Monthly Archives: November 2013

Speelgoed?

Eindelijk, hij is er, de Playstation  4. Dat heeft lang geduurd zeg, het werd dus ook wel eens tijd, want op Playstation 1, 2 en 3 zijn we zo langzamerhand wel uitgekeken.

Vanmorgen volgde ik een interview en daarin werd een ‘volwassen’ man gevraagd wat Playstation 4 heeft wat de vorige edities niet hadden:

“Geen idee, maar ik moet ‘m hebben “, zie de man.

Hoezo, die moet ik hebben? Zo van “Ik wil ‘t,  ik wil ‘t, ik wil ‘t. Geen idee wat ik er mee kan, maar ik moet en zal ‘m hebben”.

Ja, ik weet het, ik word oud en snap hier helemaal niets van. Hebben mensen niets anders te doen dan met hun Playstation te spelen? Deze man duidelijk niet, want het liefst gebruikte hij dat ding ’s nachts ook nog.

“Helaas mag dat niet van mijn vrouw”, zei de man.

Heel goed van die vrouw, dat ze die man nog een beetje probeert op te voeden.

Er gaapt een grote generatiekloof tussen mij en deze man. Ik zou niet weten waar ik de tijd vandaan moet halen om ook maar iets met een Playstation te doen, want ik heb het te druk met werken, piano spelen, geboortetegels borduren, lezen, tekenen en schrijven. En nu vergeet ik het lange afstand wandelen nog helemaal. Want ook dat doe ik regelmatig. Eerlijkheidshalve is tekenen een beetje een ondergeschoven kindje, maar ik kan het wel en doe een poging om zelf de illustraties te tekenen bij de avonturen van Kabouter Pim.

Ik zal niet zo ver gaan dat ik mannen aan het borduren wil hebben. Maar kom zeg, lees eens een boek, of doe iets nuttigs in het huishouden. Dan kan toch ook?

Advertisements

Tijdelijke contracten

Ik blijf me over sommige maatregelen verbazen. Voorheen laaide de discussie over de versoepeling van het ontslagrecht regelmatig op. Eerlijk gezegd is het me niet helemaal duidelijk of die versoepeling er nu is gekomen. En gisteren werd in het acht uur journaal de mededeling gedaan dat er soepeler omgesprongen gaat worden met personeel dat een tijdelijk contract heeft. Als zo iemand zich, vóór einde contracttijd, ziek meldt, is het bedrijf de eerstvolgende tien jaar verantwoordelijk voor hem of haar.

Is er dan niemand die bedenkt dat daarna het optelsommetje 1 + 1 = 2 in werking treedt?

Er zijn genoeg bedrijven die op personeel moeten bezuinigen, zeker in de zorg is dat het geval. Daar ontstaat de situatie dat degenen die met pensioen gaan niet vervangen worden en ook tijdelijke contracten worden niet verlengd.

Je hoeft niet heel lang na te denken om te begrijpen dat veel mensen met zo’n tijdelijk contract zich in de handen wrijven en ze zich bijtijds ziek gaan melden. Zij weten dan zeker dat ze de eerste tien jaar geen problemen hebben met hun inkomsten en het bedrijf betaalt zich scheel aan een werknemer waar ze niets van terugzien. Van bezuinigen op personeelskosten komt op deze manier niet veel terecht.

Uiteraard zullen er velen zijn die zich “netjes” gedragen en op zoek gaan naar een andere baan. Hoe snel ze die vinden is nog maar de vraag, want als overal op personeel bezuinigd wordt lijkt het mij dat de banen niet meer voor het oprapen liggen.

 

Thuishouden niet verstandig

Gisteren las ik in de krant een ingezonden stukje waarin iemand schreef dat het niet verstandig is om hulpbehoevende ouderen zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen.

In de geschetste situatie hebben deze ouderen weinig zelfredzaamheid, zijn afhankelijk van de verpleegkundige die ’s morgens en ’s avonds even langs komt om de kousen aan- en uit te doen. Verder lijkt het op het leven in een gevangeniscel.

Ouderen kunnen beter naar het verzorgingshuis, want daar kan men naar de gemeenschapsruimte, het restaurant, de dagopvang of naar de activiteitenbegeleiding. En, niet geheel onbelangrijk, er is verpleeghulp in huis.

