Monthly Archives: May 2014

Hemelvaartdag

Ze wilde graag vroeg geholpen worden, zodat ze naar “Nederland zingt” kon kijken. Het was een puzzel, want dan moest het helpen van haar geruild worden met helpen van een ander. 

Tijdens het wassen en aankleden bleek zij zelf nog heel duf te zijn en echt wakker werd zij niet. Mijn collega had al met haar overlegd of ze toch niet liever vanuit haar bed televisie wilde kijken. Ze houdt daar niet echt van, maar in dit geval won de moeheid. Haar insuline had ze al gekregen, dus eten moest zij wel. Ik maakte de pap warm in de magnetron, trok een stoel bij het bed, zette het bed in de laagste stand en hielp haar met het eten van de pap. “Nederland zingt” klonk van achter mij en het waren voor mij ook bekende liederen. Het eten ging wat langzaam, want ze vergat de pap iedere keer door te slikken, zodat ik haar daar regelmatig aan moest herinneren.

“Sorry hoor, maar ik moet altijd huilen als ik naar deze muziek luister” zei ze tegen mij. Ik zag het, want de tranen stonden in haar ogen. “Ik raak altijd emotioneel van deze liederen” vervolgde zij. En wat denk je dat er vervolgens gebeurt? Ook bij mij stonden de tranen in de ogen en ik liep naar de badkamer om even tot mijzelf te komen. Belachelijk natuurlijk, want waarom zou het gek zijn dat ik ook emotioneel werd. Ik liep weer terug naar haar bed en zei: “Ik denk dat ik even lekker met u mee huil”. Aan één kant van het bed deed ik het hek naar beneden en ging naast haar zitten zodat ik een arm om haar schouder kon slaan. Zij greep direct mijn hand vast en zo luisterde we naar het volgende lied. Veel langer kon ik niet zo blijven zitten, want er moesten nog meer mensen uit bed geholpen worden.

 

Snelwegmoord

Vandaag had ik bijna een moord op mijn geweten en dat is nou net wat ik echt niet wil.

Na mijn werk ging ik nog even bij mijn ouders langs. Dat betekent een autorit van bijna anderhalf uur. Normaal gesproken dan, want vandaag was het midden op de dag drukker dan tijdens de ochtend- of avondspits. Wat bleek? Heel Nederland ging massaal op pretparkbezoek. Tja, wist ik veel, ik moest gewoon werken. Ik deed er vanmiddag dus op de heenweg een uur en drie kwartier over, terwijl ik op de terugweg in vijf kwartier weer thuis was.

De bijna moord beging ik op de terugweg op de A6 ter hoogte van de afslag Lelystad-Noord. Moeder eend met haar zes of zeven jonkies had besloten de snelweg over te steken. In ganzepas, een beetje raar voor eenden overigens, liepen ze over de weg. Moeder eend met gezwinde pas voorop en al waggelend de kleintjes achter haar aan. Ik keek in mijn spiegel: “Nee, remmen was geen optie, maar naar links kon ik wel uitwijken om zodoende de hele familie in leven te houden”. Ik gooide mijn stuur naar links, gaf een flinke dot gas om flink de vaart er in te houden voor het verkeer wat al op de linkerrijstrook reed, vloog de eendenfamilie voorbij, gooide het stuur weer naar rechts en haalde opgelucht adem.

 

De nieuwste aandoening heet “snelwegleed”

De ANWB slaat alarm over het grote aantal aanrijdingen dat de afgelopen weken heeft plaatsgevonden. En natuurlijk wil “men” dat de minster van Infrastructuur een onderzoek laat instellen naar de oorzaken van deze ongevallen. Traumahelikopters zijn 35% meer ingezet en soms waren er zelfs twee nodig.

Men wil betere snelheidsaanduidingen op de snelwegen, want niemand snapt meer hoe hard hij mag rijden. Of dit nu aan de onduidelijke aanwijzingen ligt weet ik niet. Er zijn wegen daar weet iedereen van dat je er maar 100 km/u mag rijden. Dat zijn die wegen met een dubbele doorgetrokken streep en tussen die strepen is de weg groen. Toch proberen er regelmatig auto’s in mijn kofferbak te kruipen als ik daar 100 km rijd.

