo’n mooie bos haar. Hij lijkt precies op u” liet ze me weten Kijk, dat is nu eens een leuk compliment, want mijn zoon is een knappe jongen en lijkt precies op mij.  Wat wil ik nog meer. Mijn zoon woont in het westen van het land en ik ben in Overijssel aan het werk. Helemaal kloppen deed het verhaal niet, maar dat mocht de pret niet drukken. Ik praatte met haar mee en liet weten dat mijn zoon het prima maakt en dat ik blij was om te horen dat hij op mij lijkt. “Als hij toch hier in de buurt was, had hij best even bij zijn moeder langs kunnen gaan” vond ik. Daar dacht zij anders over, ze nam het direct voor hem op. “Ach, het is zo’n goeierd, hij heeft het natuurlijk veel te druk”. Luchtig liet ik haar weten dat ze misschien wel gelijk heeft.

Mijn telefoon ging. Een collega had even een extra handje nodig. Ik hielp mevrouw F. met het aantrekken van haar hemd en shirt en vroeg haar even vijf minuten geduld te hebben.
“Natuurlijk, lieverd, ga jij maar even hoor. Je komt wel terug hè?” Natuurlijk was ik iets langer dan vijf minuten weg, maar dat leek haar niet te hebben gehinderd. “Wilt u even gaan staan? Houdt u zich maar aan de wastafel vast”. Ik zag de verbazing op haar gezicht: “Staan? Waarom moet ik in vredesnaam staan?”“Ik wil even uw billen wassen, dat gaat niet als u er op zit” zei ik.  Net als andere keren schoot zij in de lach en zei: “Wat bent u toch voor type? Ik moet altijd zo om u lachen.”

Wat later die ochtend bracht ik haar naar de groepsopvang. Ze vertelde mij dat ze zo bang voor haar benen was. Ik keek haar quasi verbaasd aan en zei: “Maar wat is dat nu voor flauwekul. Ik ben nooit bang voor benen en zeker niet voor die van mezelf.” “O god, daar gaan we weer. Wat bent u toch voor type? Ik moet altijd zo om u lachen. Tja, wat ben ik voor type. Waarschijnlijk ben ik gewoon een beetje raar.

Het is nu tien over tien en de rest van de dag bespaar ik jullie, want ik had nog vele petten op. Van werken in de zorg krijg je bijna een gespleten persoonlijkheid. Het is werken in ‘een gekkenhuis’. Daar kan ik de ene dag beter tegen dan de andere dag.

Nog even. Dit is het laatste, echt het laatste over vandaag, wat ik nog even kwijt wil aan jullie. Mevrouw G. draait sinds afgelopen zondag haar hoofd van mij weg. Ze wil mij niet meer zien, want die zondag heb ik tegen haar dochter gezegd dat de thee, die wij ’s middags schenken, eigenlijk alleen voor de bewoners is. Het meeste bezoek zet dan ook gezellig zelf een potje thee of koffie. Daar heb ik haar dochter zó mee gekrenkt dat mevrouw G. boos is. Ik heb haar vandaag toch maar even laten weten dat ik dit gedrag wat vreemd vind. Het dreigde even te ontaarden in wat heen en weer gepraat, maar ze heeft besloten dat ze mij voortaan toch maar weer gedag zegt. “Uiteindelijk bent u toch altijd een lieve zuster.”

 

 

De schoenmaker

Ik baalde flink, want voor de tweede keer binnen een jaar moest mijn wandelschoen gerepareerd. Alweer liet aan de binnenkant de zool los. Vorige keer kreeg ik van de schoenmaker op m’n kop, want ik had de boel eerst zelf gelijmd. Dat had ik beter niet kunnen doen, want nu moest hij de lijm er eerst uitkrabben. Tja, weet ik veel. Liefst had ik de schoen naar de winkel terug gebracht. Maar ja, ik had de schoenen in een ander deel van het land gekocht en uiteraard het bonnetje niet bewaard. Dan blijft alleen de schoenmaker over.