Deze man heeft duidelijk niet begrepen dat er bezuinigd gaat worden in de zorg. Wonen en zorg wordt gescheiden, zodat ouderen in een verzorgingshuis huur voor hun appartement moeten gaan betalen. Eigenlijk is dit ook heel logisch, want iedereen betaalt huur of hypotheek, dus waarom ouderen niet. Zorg moet met ingang van volgend jaar worden ingekocht. Het hele verzorgingshuissysteem gaat op de kop. De verzorgingshuizen krijgen minder geld binnen, dus er moet bezuinigd worden. Minder “handen aan bed”, zoals dat zo mooi heet, zal niet te vermijden zijn. Maar daar haal je de bezuinigen niet alleen uit. Ook de dagopvang, activiteitenbegeleiding, de groepsruimte en het restaurant zijn grote kostenposten en het geld is er straks niet meer voor.

Daar zit je dan, als hulpbehoevende oudere, in een verzorgingshuis waar je geen kant op kan:  ’s Morgens komt even iemand je helpen met wassen en met een beetje goede wil smeert ze ook nog je boterham. Om een uur of half elf vliegt er misschien nog wel iemand langs met een koffiekan, maar wie weet moet je de koffie weer gewoon zelf zetten terwijl je in een rolstoel zit en deze niet zelf kan voortbewegen.

Gelukkig is er de middagmaaltijd. Die zullen ze in die huizen waarschijnlijk niet overslaan en kan je gewoon naar het restaurant. Het is wel praktisch als je jezelf kan verplaatsen, anders wordt dat niks. Dan moet je echt gewoon wachten tot je de maaltijd aangereikt krijgt. Hopelijk kan je dan wel zelf eten, want of er voldoende handen zijn om mensen te helpen met eten, weten we nog niet. Ach Nederland wordt toch te dik, het is meteen een mooie afslankmethode.

Naar de dagopvang is er niet meer bij. Al die dementerenden blijven gewoon door zo’n huis ronddolen. Klampen iedereen aan omdat ze moeten plassen, hun man zoeken, hun kinderen kwijt zijn en niet meer weten waar ze heen moeten. Genoeg personeel om al deze mensen op te vangen, te kalmeren, te begeleiden naar hun appartement is er waarschijnlijk niet.

Waar gaat dit toe leiden ?

De breiclub, de kookclub, de mannenclub, de vrouwenclub, het voorlezen, de gym, de klaverjasvereniging waar iedereen graag heen gaat is misschien niet meer rendabel. Wie weet moet daar straks dik voor betaald worden. Dat kunnen de meeste ouderen niet, dus gaan ze niet meer naar deze activiteiten. Het personeel moet waarschijnlijk inkrimpen en dan moeten twee misschien wel het werk van zes man gaan doen.

Wat een warboel zal dit worden.

Weet u,  misschien loopt het binnen een half jaar wel helemaal spaak. Dan rollen er koppen in de zorg, er werken te veel mensen en er is te weinig geld. Maar misschien vallen er ook wel doden. Want als er met steeds minder personeel alsmaar meer werk verzet moet gaan worden gaan er geheid fouten gemaakt worden.

En weet u, misschien is er dàn wel iemand in Den Haag die bedenkt dat dit eigenlijk allemaal niet zo kan.

Wie weet is het een goed idee om een delegatie van een verzorgingshuis, zo’n tien tot twaalf hulpbehoevende ouderen, een dagje naar Den Haag te brengen. Gewoon een afspiegeling van de verzorgingshuisbewoners. Die parkeren we die dag even  bij Edith Schippers en Martin van Rijn. Oké, laat ik niet heel vervelend doen, we nemen ook twee redelijk zelfredzame ouderen mee die een beetje mantelzorg kunnen verlenen aan de andere tien. Dat is misschien wel zo aardig. Dan gaan er dus mee:

Twee redelijk zelfredzame ouderen, twee flink dementerenden, twee beginnend dementerende, twee psychiatrische ouderen, een boze oudere, een zeurende oudere, een oudere in een rolstoel die afhankelijke is van de actieve lift en ook nog één die afhankelijk is van een passieve lift.

We brengen ze ’s morgens om 8.00 uur even langs en laten weten dat we ze om 18.00 uur weer komen ophalen. Kunnen ze deze mensen even een dagje bezighouden, naar het toilet begeleiden, uitleggen dat hun kinderen al volwassen zijn, dat ze even moeten wachten, want er moet eerst iemand anders verschoond worden, enz. ,enz., enz.

Misschien, heel misschien gaan zij dan beseffen dat zij onverantwoord bezig zijn met hun bezuinigingswoede in de zorg.