Ik heb het nu over de N50, de weg die rijd als ik naar mijn werk ga. Mensen passeren elkaar daar via de busbaan, maar vliegen ook wel over de doorgetrokken streep. Niets is te gek. Er is zelfs, op de hoogte van hectometerpaaltje 257,2 richting Emmeloord, een sluiproute die aansluit op de N50. Laatst overkwam het mij dat ik zag dat de auto die voor mij reed, zomaar het weiland in verdween. Even dacht ik dat de bestuurder onwel was geworden. Maar nee hoor, hij scheurde over een soort karrenspoor dwars door het weiland naar de weg verderop.

Nog gekker, maar ook gevaarlijker, was het toen ik naar Kampen reed en er vanaf die sluiproute ineens een motorfiets in volle vaart de N50 overstak om vervolgens ook richting Kampen te rijden. Het zag er eng en angstaanjagend uit. Misschien wel door het zwarte motorpak en de helm die de motorrijder droeg, dat zou kunnen, maar het leverde best een gevaarlijke situatie op.

Al een paar keer ben ik met dit soort idioterie geconfronteerd en iedere keer denk ik: “Ik ga hier de politie over inlichten, want er bestaan niet voor niets verkeersregels”.

Maar wat denk je van al die malloten in de auto die het alleen maar druk hebben met hun smartphone en helemaal niet bezig zijn met autorijden? Dat soort lui slingert van links naar rechts over de weg, remt op het laatste nippertje want eerder zien ze niet er langzamer gereden wordt door hun voorgangers. Ooit zei iemand eens dat mensen totaal niet meer in de gaten hebben dat ze in een moordmachine zitten. Autorijden is een kwestie van topconcentratie, want je weet nooit wat een ander gaat doen op de weg. Je moet constant alert zijn en anticiperen. Misschien leren ze dat niet meer tijdens de autorijlessen. Dat zou kunnen, dat weet ik verder niet. Ik kan me herinneren dat de term anticiperen zelfs viel toen mijn kinderen (32, 29 en 26) verkeersexamen deden op de basisschool.

Of worden de verkeersongevallen van de laatste tijd veroorzaakt door lui die hun theorie-examen gehaald hebben door te frauderen. Dat kon tot voor kort nog. Dan weet je duidelijk niet hoe de verkeersregels in elkaar steken en doe je maar wat. Net zoals fietsers overigens, die doen ook vaak maar wat. Laatst zag ik een vrouw op een fiets met aanhanger,  zo’n karretje waarin een baby lag te slapen. De vrouw zat te telefoneren en slingerde over de hele de hele rechter weghelft heen en weer.  Ik ben er maar voorzichtig achter blijven rijden tot ze het fietspad op ging. Fijn voor die baby, zo’n moeder en mazzel voor diezelfde babay dat er dan verkeersdeelnemers zijn die dit zien en niet toevallig ook net druk met hun smartphone in de weer zijn.

Zo, en nu is het tijd om de politie te bellen en melding te maken van de sluiproute bij hectometerpaaltje 257,2 op de N50, richting Emmeloord.

Het keyboard

Vroeger speelde zij graag orgel, maar nadat ze een hersenbloeding kreeg en haar rechterkant niet goed meer mee wil doen, kan dit niet meer.

Sinds kort staat er een keyboard in haar kamer, maar gespeeld heeft zij er nog niet op. Zij wil wel, maar moet nog de nodige moed bij elkaar schrapen. Laatst vertelde zij mij dat zij, tijdens het revalideren, samen met een pianolerares speelde. Zelfs speelde zij met de linkerhand en de pianolerares speelde met de rechterhand. Ze heeft dit als heel fijn ervaren. Ik vermoed dat ze dit mij vertelt omdat ik zelf piano speel en word hierdoor meteen met mijn neus op het feit gedrukt dat ik er niet aan moet denken dat ik nooit meer piano zou kunnen spelen.

Ik vraag haar of ze het fijn zou vinden om weer samen met iemand het pianospelen op te pakken. Dit blijkt inderdaad het geval en ik leg haar uit dat ik het zelf graag met haar zou doen, maar dat mij de tijd daarvoor ontbreekt. Terwijl ik haar verder help met wassen en aankleden werken mijn hersenen op volle toeren en ik zeg haar dat ik bij de activiteitenbegeleiding zal vragen of zij misschien een vrijwilliger weten voor deze activiteit.  Ik zie haar opfleuren en spreek met haar af dat ik haar laat weten of dit gaat lukken.