Vrijdagmiddag bracht ik de schoenen weg met de vraag of ik ze de volgende dag kon ophalen, want zondag zou ik gaan wandelen. “Natuurlijk kan dat, maar wel voor énen, want daarna is de zaak dicht” werd mij verteld.

Zaterdagochtend ging ik eerst naar de kapper en om half tien liep ik bij de schoenmaker naar binnen. Mijn schoen was nog niet gerepareerd. Vrijdag in de namiddag hield de machine er mee op, maar hij repareerde de schoen waar ik bij stond. Al werkend vertelde hij dat zijn vrouw vanmorgen alleen naar de Scapino was. Hij was trots op haar, dat kon ik horen. Belangstellend vroeg ik of zij dat nog niet eerder alleen had gedaan.  Wat bleek, zijn vrouw zit in een rolstoel en is voor een groot deel afhankelijk van hem. Iedere werkdag belt hij om half vier naar huis. Als zijn vrouw niet opneemt wacht hij af of zij terugbelt. Als er om vier uur nog steeds niet teruggebeld is sluit hij de zaak en rijdt als een speer naar huis. De laatste keer dat dit gebeurde reed de politie achter hem aan, want uiteraard reed hij te hard. Hij nodigde de agenten uit mee naar binnen te gaan, zodat zij konden zien waarom hij zoveel haast had. ZIjn vrouw lag languit in de gang. De bon voor te hard rijden heeft hij nooit gekregen. Bovendien werd kreeg hij politie escorte naar het ziekenhuis. Kijk, dat scheelde tijd.

Tijdens het praten keek hij af en toe naar buiten. Ik denk dat hij wat ongerust was. Toen ik op de fiets stapte betrapte ik me er op dat ik keek of ik een vrouw in een rolstoel zag rijden. Even kreeg ik het gevoel dat ik misschien bij de Scapino naar binnen moest lopen. Ik deed het niet en dat is ook goed. Dit echtpaar kan heel goed op zichzelf passen. Ze hebben daar prima afspraken over.

Sneeuw in de zomer

Na een zeer warme zaterdag, waarna het ’s nachts nauwelijks afkoelde, kwam ik zondagochtend rond kwart voor acht haar appartement binnen met de medicijnen.

Haar gordijnen waren een stukje open en de jaloezieën waren niet helemaal naar beneden. Zo kwam er nog wat frisse lucht door het open raam naar binnen.

De grote witte hortensia bollen groeiden boven haar vensterbank uit. “Kijk” zei ze, “mooi hè?” Toen ik vanmorgen wakker werd dacht ik even dat het gesneeuwd had.”

Lang leve de bezuinigingen

De eerste huurders wonen in het verzorgingshuis. Het zijn cliënten die zorg van ons krijgen, die wij in minuten moeten registreren. Deze cliënten moeten het vooral van hun mantelzorgers hebben, want wij mogen niet alles meer zomaar tussendoor doen, omdat voor bepaalde zaken geen geld meer binnenkomt. De zorg is afgepast, vandaar het registreren van die zorgminuten. In de thuiszorg al lang heel gewoon, in het verzorgingshuis nieuw.

Dit weekend klaagde één van deze cliënten over een zere keel, gepaard gaande met een dikke, harde, warme rode plek in haar hals. Ik bekeek de plek, keek goed of ik niet ergens een aanwijzing zag dat zij misschien door een insect zou zijn gestoken, voelde er aan en besloot om te kijken of zij koorts had. Zelf had zij geen thermometer, dus waarschijnlijk ging ik geheel buiten mijn boekje door er één van het huis te gebruiken. Zij had koorts, ruim 38° en dat al vroeg in de morgen. En ja, het was warm, dus misschien kwam het daar wel door, opperde zij hoopvol. Slikken ging moeilijk, deed ook zeer. Toch maar de huisartsenpost gebeld.

