Altijd bereikbaar

altijd bereikbaar

Onderweg naar mijn ouders ontdekte ik dat ik mijn gsm vergeten was mee te nemen. Vervelend want ik was in een file verzeild geraakt en wilde hen laten weten dat het later zou worden. Het gebeurt me wel vaker dat mijn Nokia thuis ligt. Het is ook zo’n telefoon waar je verder niks mee kan. Bellen en sms’en, daarmee heb je het ook helemaal gehad. Filmpjes kijken of facebooken is niet bij. Wel lekker rustig overigens. Ik kan het iedereen aanraden die wat meer rust in zijn leven wil. Nee, altijd bereikbaar ben ik bepaald niet.

Twintig minuten later dan gepland stond ik voor het appartement van mijn ouders. Er hing een briefje dat de intercom het niet deed, maar de bel deed het wel. Al gauw begreep ik dat zij dan vanuit hun appartement de voordeur niet konden openen en dat waarschijnlijk nog niet wisten.

Daar stond ik dan. Ik had al drie keer aangebeld en vroeg me af hoe ik dit op ging lossen. Had ik mijn Nokia bij de hand, dan kon ik even gebeld dat ik voor de deur stond. Lekker handig dus van mij om dat ding niet mee te hebben. Heel even vloog er een gedachte door mijn hoofd waar ik achteraf om moest lachen. Echt waar, ik bedacht dat ik dan even mijn lief moest bellen, zodat hij mijn ouders kon laten weten dat ik voor de deur stond. Tja, die vlieger ging natuurlijk niet op.

Steentjes tegen hun raam gooien? Dat zou kunnen, maar ze wonen op drie hoog. De kans dat ik het raam zou raken was niet echt groot.

Wachten tot er iemand naar buiten ging. Gebeurt vaak genoeg, maar vandaag dus niet.

Aan die mevrouw die haar hond uitliet vragen of ik haar telefoon even mocht gebruiken. Goed plan, alleen liep de vrouw, toen ik naar haar toe liep, meteen een andere kant op. Beetje mensenschuw, of misschien ben ik gewoon een beetje “eng”.

Ik stond de situatie vanaf de overkant van de straat te overpeinzen toen ik verderop een busje zag staan waar iemand met werkkleding aan bij stond. Misschien mocht ik zijn telefoon even gebruiken. Best een ongebruikelijke vraag in deze tijd waarin het gros van de mensen vergroeid is met zijn telefoon.

Het mocht, ik had alleen geen idee hoe ik die smartphone moest bedienen. . De man liet het me zien, maar moest zelf ook even zoeken. Hij kwam wel bij al zijn contacten maar had even geen idee hoe hij iemand moest bellen die daar niet tussen stond. Hij gaf ruiterlijk toe dat het toch niet zo makkelijk was als hij dacht. Overigens was het te hopen dat mijn ouders op zouden nemen als ze door een onbekend nummer gebeld werden. Ik hoorde de aarzeling in mijn vader zijn stem en vervolgens de opluchting dat ik het bleek te zijn. Ze zouden open doen, maar voordat ik bij de voordeur was was het moment al voorbij dat ik de deur kon openen. Ik liep maar weer naar de overkant van de straat. En ja hoor, mijn moeder verscheen op de galerij. “Ik denk dat één van jullie naar beneden moet komen” schalde ik door de straat. Dat had mijn vader ook al bedacht, want die zag ik over de galerij lopen.

De geheime missie

geheim

Met een grote tas op schoot beweegt hij zich langzaam in zijn rolstoel naar de deur. Op mijn vraag of hij uit gaat krijg ik fluisterend antwoord, want het moet geheim blijven. Hij is gebeld door Israël en zijn aanwezigheid is daar per direct gewenst en dat mag ik aan niemand vertellen.

Mijn gedachten maken overuren, want als ik zeg dat hij misschien geslapen heeft en uit een droom is wakker geworden, maak ik geen vrienden. Raar is mijn gedachtegang niet, want hij doet heel wat dutjes gedurende de dag. Als ik hem vraag eerst met ons te eten krijg ik oorlog, want die geheime missie is nogal dringend. Ik besluit om hem gewoon naar beneden te laten gaan en bel naar de balie om te vragen of ze het een beetje in de gaten kunnen houden.

Na verloop van tijd hebben mijn gedachten hun werk gedaan en ga ik naar beneden. Hij zit midden op het parkeerterrein en wacht schijnbaar ergens op. Ik vermoed op een taxi. Dat is alvast een gegeven wat ik kan gebruiken.

