Rustige patienten

Hij woont al jaren bij ons in het verpleeghuis.

Gisteren vertelde hij dat hij eigenlijk piloot had willen worden, maar van zijn vader moest hij voor arts studeren. Zijn broer wilde arts worden en werd piloot.

Een zware studie en uiteindelijk koos hij ervoor om patholoog anatoom te worden. Nachten lang studeerde hij op de anatomie.

rustige patienten

“Waarom koos je voor deze specialisatie?”

“Ik vond het prettig dat de patienten allemaal zo rustig waren.”

Advertisements

De broodmaaltijd

Een poosje geleden werkte ik een avonddienst op een andere afdeling. Aan de routine daar ben ik niet gewend en bewoners hechten daar wel aan. Meestal grap ik dan maar dat ik gewoon maar wat doe en vaak kunnen ze er dan wel om lachen.

Ik schonk eerst voor iedereen drinken in waardoor er nogal wat tumult ontstond, want ja, ze hadden nog geen brood. En waar was het beleg en waar bleven hun pillen.
Behalve deze consternatie bleken ze zich ook nog eens allemaal met elkaar te bemoeien. Het “bemoei je er niet mee”, “kijk effe naar jezelf ” en “moet jij nodig zeggen” was niet van de lucht. Een kleuterklas zou hier nog iets van kunnen leren.

Eén van de bewoners wilde nog een beschuit, maar wist niet wat ze er op wilde.
“Wilt u er sjem op?” vroeg mijn collega.

“Sjem? Sjem? Wat is dat?”

Jam

Haar hardhorende buurvrouw schoot haar te hulp en schetterde: “Sjem, je weet wel, dat rooie spul in een glazen pot!!”

“O, jam (uitgesproken zoals je het schrijft), ja dat lust ik we

Miljonair

tegenvaller

Het is er, het begin van mijn miljoen. Ik spaar, of liever gezegd ik bespaar en het voelt zo ontzettend dom dat ik dat niet eerder ben gaan doen. Het scheelt per anderhalve week toch gauw een euro of negen. Als ik het goed bereken is dat ongeveer € 315,– op jaarbasis.

Nu ik het zo opschrijf lijkt het net niets, in ieder geval niet het begin van een miljoen. Maar toch, ik bespaar het maar mooi. Waarmee dan in vredesnaam? Nou, niet met mijn pianolessen, ook niet met de studie aan de Schumann academie. Ook niet met minder roken, zoals je al eerder kon lezen.

Ik ben gewoon iets minder hard gaan autorijden. Op het stukje A6 van Emmeloord naar Lelystad en weer terug, mag je 130 km/u rijden. Dat deed ik dan ook fanatiek en soms, of eigenlijk meestal, reed ik nog iets harder. Haast om op mijn werk te komen, nog meer haast om weer thuis te zijn.

De laatste paar maanden rij ik 120 km/u en sindsdien doe ik langer met mijn tank benzine. Met mijn Fiat Panda kan ik op een tank ruim 100 km meer rijden. Dat is toch mooi anderhalf keer naar mijn werk heen en terug. Ik ben dus al die tijd een dief van mijn eigen portemonnee geweest. Zo ontzettend dom!

Ik moest er wel aan wennen dat ik door Jan en Alleman ingehaald werd. Meestal vloog ik in mijn Fiat Panda de rest voorbij, want zo’n Panda kan hard hoor. Het gebeurde ook regelmatig dat de automobilist die ik inhaalde hier wat sacherijnig van werd en bij het zien van mijn Panda direct zijn snelheid verhoogde, waardoor mijn inhaalactie helaas mislukte.

Tegenwoordig laat ik iedereen racen en denk ik bij mezelf: “Stelletje suffe dieven van jullie eigen portemonnee!”

Slavernij

hersenen

Als ik met zijn ochtendmedicatie binnen kom zit hij in zijn onderbroek op de rand van zijn bed.

“Dat was toch erg hoor, die discriminatie in Amerika. Gisteravond was er een programma op televisie en als je dan zag hoe die mensen behandeld werden. Verschrikkelijk!

Kijk, de slavernij was tot daar aan toe. Die mensen moesten hard werken, maar werden verder goed behandeld. Maar  discriminatie, verschrikkelijk.”

Afwezig

afwezig

Ik ga wat afwezig door het leven deze week. Met mijn hoofd ben ik er niet helemaal bij. Mijn lief merkt het ook op. Hij vertelt mij iets en nog geen vijf minuten later vraag ik hem naar iets wat hij vlak daarvoor vertelde. Beetje balen lijkt me dat.

Afwezig loop ik ook over straat. Op de automatische piloot naar de Jumbo terwijl ik naar de opticien wilde om mijn neusvleugeltjes te vervangen.
Gedachteloos lees ik de krant, maar opslaan wat ik lees is er niet bij.