Helaas is er geen vrijwilliger die piano speelt, maar het wordt meegenomen en ze gaan op zoek. Dat is mooi, maar ondertussen wil ik niet stilzitten en vraag ik haar later in die week of zij misschien weet of iemand van de kerk, waar zij lid van is, piano speelt. Dat weet ze niet precies en bovendien spreekt ze niet vaak iemand van de kerk. Weer zoek ik naar oplossingen en stel haar voor om een briefje voor haar dochter neer te leggen met de vraag of zij dit wil navragen voor haar moeder.

Wordt vervolgd…………….

Het doolhof

 

Al wandelend realiseerde ik me in wat voor doolhof ‘De zorg’ is veranderd. Ik had ook heerlijk veel tijd om me dit te realiseren, want ik liep 21 km door een natuurgebied.

IMG_2699

Alle tijd dus om al mijn gedachten te ordenen en zo bedacht ik dat ik twaalf jaar geleden begon aan de opleiding verzorgende IG en ik meteen daar achter aan de opleiding voor verpleegkundige deed, met het idee hiermee werk te hebben tot aan mijn pensioen.

De zorg is echter aan het veranderen en mensen moeten langer, zelfstandig, thuis blijven wonen. Uiteraard met hulp, maar dan wel zo minimaal mogelijk. Ook bij ons is het goed te merken want de eerste huurders hebben hun appartement betrokken in het verzorgingshuis. En aan deze mensen wordt minder zorg geboden dan aan onze huidige cliënten.

Ik weet nog goed dat ik een jaar of vijf geleden, toen ik nog in het westen van het land werkte, geconfronteerd werd met het fenomeen ‘verpleeghuiszorg in het verzorgingshuis’. Als één van de zorgcoördinatoren van een somatische afdeling in het verpleeghuis moest ik inventariseren wie hier voor in aanmerking kwam. Dat was niet zo moeilijk, maar het werd andere koek toen we diezelfde cliënten de vraag stelden of zij mee wilden werken aan deze verhuizing. Nou nee, eigenlijk wilden zij dat niet, het was wel goed zo. Hoe dit afgelopen is weet ik niet, want ik  maakte de overstap naar de screeningsunit voor dementerenden. Op deze afdeling was die vraag niet aan de orde.

Toen ik ruim twee jaar geleden in het oosten van het land ging werken kreeg ik te maken met verpleeghuiszorg in het verzorgingshuis. Nu wordt het weer afgebouwd, want bij natuurlijk verloop worden geen verpleeghuiscliënten meer opgenomen.

Het werken in de zorg lijkt in deze tijd op pionieren, want alles moet op de schop. De vanzelfsprekendheid van zorg ontvangen is verdwenen. Mensen gaan een appartement huren in een verzorgingshuis en wonen daarmee geheel zelfstandig. Wij doen alleen datgene waarvoor men geïndiceerd is. “Dat is toch geen probleem?” hoor ik je nu denken. Misschien niet, maar wij, in de zorg, willen zorgen en dat mag niet meer op de manier waarop we dat deden. Alles wat iemand nog zelf kan moet hij ook zelf doen. Het klinkt allemaal heel logisch, maar de oudere mens is soms best wat gemakzuchtig en wij maar al te bereid om dingen over te nemen. Het mag alleen niet meer, want voor alle extra handelingen komt geen geld meer binnen.

We moeten, wat we doen, registreren. Net als in de thuiszorg dus en zo moeten we ook leren denken. Eigenlijk horen we te doen alsof we op onze fiets, of in onze auto stappen en dan bij iemand zorg komen verlenen. Dan moet je dus alles wat je moet doen met elkaar combineren. Je kunt niet denken: “Ik kom over een half uur wel terug om een kopje koffie te schenken”. Dat gaat dus niet. Dus was je iemand, en als diegene niet zelf voor zijn koffie kan zorgen, moet je van zijn eigen koffie een potje koffie zetten. Dit doe je dan in de thermoskan, zodat hij of zij later op de dag een kopje koffie kan drinken. De was meenemen is hierbij ook niet aan de orde. Die moeten zij zelf doen, of laten doen. Vervolgens registreer je de handelingen onder twee verschillende noemers. Het ene bij de AWBZ en het andere onder WMO. Voor die WMO handelingen komt minder geld binnen dan voor die, die door de AWBZ worden vergoed. Een doolhof dus, voor ons.