Het ondergebit

Vannacht had ze last van haar ondergebit, zodat ze het uit haar mond deed. Omdat ze de nachtzusters niet tot last wilde zijn heeft ze het op haar borst gelegd. Zelf van houding veranderen kan ze niet, dus het ondergebit lag daar veilig dacht ze.

Helaas, het is weg, foetsie verdwenen. Overal wordt gezocht: In de waszak, in de vuilniszak, onder het bed en in het bed. Uiteindelijk wordt het bed helemaal afgehaald en zelfs onder het matras wordt gekeken. Nergens is het gebit te vinden.

Alle hoop is gericht op de nachtzuster. Misschien heeft zij het ergens neergelegd, of in haar zak gestopt en het er niet meer uitgehaald.

’s Morgens krijgt ze bezoek en ook zij doorzoeken de kamer en het bed nog een keer. Weer wordt het gebit niet gevonden. Ze vindt het vreselijk, want ze heeft nu zo’n mummelmondje en bovendien is het lastig met eten.

Na de warme maaltijd halen we haar op uit het restaurant. Ze heeft wel lekker gegeten, maar het deed allemaal wel wat zeer aan haar tandvlees. Zelfs de kroket, die ze altijd eet tussen de middag, gaf problemen met eten.

Ondanks dat er al twee, misschien wel drie keer gezocht was, besluit ik ook nog een poging te wagen. Je weet tenslotte maar nooit….

“Misschien ligt het op de kast”, zegt het bezoek.

Dat lijkt me sterk, maar ik pak het trapje er bij en kijk boven op de kast. Geen gebit natuurlijk. Ook niet in haar nachtkastje.

Mijn collega zoekt ook nog een keer mee, kijkt zelfs in het gebittenbakje, maar ook daar is het niet ineens opgedoken.

Ze gaat naar bed om te rusten, samen trekken we eerst haar jasje uit en uit gewoonte wrijf ik even over haar rug. Warempel, op haar schouderblad voel ik iets wat er niet hoort. Ik voel onder haar bloes en hemd en vis het ondergebit tussen het hemd en haar huid uit. Precies op het rechterschouderblad. Daar voelt ze veel minder, want door haar hersenbloeding is ze rechts voor een groot deel verlamd.

Sommige mensen hebben haar op hun tanden, anderen ogen in hun achterhoofd en zij had tanden op haar rug.

“Kijk eens wat ik gevonden heb?” zeg ik tegen haar. “Wat jammer nou dat ik niet vóór het eten over uw rug heb gewreven, dan had u gewoon van uw kroket kunnen smullen.”

Ik poets het ondergebit, laat het bezoek weten dat het weer terecht was en doe het in haar mond. Gelukkig hoeft ze nu niet opnieuw te ‘happen’ voor een nieuw exemplaar.  Daar zag ze nog het meest tegenop.

 

De volgeladen wagen

Ze is een beetje mopperig als ik binnen kom. De pijn in haar knie is weer erger dan de dagen er voor. Ze heeft net haar melk warm gemaakt, dus eigenlijk kom ik te vroeg binnen.

“Drinkt u de melk eerst maar lekker op, dan pak ik vast de spullen bij elkaar, leeg de po alvast en maak uw bed op. Doe maar rustig aan.”

Dat doet ze, terwijl ik haar kleding op haar rollator leg, haar schoenen en de kniebrace in het mandje doe en op zoek ga naar de tubes zalf die ik straks nodig heb. Haar bed maak ik op, de po spoel ik om en zet ik terug in de postoel.

Als ik terug loop hoor ik haar alweer mopperen:

“Wat heb je m’n wagen volgeladen zeg!”

“Ja, dan kunnen we alles in één keer mee naar de badkamer nemen”, antwoord ik en terwijl we die richting oplopen begin ik te zingen:

“Ik heb m’n wagen volgeladen, vol met schone kleren.”

Eindelijk kan er een lachje af en ze zegt:

“Jij zingt het en ik dacht het.”

Achter de geraniums

Na het middageten breng ik haar van het restaurant terug naar haar appartement. Ze wil naar het toilet, maar geeft zelf al aan dat ze even wacht tot ik wat meer tijd heb.

Er moeten inderdaad nog een aantal mensen naar hun appartement gebracht worden. Een aantal zit in het restaurant, anderen bij de groepsverzorging en nog een aantal in de ruimte van het eetproject. Met z’n vieren zijn we heel wat keren aan het heen en weer lopen.