Gek, ik dacht dat ik helemaal niet zo met het huiskamerconcert bezig was waar ik zondag aan mee doe. Schijnbaar toch wel en helemaal overtuigd ben ik als ik ‘s nachts droom. Een wat vreemde droom, maar wel met een helder signaal: “Ik ben wel degelijk in mijn hoofd bezig met het huiskamerconcert.” Vandaar mijn “afwezigheid”.

Ik ging naar pianoles. Daar is niks vreemds mee, want dat doe ik wekelijks. Maar in mijn droom had ik mijn oudste dochter mee en dat slaat werkelijk nergens op. In mijn tas had ik allerlei boeken gepropt, maar mijn “pianobril” was ik vergeten.

Aangekomen bij het huis van mijn leraar leek niets op hoe het daar is. Perzische kleedjes in de kamer, oude antieke meubelen. Een beetje zoals bij mijn lerares in Purmerend, maar toch ook weer niet helemaal.
Het was er druk, er waren meer mensen. Wat die daar deden was me niet duidelijk. Ze kregen geen les, misschien was het een openbare les. Die heb ik nog nooit gehad overigens.

De vleugel was vervangen door een harmonium en daar kreeg ik les op. Toen ik de boeken uit mijn tas haalde bleek er een boek over Schotland tussen te zitten. Daar had ik wel een verklaring voor, want we hadden de dag er voor een reis naar dat land geboekt. De bedoeling was dat ik uit dat boek zou spelen. Oeps, mijn “pianobril”, waar was die gebleven? Niet mee, maar dat gaf niet, want de plaatjes in het boek over Schotland kon ik zonder die bril prima zien.

Van mijn pianoleraar kreeg ik een preek dat ik beter voorbereid op les moest komen. Niet zomaar van alles in mijn tas proppen zonder er bij na te denken. “Het voorbereiden zit ‘m al in je tas inpakken en onderweg je vast concentreren op wat je  ga spelen.

Ik verontschuldigde me en legde uit dat ik mijn tas snel ingepakt had voordat ik naar mijn werk ging. Na mijn werk kon ik het net redden om op tijd op les te zijn. Ja, voorbereid was ik bepaald niet in deze droom.

Hoe bedoelt u, inlevingsvermogen?

 

hersenen

Met z’n achten leven ze samen op een afdeling in het verpleeghuis. Alle acht met Niet Aangeboren Hersenletsel. Van enig inlevingsvermogen is geen sprake, ze dulden elkaar en hebben het regelmatig met elkaar aan de stok.

Soms rijden ze te dicht langs elkaar heen met hun rolstoel en meteen is het korte lontje ontstoken. Bam! Ruzie!

Soms probeert de een de ander te benaderen. Meestal een poging uit eigen belang om aandacht van de ander te krijgen. Bam! Ruzie!

Soms maakt iemand een grapje en ja hoor: Bam! Ruzie! Het kost ons de nodige energie om het allemaal in goede banen te leiden.

Tijdens mijn avonddienst, vorige week, had ik zomaar even tien minuten over waarin ik eigenlijk niets kon doen. Het was wachten tot het tijd was tot ik de bewoner die overal vaste tijden voor heeft, naar bed kon helpen. Ik besloot even bij hem te gaan zitten en knoopte een gesprekje aan.
“Wat heb jij vandaag allemaal gedaan?”

Hij moest er even diep over nadenken en eerlijk gezegd doet hij ook niet veel op een dag. Hij rijdt een beetje achter ons aan in zijn rolstoel om ons er op te wijzen dat het bijna tijd is om iets voor hem te doen.  De ene keer doet hij dat fanatieker dan de andere keer. Het ligt er een beetje aan hoeveel tijd wij kwijt zijn bij een ander rond de tijd dat hij geholpen moet worden. Steevast hoor je dan: “En ik dan? Ik moet ook geholpen worden. Moet ik dan weer wachten?”

Meestal moet hij inderdaad wachten, want dan is het nog niet zijn afgesproken tijd. Wijken we daarvan af, dan is het hek van de dam. Dan past hij zich naadloos aan bij dit nieuwe tijdstip.

Zo zaten wij even samen te praten, want ja, hij had beneden koffie gedronken, toen een andere bewoner zijn rolstoel draaide en er bij kwam zitten. Foute boel, gezicht op zeven dagen onweer, want dat was de bedoeling niet.

“Goeienavond …….”, zei de andere bewoner.

“Ja dahag!” was zijn reactie.

“Je kan ook gewoon goeienavond terug zeggen. Dat is wat mensen doen, dat is vriendelijke. De een zegt de ander gedag en dan doet de ander dat terug.

“Goeienavond!” kwam er toen, weliswaar geïrriteerd, uit zijn mond.

De andere bewoner ging nog verder en stak hem zijn hand toe.

“Geef hem maar een hand hoor. Je gaf mij net ook een hand.

Hij stak hem zijn hand toe en de ander zei: “Nu zijn we weer kameraden!”