Alle bezuinigingen betekenen ook dat er minder werk is. Nee, eigenlijk zeg ik dit niet goed. Er is niet minder werk, er is gewoon minder geld om al het personeel te blijven betalen en dan zitten we nu pas in bezuinigingsjaar één. We hebben er nog drie te gaan. Het is dus nog maar de vraag of ik inderdaad tot aan mijn pensioen verzekerd ben van een baan. En daarin ben ik uiteraard niet de enige. Het geeft een hoop onzekerheid en ik ben er lang niet altijd van overtuigd dat ik mijn baan wel zal houden. Ik werk nog kort bij deze werkgever en een ontslagvergoeding voor mij zal voor de baas zeker voordeliger zijn dan voor iemand die hier al vijfentwintig jaar werkt.

Wie weet hoe mijn toekomst er uit zal zien? “Had je maar in het westen moeten blijven” denk je nu waarschijnlijk. Ik denk het niet, want daar zal men met het zelfde bijltje moeten hakken. Die bezuinigingen zijn namelijk niet door mijn werkgever bedacht. Nee, dat heeft ons huidige kabinet, in Den Haag uitgebroed en volgens mij hebben ze daar geen idee wat ze hiermee aanrichten.

Kabouter Pim

Ruim anderhalf jaar heb ik gewerkt aan de verhalen van kabouter Pim. Ze zijn klaar en allemaal voorzien van een illustratie die ik zelf getekend heb. En nee, dat is niet de kabouter die hierboven te zien is, want ik hou mijn eigen kabouter nog even geheim.

Het voelt wat vreemd dat de verhalen nu af zijn. Iedere keer had ik weer schik in het schrijven van weer een nieuw avontuur van kabouter Pim.

Het idee ontstond twee jaar geleden toen ik langs een groepje paddenstoelen liep en dacht: “Ja, daar woont die kabouter”. Verder kwam ik echter niet. Mijn fantasie ging niet spontaan aan het werk en achter het toetsenbord kwam ook niks uit mijn vingers. En toen, zomaar heel plotseling terwijl ik in de auto zat, bedacht ik dat deze kabouter avonturen ging beleven doordat hij vanuit het bos in de buurt van mijn kleinkinderen terecht kwam.  Hoe hij daar kwam had ik al snel bij elkaar bedacht. Daarna de avonturen kort op een rijtje gezet en aan het schrijven gegaan. Mijn fantasie kon ik schijnbaar alleen kwijt als ik iets tastbaars mee liet spelen en dat waren mijn kleinkinderen en hun woonomgeving.

Ik ben aan het herlezen geslagen, wijzig zo hier en daar nog iets maar wil er vooral niet te veel aan veranderen. Laat dat nou eens niet meevallen, maar dat is iets waar schrijvers misschien allemaal last van hebben. Of niet? Ik schaaf nog wel aan de teksten, schrap hier en daar nog iets en kijk vooral goed of het verhaal spannend genoeg blijft en niet te ingewikkeld wordt. Uiteindelijk moet het voorgelezen kunnen worden aan kinderen van een jaar of vier, vijf.

Soms raak ik aan het twijfelen en weet ik ineens niet meer of het wel leuke verhalen zijn. Dat is natuurlijk een grote vergissing, want de eerste die in de verhalen moet geloven ben ik zelf. Als ik er niet in geloof, wie doet dat dan wel? Ik besluit dus voor eens en voor altijd dat het leuke verhalen zijn. Nu moet ik alleen nog een uitgever vinden, want anders wordt het geen boek. Ik kan natuurlijk ook de verhalen en illustraties in een HEMA foto-album plakken, maar dan nog is het geen echt boek. Dat zou het laatste redmiddel zijn als er geen uitgever te vinden is die dit wil uitgeven.

Help!! Wie heeft hier verstand van en kan mij een beetje op weg helpen?