Ik loop naar hem toe en vertel hem dat ik net gebeld ben door Israël en dat ik moest overbrengen dat de missie is afgeblazen. Zijn aanwezigheid is niet meer noodzakelijk en de taxi die ze voor hem geregeld hadden is afgezegd. Hij wil nog wel weten wat de naam van de persoon was die ik aan de telefoon had. Heel eerlijk vertel ik hem dat ik het een moeilijke naam vond die voor mij niet goed uit te spreken was, maar dat het een man was. Daarmee ging het bijna mis, want degene die de missie had georganiseerd was een vrouw. Maar het kon heel goed dat zij een man liet bellen met deze boodschap. Meteen vertelde ik hem dat vrouwen ook niet te vertrouwen zijn.

Hij was boos, maar gelukkig niet op mij. Het was al de tweede keer dat dit hem overkwam. Hij laat zich door mij naar boven brengen, heeft wat boterhammen gegeten en is daarna in zijn kamer gaan zitten wachten op een telefoontje uit Israël. Daar zat hij nog steeds toen mijn dienst er op zat. Naar bed geholpen worden wilde hij niet, want hij moest wel in de startblokken blijven.

Paniek in de tent

paniek

Luidruchtig komt ze de huiskamer binnen. Ze duwt hard tegen de wielen van haar rolstoel en heeft dan flink de vaart in. 

“Zuster, mijn tas is gestolen. Ik heb ‘m aan tafel al die tijd op schoot gehad en nu is ‘ie weg.”

Ik bedenk nuchter dat het wat merkwaardig is dat zo’n tas gewoon van je schoot gestolen wordt, maar zeg dit uiteraard niet. Nee, ik kan beter even helpen zoeken. Misschien heeft ze ‘m even op een ongebruikelijke plek neergezet.

In haar kamer is de tas niet te vinden. Ik kijk zelfs, op haar verzoek, onder haar kussen. Ook de badkamer wordt geïnspecteerd, want misschien staat de tas wel achter de wc of in het badkamerkastje. Maar nee, de tas is er echt niet.

De paniek slaat toe, ze wordt nog luidruchtiger dan ze al was en vervolgens krijgt mijn collega de schuld. Die heeft haar steunkousen net bij haar uitgetrokken en was dus in haar kamer. “Zij heeft hem natuurlijk verstopt.”

Omdat ik haar, toen ik het verpleeghuis binnen liep, beneden heb zien zitten loop ik naar het restaurant. Misschien is de tas daar gevonden. Ook al niet.

Mijn collega hebben geen flauw idee waar haar tas gebleven is. Mevrouw zelf is nog steeds in alle staten en beschuldigt “Jan en alleman” van diefstal.
“Ik ga de politie er bij halen” roept ze met haar wat harde kijvende stem als ze richting de keuken rijdt waar wij de afwas wegwerken. Ja, met de hand, want de vaatwasser was vrijdag kapot gegaan. Zodoende moest er het hele weekend met de hand afgewassen worden. Dat is een hoop serviesgoed van vijftien bewoners.

“Misschien zit u op uw tas”, opper ik.
“Dat kan toch niet, dat zou ik dan toch moeten voelen!”. Woest is ze dat ik zoiets durf te zeggen.

“Wilt u misschien toch even opstaan.”

Zij komt half overeind en ik vis de tas van de zitting van haar rolstoel.

“Hoe heb ik dat nu kunnen doen?” jammert ze en begint vreselijk te huilen.

Terwijl ik de afwas verder wegwerk loopt mijn collega met haar mee om haar weer tot bedaren te brengen.

De enige andere bewoner die nog in de huiskamer zit kan niet praten, maar heeft het hele voorval gevolgd. Ik zie aan zijn ogen dat hij er om lachen moet. Ik loop even naar hem toe en zeg: Dat is me toch ook wat hè? Zo beleven we tenminste nog eens iets.

Knoiteren

 

Een beetje raar woord denk je misschien. Valt mee hoor, het is afgeleid van het Nederlandse woord kneuteren.

66288266_2329182923814017_6881575839226396672_n

Hoe lastig is het om aan niet-kampeerders uit te leggen waarom wij kamperen zo leuk vinden? Het is gewoon het buiten zijn, maar zeker ook het kneuteren wat ik meteen verbasterde tot “knoiteren”. Zo klonk het goed Oostenrijks en we hebben wat afgeknoiterd. Overigens niet meteen hoor. Onderweg naar Oostenrijk hadden we stralend mooi weer. De thermometer in de auto gaf 30° graden aan. Hoe dichter we bij plaats van bestemming kwamen hoe meer de lucht betrok. En ja hoor, op het moment dat we Oostenrijk binnen reden werd de lucht alleen nog maar donkerder.