“Ja dahag! Mooi niet” en hij reed weg, waardoor de andere bewoner zijn kans waarnam en mij zijn verhaal wilde doen.

Jammer, maar mooi niet, dacht ik op dat moment, want toen was het tijd dat ik die ene bewoner naar bed kon helpen.

Verdronken vlinder

Ik heb met zoveel plezier aan dit liedje gewerkt. Je las het al in aha-nu-snap-ik-het/. Het liedje waarbij ik goed articuleer en overdrijf. Daar ging overigens iets grappigs aan vooraf, want mijn leraar had tijdens het vorderen van het liedje het nodige commentaar. Zo sprak hij een keer de eerste zinnen uit op z’n Amsterdams en vergeleek dit met de manier waarop Ali B rapt.

In de periode dat ik met dit lied bezig was kwam die uitspraak regelmatig boven. Ik besloot er een geheel eigen couplet bij te maken. Het begon met één zin en tijdens het boodschappen doen werd het couplet geboren. Thuis dook ik meteen achter de laptop en zette de woorden op papier:

So te sterfen op het water met de de sounf van Ali B
So maar drijfen na het fliegen –  drijf jij maar lekker mee
Ja ik wil gewoon wat chillen en is dat niet om te gille
Weet je wat, ik blijf maar singen en nog meer fan dat soort dinge
Alles wat ik wilde leren ben ik nou aan het probere 
En af en toe sit dat gewoon ook mee        
Nee niet sterfen op het water met de stem van Ali B

Tijdens het overdrijven van dit plat Amsterdams bedacht ik dat ik dit kon gebruiken om mijn ABN te overdrijven. Het kwartje viel en nadat mijn lief en ik de mini-opera “Le Nozze di Figaro” hadden gezien viel het kwartje nog een stukje verder en, hè hè, eindelijk begreep ik waarom dat overdrijven zo belangrijk is tijdens het zingen.

Nu ben ik bezig met “Liefs uit Londen” van Bløf en denk je dat ik dan automatisch meteen overdrijf? Welnee, weer krijg ik te horen dat ik beter moet articuleren. Tja, dan word ik een beetje knorrig van binnen en denk ik: “Wanneer zal dat niet meer tegen me gezegd hoeven worden?” Het is ook nog eens een heel lastig lied, dus het koste de nodige moeite om die akkoorden uit te werken en bovendien wisselde mijn tempo ook nogal eens. Ik oefen het dus met de metronoom aan om hiermee een innerlijke metronoom te bevorderen. Het gaat steeds beter, maar af is het nog niet. Leuk is het wel, reuzeleuk zelfs.

Nog even terug naar die vlinder. Voordat ik met dat lied aan de gang ging was mijn keus gevallen op “Honesty” van Billy Joël. Terwijl ik dat via Youtube beluisterde zag ik rechts op mijn scherm liedjes van Boudewijn de Groot voorbij komen. Ik heb twee jaar geen contact met mijn oudste dochter gehad, maar sinds een maand of wat is dat weer hersteld. En zij vertelde tijdens ons eerste bezoek dat zij veel bezig was met vlinders. Met de transformatie van rups naar vlinder en dat wij mensen ook transformeren. Het is niet de strekking van het liedje, maar toch was ik blij dat ik dit liedje gekozen had. Voor haar geldt ook dat zij geen vlinder hoeft te zijn om te kunnen leven.


	

De nieuwkomer – De Olympische spelen.

olympische spelen

 

Onze nieuwkomer heeft humor. Hij noemt zijn incomateriaal gewoon een pamper. Wij mogen dat niet zeggen, ook mogen we het niet over luier hebben, maar daar heeft hij maling aan. Voor hem is het een pamper en het liefst zou hij er een plastic broek overheen willen zodat de boel gewoon droog blijft.

Hij voelt het niet als hij moet plassen en meestal is zijn ‘pamper’ ‘s morgens helemaal verzadigd en zijn bed flink nat. Vandaar die plastic broek waarbij ik opperde dat ik wel een vuilniszak wilde pakken, waar hij flink om moest lachen.

Ook vanmorgen was zijn ‘pamper’ verzadigd en toen ik hem ondersteunde bij het lopen naar de badkamer zakte hij van zijn billen.

“Wil je even blijven staan, dan doe ik je inco af. Dan ben je even een naaktloper, maar dat is altijd beter dan lopen met een nat vod om je enkels.” Hij bleef staan en terwijl ik hem met één hand bleef ondersteunen maakte ik de inco los en mikte het ding in de wasmand.

“Goh, jij kan zo meedoen aan de Olympische Spelen”, zie hij waarbij ik niet direct begreep waar die opmerking ineens vandaan kwam. Ik schoot dan ook in de lach en zei ik dat ik totaal niet sportief ben.

“Bij het onderdeel “luier werpen” word je vast eerste. Dat deed je zó handig!”