Straatwervers

Vorige week werd mij door een straatwerver gevraagd of ik KIKA kende. Volgens mij is dat bij iedereen bekend en braaf antwoordde ik: “Ja, KIKA ken ik”. Daarna vroeg de jongeman of ik hem ook kende. Uiteraard was dat niet het geval en zei ik dat ook, waarna ik hem verder een prettige dag wenste en doorliep.

salaris straatwerver

Verbazing alom bij de straatwerver die mij vervolgens achterna riep: “En u loopt nu gewoon door?” Ja, dat was precies wat ik deed. Niet omdat ik niets voor KIKA over heb, maar omdat ik in een radioprogramma heb gehoord dat je, wanneer je donateur wordt via een straatwerver, je het eerste jaar zijn salaris betaald. Daar had ik geen idee van en ik heb heel naïef altijd gedacht dat deze mensen vrijwillig op zoek waren naar donateurs. Er was ook één straatwerver aan het woord die dit zelf nogal genant vond. Zij kreeg regelmatig complimenten omdat men dacht dat zij zich belangeloos inzette voor de organisatie. Niet lang daarna is zij gestopt met het werven van donateurs op straat.

Natuurlijk had ik de discussie aan kunnen gaan met deze jongeman, maar dan had ik hem iets verteld wat hij zelf ook wist en het leek mij dus wat zonde van de tijd. In het radioprogramma hoorde ik ook een gouden tip: “Als je donateur wil worden kan je dat het beste doen via de websites van de diverse goede doelen. Dan betaal je niet het salaris van een kracht die donateurs werft. Misschien een tip voor iedereen die dit niet weet en het lastig vindt om “nee” tegen een  straatwerver te zeggen.

Mijn toverbol

Ja hoor, vandaag was het weer eens zo ver. Ik opende het deurtje van de wasmachine, haalde de was er uit en zag dat de bol weer eens leeg was.

Ken je ze? Die speciale wasbollen voor beugel-beha’s zodat je die dingen niet op de hand hoeft te wassen. Ideaal, want daar hou ik ook niet zo van. Oké, er zijn uitzonderingen en dat is wanneer ik kampeer. Dan hoort het er gewoon bij om zo af en toe een shirtje op de hand uit te wassen, maar meer ook niet.

wasbol bh

Vandaag haalde ik de bol weer eens leeg uit de wasmachine. Idioot, want hij was nog helemaal gesloten, potdicht en volgens mij kon er niks uit ontsnappen. Mijn beha wel dus, want die lag gewoon tussen de rest van de was. Iedere keer als ik die bol gebruik doe ik, uiterst precies en geconcentreerd, mijn beha er in en overtuig mezelf er van dat hij helemaal goed dicht zit.  Als ik er twee beha’s tegelijk in doe gaat het meestal beter. Meestal ja, want het gebeurt ook regelmatig dat er één beha half uit de bol hangt, terwijl de andere er nog keurig in zit.

Begrijp jij het, begrijp ik het? Wie het weet mag het zeggen, voorlopig lijkt het er op dat ik een toverbol heb aangeschaft.

 

 

 

 

 

Het borduurwerk

Boven haar bed hangt een groot, ingelijst, borduurwerk. Daar heeft ze heel wat uren aan gewerkt en vroeger was dit haar favoriete bezigheid. Nu gaat dit allemaal niet meer en leest ze veel.

Omdat ik zelf ook borduur geeft deze hobby een leuk aanknopingspunt voor gesprekken en ik vertel haar dat ik bezig ben met een Engels dorp. Het is een groot pakket en ik borduur per vierkantje. Er zitten 100 kruisjes in één zo’n vierkantje en daar doe ik meestal een uur over. Ze geniet er van als ik dit soort dingen vertel en moest lachen toen ik had uitgerekend ik nog 198 uur borduren moet voordat het klaar is.

Terwijl ze op de rand van het bed komt zitten vertelt ze dat in het borduurwerk boven haar bed één foutje zit. Ze heeft het nooit aan iemand verteld,  maar het stoort haar nog steeds. Net als ik me om wil draaien om de waskom mee naar de badkamer te nemen, zegt ze: “Zal ik het u foutje aanwijzen? Maar dan bent u wel de enige die hiervan weet”.  Ze wijst me aan waar de fout zit en ik ben eigenlijk alleen maar beduusd dat ze mij dit vertelt.

 

Onbegrip

Het is Moederdag en even na achten blaast hij, zittend op zijn rollator, zijn laatste adem uit.