We kregen een campingplek toegewezen en razendsnel legden we het grondzeil neer. Hup, de tent uitrollen en uitvouwen zodat die voor de bui zou staan. Nou, niks hoor. Het begon te spetteren terwijl wij pogingen deden om  de tentstokken door de bogen te krijgen. Als je haast hebt gaat er niets goed, dus ook dit niet. Er is ook niet voor niets de uitspraak “Heb je haast maak een omweg”. Helaas was die mogelijkheid er niet. Er moest gewerkt worden. Het ging steeds harder regenen en uiteindelijk besloten we in de auto te wachten tot het minder hard zou gaan regenen.  Maar lieve help! Dat kon helemaal niet, want er ontstonden plassen op de tent die nog steeds op het grondzeil lag. Toch maar weer de auto uit en aan het werk. Alle stokken door de bogen en toen kregen we tot overmaat van ramp de tent niet overeind. Dapper zetten we door en eindelijk, ja eindelijk stond de tent overeind. Inmiddels goot het pijpenstelen. Mijn lief vond dat ik beter in de auto kon gaan zitten dan zou hij de haringen in de grond slaan. Hij verdween aan de andere kant van de tent toen het ook nog eens begon te onweren. Een beetje ongelukkig zat ik me in de auto totaal overbodig te voelen. De donder kwam en ging. Gelukkig bliksemde het niet.

Toen alle haringen in de grond geslagen waren ging mijn lief, tot op de draad nat, ook in de auto zitten. “Kamperen? Nooit meer!” zeiden we tegen elkaar. Dat gevoel was net zo snel verdwenen als het opgekomen was toen het stopte met regenen. We sleepten de spullen de tent in, haalden droge kleding uit onze tassen en hebben ons omgekleed voordat we een hapje gingen eten bij het restaurantje vlak bij de receptie.

Na dit avontuur hebben we alle dagen het schitterendste weer van de wereld gehad en eindelijk konden we “knoiteren”.

66384722_2329183950480581_6680935651719774208_n

Maar wat is dat “knoiteren” dan precies? Nou gewoon, een beetje koffie drinken voor je tent. Eerst water halen bij het kraantje verderop, dan het campinggas aan en als het water kookt lekker koffie zetten. Plannen maken voor die dag en een beetje lezen in onze E-reader. Lekker wandelen in de bergen, af en toe compleet buiten adem en met een op hol geslagen hart, maar dat mag de pret niet drukken. Op de terugweg naar de supermarkt om boodschappen te doen voor het avondeten. Daarna begint het “knoiteren” pas echt, want ik vind niets zo leuk als een maaltijd bereiden op één gaspit. En werkelijk, dat lukt echt iedere keer weer. Soms deden we het vlees op de barbecue en werd de rest op die éne gaspit klaargemaakt.

En wat denk je van het ritueel wanneer je naar bed gaat. Eerst met je tandenborstel naar het sanitairgebouw om je tanden te poetsen. Nog even plassen en dan terug naar je tent. Rits achter je dicht, dan de rits van de slaaptent open en natuurlijk weer dicht. Slaapzak open ritsen en weer dichtritsen. Ja, die ritsen open en dicht doen is het summum van “knoiteren”.

Je begrijp het al. Het valt gewoon niet uit te leggen waarom kamperen zo leuk is, behalve wanneer je zelf ook van kamperen houdt. Die mensen hoef je niets meer uit te leggen. Die begrijpen het zonder al die uitleg ook wel.

 

 

 

 

 

 

Zó opgelucht

wortelkanaalbehandeling

Om kwart over acht zat ik bij de tandarts voor de halfjaarlijkse controle. Daarnaast had ik de pech dat dit weekend een vulling uit mijn kies was geraakt. Met flossen nog wel. Geen pijn, en dat bleek nu juist niet goed te zijn. Ik moest om kwart voor tien terugkomen, dan ging hij al behandelend kijken wat de mogelijkheden waren om deze kies te behouden. De meest waarschijnlijke optie was een wortelkanaalbehandeling. Informatie hierover kreeg ik mee en na het lezen had ik direct pijn in mijn hoofd en in mijn buik. Gek genoeg ging die kies ook spontaan opspelen.