Tegen etenstijd kwam er een huisarts langs. Mw. moest naar de poli KNO en liefst zo snel mogelijk. “Kan er iemand met u mee?” vroeg de arts haar. Dat werd wat lastig, haar enige zoon was op vakantie in Israël. “Heeft u misschien een nichtje, of één van de kinderen van uw zoon, of een oude buurvrouw die mee kan?” opperde de arts. Het hele leger mantelzorgers werd uit de koker getoverd van de huisarts. Mw. bleek echter niemand te weten die met haar mee zou kunnen. De naam van de buurman klonk, en op internet heb ik bij de naam en het adres het telefoonnummer van de beste man opgezocht.

“Zou u misschien met uw vroegere buurvrouw mee kunnen naar de KNO poli in Zwolle? Haar zoon zit namelijk in Israel.” Nee, het kwam de buurman niet echt gelegen. Ik stelde de man gerust dat het niet erg was dat het op een andere manier opgelost zou worden.

En hoe regelde ik dit dan wel? Ik bestelde een taxi en mevrouw moest alleen naar de poli in Zwolle. De taxichauffeur kwam met spoed, excuseerde zich voor zijn outfit, want hij liep nog in zijn korte broek. Hij begreep dat het spoed was en was direct gekomen.

Mijn achting steeg voor deze man, helemaal toen hij zei dat hij met deze mevrouw mee zou gaan naar de balie in het ziekenhuis. Dat hij, als er niemand was die haar naar de poli kon brengen, dat zelf zou doen. En waarom deed hij dat allemaal? Hij wist als geen ander dat alle menselijkheid wegbezuinigd is door Den Haag en vertelde dat zijn eigen moeder zich om die reden had laten versterven. Op die manier ging het geld in ieder geval niet naar die graaiers, zei hij, of woorden van gelijke strekking.

Kon er dan niemand van ons mee? Nee, daar is de bezetting te krap voor. Kon er dan niet iemand langer blijven om met haar mee te gaan? Nee, want die tijd mogen wij niet schrijven. Wij zijn werkzaam in de zorg en niet de mantelzorger van iedere bewoner. Het is geen vrijwilligerswerk wat wij doen. En laten we heel eerlijk zijn, een dikbetaalde baan is het niet eens. Dit is gewoon wat van een mantelzorger verwacht wordt en deze kon niet mee, hij zat in Israël en kon hier dus helemaal, totaal niks aan doen.

Het is in deze tijd dus aan de orde om, terwijl je in goede gezondheid bent, een groot sociaal netwerk op te bouwen zodat je later genoeg mantelzorgers om je heen hebt verzameld. Maak ook vooral geen ruzie met de mensen uit dit sociale netwerk, want dan laten ze je misschien wel vallen als een baksteen. Maar goed, als je aan een groot sociaal netwerk niet zo veel behoefte hebt, omdat je graag alleen bent of alleen met je dierbaren, is het dus toch raadzaam om hier aan te werken. Het is om te huilen.

Om te voorkomen dat iemand zich aangevallen voelt zeg ik er, voor de zekerheid, nog bij dat ik dit helemaal niemand in ons huis verwijt. Degenen die in de zorg werken kunnen hier werkelijk helemaal niets aan doen. Ik verwijt het de mensen die in Den Haag, achter hun bureau, allerlei maatregelen nemen waarvan zij de gevolgen echt totaal niet kunnen overzien. Misschien is het raadzaam dat zij, met zo min mogelijk mantelzorgers, gewoon eens een maandje bij ons komen wonen om te ervaren of dit ze bevalt. Of een maandje meewerken in de zorg. Ook raadzaam. Helaas, dit voorstel heb ik al gedaan aan onze minister President Mark Rutte. Je raadt het al, hij ging daar niet op in.

Sondevoeding, catheters en incontinentiemateriaal.