Als iedereen weer op z’n plek is loop ik naar terug naar haar. Ze heeft haar rolstoel al zo dicht mogelijk bij de badkamer gemanouvreerd.

Als de toiletgang, met behulp van de actieve lift, achter de rug is rij ik haar in de rolstoel naar het raam. Op die plek zit zij altijd haar doetje te doen.

  “Zo, nu kan ik weer zien wat er buiten gebeurt”zegt zij.

  “Ja, en iedereen ziet weer dat u achter de geraniums zit” reageer ik.

Ze schiet in de lach en zegt:

  “Volgens mij heb je een andere bril nodig. Er staan hier helemaal geen geraniums.”

We lachen er allebei om, ik zeg haar gedag en ga naar de volgende die naar het toilet geholpen wil worden

Een verstoorde kerkdienst

Zij heeft een paar jaar geleden een hersenbloeding gehad en is halfzijdig verlamd. Haar man is een poos geleden geopereerd en revalideert in een verpleeghuis. Het gaat allemaal nog niet geweldig, want door de zware operatie en de daar op volgende longontsteking is hij flink verward geraakt.

Morgen is hij jarig en gaat zij bij hem op bezoek. Ze is er nu al zenuwachtig van, dat zie je aan haar hele mimiek en het liefst zou ze gewoon niet gaan.

“Hij is zo in de war dat hij, iedere keer als ik weer weg, ga mee de taxi in wil, dan is hij niet meer te houden. Altijd moeten de zusters hem bij de taxi weg halen. Dan nemen ze hem tussen zich in en lijkt het wel of hij opgebracht wordt. Ik kan daar helemaal niet tegen en zie er nu al als een berg tegen op.”

Op mijn vraag of er iemand met haar mee gaat laat zij weten dat haar vriendin, van de kerk, haar op komt halen.

“Ze zou vandaag ook nog komen, maar ze is er nog steeds niet.”

Het is op dat moment 14.55 uur en ik vraag haar of die vriendin niet gebeld kan worden, want ik heb een voorstel voor het moment van weggaan bij haar man. Het lijkt mij toch goed te realiseren dat zij, voordat zij bij haar man weg gaat, het verplegend personeel een seintje  geeft  zodat hij afgeleid kan worden en niet in zijn verwardheid met haar mee de taxi in wil.

“Nee, ze kan niet gebeld worden, want ze helpt beneden bij de kerkdienst.”

Die begint inderdaad om 15.00 uur en ik begrijp nu waarom haar vriendin nog niet bij haar is.

Ik besluit om met haar naar beneden te gaan om te zien of we de vriendin nog even te spreken kunnen krijgen, zodat zij een beetje gerustgesteld is.

Op slag van 15.00 uur zijn we beneden en het aanvangslied wordt al gezongen. Zacht vraag ik aan degene die bij de open deuren zit of hij weet wie Ria is.
“Ja, u weet wel Ria de Goede”,  hoor ik op harde toon naast me.

Druk en hard begint zij te praten tegen de man, die verstoord opstaat en naar de dominee loopt. De dominee vraagt of er een Ria de Goede aanwezig is en er staat gelukkig iemand op die naar ons toe komt.

“O, gelukkig Ria, je bent er” en zij vervolgt nog steeds op luide toon haar verhaal over de verjaardag van haar man.

Overal klinkt er: “Sst……………sst……………ssssssssst” en ik vraag haar een beetje zachter te praten. Het dringt niet tot haar door, dus samen met haar en Ria loop ik een eind de gang in, zodat we de kerkdienst niet meer verstoren.

Ik leg Ria het probleem uit en doe mijn voorstel.

“Maar natuurlijk, dat doen we toch altijd zo. Dat weet je toch”, zegt Ria tegen haar.

Zij is weer gerustgesteld. Ria zegt dat het goed komt, dan zal het ook wel goed komen.

Ik breng haar weer terug naar boven, want bij de kerkdienst wil zij toch niet blijven. Eenmaal in het appartement wens ik haar een prettige dag en feliciteer ik haar alvast met haar man zijn verjaardag.

“Ik zie er nu al tegen op, want hij wil natuurlijk weer mee de taxi in. Eigenlijk ga ik liever niet, ik ben nu al zenuwachtig.”

Tja, even was ik vergeten dat mensen na een hersenbloeding vaak geheugenproblematiek hebben die vergelijkbaar is met dementie.