Mijn collega had hem geholpen met wassen toen hij aangaf dat hij naar het toilet moest. “Ga eerst maar iets anders doen, want het gaat wel even duren”, liet hij haar weten. Hij moest nog geholpen worden met aankleden, alleen zijn onderbroek had hij al aan. Toen mijn collega terugkwam trof ze hem aan terwijl hij zijn laatste adem uitblies. Ze riep de dichtstbijzijnde collega om hulp, die mij belde of ik meteen wilde komen. Ik had net schone kleding voor een bewoner uit de kast gehaald en vertelde hem dat ik een collega moest helpen en daarna weer terug zou komen.  Toen wist ik nog niet dat het drie kwartier zou duren voordat ik hem verder kon helpen.  Ik holde nog net niet door de gangen, maar snelwandelen zou je het wel kunnen noemen. Toen ik binnenkwam en zag dat hij overleden was, was het eerst wat ik gek genoeg dacht: “Ik had ook iets langzamer kunnen lopen”.

Dat hij van de rollator af moest was wel duidelijk. Het zou niet lang meer duren voordat hij er vanzelf af zou glijden en dat wilden we niet. Hem van rollator op bed tillen was geen optie. De man was al flink van omvang en gaf nu helemaal niet mee. Loodzwaar zou dat zijn en ik besloot de passieve lift te halen uit het appartement er naast. Er werd nog een collega gebeld en met z’n vieren stonden we te sjorren, trekken en te duwen om de tilmat om de man heen te krijgen. Het was een nare gewaarwording, al dat getrek aan een overleden man en we waren blij toen hij eindelijk op bed lag

We waren allemaal van slag, want zoiets gaat je niet in de koude kleren zitten. Mijn collega belde de huisartsenpost, want er moest een schouwarts komen en ik belde de dochter van de overleden man. Wat moet je dan een nare mededeling doen. Je kunt het niet verpakken of er een ‘verzachtend’ strikje omheen doen. Het is een mededeling die als donderslag uit de hemel komt: “We hebben een half uur geleden uw vader dood aangetroffen”.

Ondertussen ging er  al geruime tijd een bel. “Ook dat nog, het echtpaar wat altijd vindt dat zij overal te lang op moeten wachten had ons nodig”, dacht ik en ik zei tegen mijn collega’s dat we, als ik terug was eerst koffie gingen drinken. We konden niet zomaar doorgaan, dit moest even bezinken. Het echtpaar begroette me al mopperend dat het geen manier van doen was om mensen zo lang te laten wachten. Ik legde de situatie uit en er leek begrip te zijn. Zij moest naar het toilet en hij zat op de douchestoel te wachten tot hij geholpen werd met wassen en aankleden. “Belt u als u klaar bent, dan ga ik nog even terug naar mijn collega’s” zei ik haar. Al snel belde ze en bleek het hele begrip voor de situatie te zijn vervlogen. Ik hielp haar van het toilet en vertelde haar dat mijn collega’s eerst een kop koffie gingen drinken. Erg vriendelijk werd mijn mededeling niet ontvangen: “En mijn man dan? Moet hij dan zomaar blijven zitten. Hij krijgt het koud zo in zijn onderbroek”. Ik opperde dat hij zijn ochtendjas aan zou kunnen doen, wat hij ook deed. Zij jammerde verder: “Het is maar goed dat dit niet op donderdag gebeurt, want dan moet hij om negen uur bij de poli zijn”. Nu ging zij voor mij een grens over en ik reageerde misschien niet heel professioneel maar wel vanuit mijn hart: “Wilt u stoppen om alleen met uzelf bezig te zijn? Er is net iemand overleden, wij moeten dit verwerken en straks familie van hem opvangen.” Haar man snauwde haar toe dat ze eens op moest houden met haar gezeur en ik ben het appartement uitgelopen.

Het vinden van een overleden man, zittend op zijn rollator, het getrek, gesjor en geduw om hem in de passieve lift te krijgen, de familie informeren over het overlijden van hun vader hakte er allemaal in. Maar het onbegrip en ongeduld wat er vervolgens ontstaat bij andere bewoners is iets waar ik niet altijd mee om weet te gaan. Gelukkig zijn niet alle bewoners zo, maar er zit best een groot aantal tussen die nooit ergens blij mee is,  altijd commentaar heeft en ontevreden is. Ik hoop met heel mijn hart en ziel dat ik later niet zo word.