De bezuinigingen in de zorg baren mij zorgen, maar dat weten jullie zo langzamerhand wel. Er is minder geld, dus minder tijd, maar helaas is het resultaat dat er steeds meer werk is. Je las het o.a. ook al in “Ja hoor, er kan nog meer bij”.  Ik zie de problemen en probeer in oplossingen te denken, maar dat valt niet altijd mee.

Deze week gebeurde waar iedereen bang voor is, want hoe los je dit op: Een collega had zich ziek gemeld. Dat betekent met één man minder het werk van 12 man doen. “Bel iemand die hier vlak bij woont. Die en die kan meestal wel.” Het eerste wat ik dacht was: “Ben ik even blij dat ik hier niet om de hoek woon. Stel je voor dat ze bij ieder probleem mij bellen om te vragen of ik wil werken.” Dan gaat het op slavernij lijken en die is volgens mij een een hele poos afgeschaft. Maar goed, ik deed een poging of vier en zag de tijd doordraaien. Als ik mijn tijd met bellen zou verdoen liep ik meteen al achter met mijn eigen werk en het werk van de zieke collega zou dan ook niet worden gedaan. “Sorry, het kan niet anders, we verdelen de zorgroute onder allebei de teams”zei ik tegen mijn collega’s.  Dat betekende een extra etage medicatie delen en zo’n zeven cliënten die geholpen moesten worden met het wassen en aankleden. Ik realiseerde me maar al te goed dat we allemaal nòg een stap harder zouden moeten lopen. Koffie delen konden we er die dag echt niet bij doen. Ik schoof een briefje onder de deur bij mijn leidinggevende en sprintte naar de eerste bewoner. Die ene die ik extra zou doen deed ik maar meteen als eerste, anders wist ik zeker dat ze zou blijven bellen waarom ze niet geholpen werd. Dat kost dan vervolgens weer extra tijd.

Om een uur of acht besloot ik de keuken en de activiteitenbegeleiding te gaan mobiliseren in verband met het koffie delen. Helaas, zij waren nog niet aan het werk, maar ik zag wel één van de leidinggevenden en legde het probleem uit. Het resultaat was dat de koffie door iemand van de huishouding werd gedeeld en de leidinggevende zelf in de zorg aan het werk ging. Samen met een collega van de bedden-verschoon-dienst  besloot zij twee cliënten te wassen. Deze cliënten worden noodgedwongen altijd door 2 man geholpen omdat je dit in je eentje niet redt. Zo vlogen wij met man en macht door de ochtend heen.

Het zweet stond op ieders rug en denk je dat we op veel begrip konden rekenen? Helaas, er werd wat afgemopperd, want de één kwam te laat bij de zang, de ander kreeg zijn medicijnen niet op tijd en weer een ander begreep niet waarom zij alleen mocht bellen als het echt heel dringend was. Van een aantal was de reactie: “Goh, vervelend voor je, maar ik dan?”. En heus, er waren er genoeg die het wel begrepen, maar toch ook verwachtten dat we alle tijd voor ze hadden. Af en toe probeerde ik het uit te leggen, maar gelukkig had ik  mijn zijden onderjurk aan, dus gleed al het commentaar en gemopper met dezelfde vaart hierlangs naar beneden. Figuurlijk gesproken lag er die ochtend heel wat in de gangen.

Tussen de middag vond ik de oplossing voor deze werkdruk in de kast waar wij onze tassen wegzetten. Er stonden, denk ik, wel 20 halve liters sondevoeding. Die worden door niemand meer gebruikt, maar terug naar de leverancier kan niet. “Gooi maar weg” was het antwoord wat we kregen. Ach ja, de zorgkosten zijn niet voor niets de pan uitgerezen.