 

Prietpraat van ouderen

Ze is flink in de war, maar leest nog steeds de krant:

“Een gevaarlijke man, die Al Qaida. Elke dag staat er wel iets over die man in de krant. Levensgevaarlijk, die Al Qaida”.

“Wiet stinkt verschrikkelijk.”

“O ja”, antwoordt mijn collega. “Weet u wat wiet is?”

“Natuurlijk weet ik dat, dat is varkensvoer”,  antwoordt zij.

De kam

Nadat zij gewassen en gekleed is, wordt zij in haar rolstoel geholpen. Mijn collega zoekt haar kam, maar kan deze nergens vinden en vraagt haar:

“Waar is uw kan nu toch gebleven?”

Verbijsterd reageert zij:

“Dat weet ik toch niet. Jullie ruimen mijn kam altijd op.”

In strijd met elkaar

Na een wandeltocht van 20 km beloon ik mezelf op een kop koffie met een stukje appeltaart. Mijn lijf is helemaal blij dat het zit, maar mijn hoofd heeft de pest in. Ik had me namelijk ingeschreven voor de 25 km. en heb een lus van 5 km. gemist. Nou ja, gemist? Eigenlijk heb ik me om laten praten.

Toen ik bij pijl 51 kwam en ik 15,630 km had gelopen wees de pijl dat ik rechtsaf moest. Er bij stond de opmerking dat de volgende pijl het nummer 74 had. Dat klopte allemaal, maar ik moest volgens de routebeschrijving bij pijl 51 gewoon rechtdoor. De hele horde wandelaars ging gehoorzaam rechtsaf, terwijl ik bleef staan om eens goed te bekijken waarom er geen pijl naar rechtdoor wees. Doordat ik bleef staan gingen vele wandelaars zich hiermee bemoeien:

“Nee hoor, hier moet je echt rechtsaf, kijk maar het staat er echt.”

Ja, op haar blaadje stond dat inderdaad, maar zij liep de 20 km en ik de 25.
“Kijk maar, er komen ook allemaal mensen teruglopen. Het klopt heus hoor.”

De hele weg was inderdaad prima gepijld, dus uiteindelijk zwichtte ik en liep rechtsaf, langs de kerk, zoals op haar blaadje stond aangegeven.

Toch kon ik het allemaal niet uitstaan. Ik parkeerde dat gevoel maar even en liep het Bakkeveense duingebied in. Ja, u leest het goed, een duingebied midden in Friesland. Zandpaden, heuvels op en af door hier en daar toch wat mullig zand. Mijn benen voelden dat goed. Halverwege zo’n zandheuvel bleef ik even staan om van het landschap te genieten en besloot meteen de routebeschrijving eens goed te bekijken. En ja hoor, wat zie ik……………natuurlijk had ik bij pijl 51 rechtdoor moeten lopen. Die mensen die op dat punt terug kwamen lopen waren niet verkeerd gelopen, die hadden die lus van 5 km gemaakt. Zij kwamen uiteindelijk bij punt 73 aan waar zij bij de kerk linksaf moesten. Bij diezelfde kerk waar ik rechtsaf was gegaan. Wat liep ik te balen zeg. Ook dit gevoel parkeerde ik, omdat ik van die laatste km toch wel wilde genieten, want het was er veel te mooi.

Uiteindelijk hadden mijn lijf en mijn hoofd, tijdens die koffie met appeltaart, een fiks gesprek met elkaar. Mijn hoofd mokte nog na, maar mijn lijf zei:

“Weet je, eigenlijk was ik hartstikke blij dat je zomaar ineens naar al die wandelaars luisterde. Ik weet dat je meestal je eigen weg gaat en je liet ompraten, maar ik was er blij mee. Die 20 km is genoeg voor dit lijf, mijn beenspieren en voeten gaven dit feilloos aan. Hou dus op met mokken en ga voortaan gewoon voor die 20 km. Dan hoef je ook niet de pest in te hebben omdat je eigenlijk 25 km wilde lopen. Trouwens, als je dan zo nodig die 25 km wil lopen, zal je toch eerst vaker die 20 km gedaan moeten hebben. En heus, ik weet dat je vroeger 40 km liep, maar dat is toch echt al jaren geleden.”

Mijn hoofd kwam langzaam uit de mokstand en gaf schoorvoetend mijn lijf gelijk.

Nog even sloeg ik aan het rekenen, want als ik nou die 700 meter heen en terug naar mijn auto meetelde, dan kwam ik uiteindelijk toch op 21,4 km. Dat was toch net iets meer dan die 20.