incontinentieluier

catheterAls wij, degenen die werkzaam zijn in de zorg, nu eens gewoon ’s morgens een sonde inbrengen en de sondevoeding aankoppelen dan scheelt dat al zo een lunchpauze. Het is wat jammer dat een sondevoedingpomp wat duur is, maar je doet er wel je hele leven mee als je voorzichtig bent. Daarna brengen we een catheter in, bevestigen er een urineopvangzak aan zodat we niet meer naar de wc hoeven om te plassen. Poepen blijft dan een probleem en om nu voor te stellen dat we allemaal aan een stoma beginnen gaat wel erg ver. Bovendien is dat weer een kostbare ingreep, dus doen we wel een incontinentieluier om. Kijk, dit spaart tijd. Sonde en catheter kook je ’s avonds uit, zodat ze steriel zijn en de volgende weer gebruikt kunnen worden.

postoelHeb je een bureaufunctie, dan laten we de catheter en luier achterwege. Dan krijg je een postoel, kleedje over je benen en geen mens die er iets van ziet.

Zie je, ik denk echt wel in oplossingen!!

 

 

Wat een lelijke man

De dag nadat Nederland verloor van Argentië, stapte ik ‘s morgens vroeg bij haar naar binnen om de medicijnen aan te reiken.

“Ik heb helemaal niets meer gehoord. Hoe heeft Nederland gespeeld gisteravond?” vroeg ze mij. Ik vertelde haar dat Nederland, welverdiend, verloren had. Zo goed hadden ze uiteindelijk niet gespeeld. Na wat heen en weer gepraat over voetbal zei ze: “Ik vind die Louis van Gaal maar een lelijke man”.

Saamhorig oranje

Wij, Nederland, doen mee aan het WK en wij worden wereldkampioen. Heel Nederland werd oranje gekleurd, zelfs de voorpagina van de Telegraaf. Saamhorigheid ten top.  Maar ja, zij verloren en wij worden dus helemaal geen wereldkampioen.  

Resultaat:
Voor het eerst tijdens dit WK zorgt een wedstrijd van het Nederlands Elftal voor meer ziekmeldingen. Vanochtend was het aantal ziekmeldingen ruim drie keer zo hoog als tijdens eerdere dagen deze week volgens de Verzuimbarometer.

Weg saamhorigheid, want  je zadelt je collega’s op met extra werk. Petje af overigens voor mijn collega die gister gebeld werd met de vraag of ze vandaag extra wilde werken. Ze was er niet blij mee, maar ze was er wel.

Wat te denken van de saamhorige pedagogisch verantwoorde oproep van Louis van Gaal tijdens het  jeugdjournaal. Je weet wel, dat journaal voor basisschool kinderen:
Ouders laat uw kinderen alsjeblieft allemaal kijken vanavond zelfs al begint de wedstrijd laat. Ze kunnen van de spanning anders toch niet slapen. Het werd wel een beetje een afknapper voor deze kinderen. Maar saamhorig besloten de basisscholen dat de kinderen de volgende dag een uurtje later op school mochten komen.

Ik ben vast niet van deze tijd, want toen mijn zoon de basisschoolleeftijd had mocht hij soms naar de eerste helft van een wedstrijd kijken. Daarna moest hij gewoon naar bed. Nu had hij wel de dikke pech dat zowel zijn vader als zijn moeder niet van voetbal hielden en dus zelf niet overliepen van enthousiasme als de voetbalgekte weer losbarstte. Voor de vorm keek ik soms mee, maar meestal liet ik de vorm achterwege en ging gewoon zitten lezen of zo.

En nu, nu de oranje gekte achter de rug is. Blijven we dan een saamhorig Nederland of breken de rellen onder de hooligans weer gewoon los. Die heb ik namelijk niet gezien tijdens het WK.

En hoe saamhorig was ik zelf tijdens deze WK weken? Gewoon niet, ik las een boek of speelde piano terwijl mijn echtgenoot naar de wedstrijd keek en geen hinder had van mijn gepingel. En soms schreef ik een verhaal voor mijn blog. Ik was gewoon geheel saamhorig met mezelf.