De kapper had ik al afgebeld. Om kwart voor tien de tandarts en om tien uur de kapper was echt niet haalbaar. Even overwoog ik om meteen mijn piano/sing a song les ook maar te verzetten. Anderhalf uur met open mond in de tandartsstoel was vast niet bevorderlijk voor mijn stem. Ik besloot om de behandeling af te wachten, want tja, er stond in die voorlichting dat zoiets een half uur tot anderhalf uur kon duren. Het kon dus ook meevallen.

Met pijn in mijn hoofd en mijn buik, die ik meteen maar meldde aan de tandarts en zijn assistente, zat ik in de stoel.  De tandarts legde uit wat hij ging doen en begon mijn kies schoon te maken. Je weet wel met zo’n soort drilboor waardoor je meteen bang bent dat hij je hele kies wegboort en in je hersenen terecht komt.

Boven  mijn hoofd ontspon zich een gesprek over de nieuwe apparatuur. Of de assistente wist wat die doosjes van 20 stuks gekost hadden. Het werkte wel hygiënischer, want het was voor eenmalig gebruik. Verder moest hij aan deze apparatuur wel even wennen.

Ondertussen deed het boren pijn en ik vroeg me af of hij zich niet gewoon alleen met mijn kies moest bemoeien. Ik stak mijn hand op. Nee, niet om te vragen of hij zich op deze manier wel op mijn kies kon concentreren, maar vanwege de pijn.

“Wat voor pijn? Alleen als ik boor en als ik stop is het meteen weg?” Ja, die pijn.
“Maar dat is goed nieuws, dan is de zenuw nog actief en kan ik de kies vullen zonder wortelkanaalbehandeling.”

De opluchting schoot door mijn lijf. Gelukkig! Het deed pijn! Nog nooit was ik zó blij met pijn geweest.

De kies werd verder uitgeboord en daarna opgevuld. Ondertussen zat er een klein frummeltje in mijn keel wat ontzettend ging kriebelen. Vast een stukje van mijn kies of zo. Ik dacht even dat ik stikte, maar mocht gelukkig even hoesten van de tandarts. Daarna werd aan de andere kant ook nog een kies gevuld, want ook daar zat een gaatje. Soms vraag ik me toch serieus af hoe lang mijn gebit nog mee kan met al die vullingen.

Het was klaar. “Het viel mee”, zei de tandarts. “Morgen zie ik u weer!” zei hij lachend.
“Ik vind u erg aardig, maar kom toch liever pas over een half jaar”.  Ondertussen kon ik de man wel zoenen, wat ik maar niet gedaan heb.

Alsof ik naar mezelf kijk

Die houding, dat geblokkeerde. Ik herken het. Zou hij zich nu net zo voelen als ik me op zo’n moment voel? Hij is nog jong en misschien moet hij hier nog mee om leren gaan. 

in de schulp (6)

Vorig jaar heb ik hem piano horen spelen tijdens het Festival Klassieke Muziek in Almere. Een rustige jongen, die zonder al te veel dramatische bewegingen of gezichtsuitdrukkingen een geweldig stuk speelt.
Deze keer volgt hij een masterclass bij  Nicolas van Poucke. Hij is nog dezelfde rustige jongen en speelt geweldig en op dezelfde manier als toen. Kaarsrecht zit hij en weer maakt hij geen overbodige bewegingen.

Na zijn spel bedenk ik dat er volgens mij niet veel aan valt te verbeteren. Maar ik ben dan ook die goedwillende amateur. Uiteraard valt er meer uit te halen en Nicolas stelt voor om aan een bepaald deel in het stuk te werken. Het moet soepeler vanuit de polsen, zijn schouders moeten losser. Hij zet in en ik zie gewoon gebeuren dat hij verstrakt. Hij trekt zijn schouders op en speelt het deel op dezelfde manier als de eerste keer. Nicolas vraagt of hij het even mag proberen. Uiteraard mag dat. Het komt in mijn hoofd ook niet op om “nee” te zeggen als mijn pianodocent iets voor wil doen.

Nicolas_van_Poucke_©HansvanderWoerd-014-1038x576

Nicolas vraagt of hij het begrijpt. Hij knikt bevestigend en begint te spelen. Zijn pianodocente zit schuin voor me en schudt haar hoofd. Nee, het lukt duidelijk niet. En o, wat herken ik dat. Het blokkeren, je in jezelf terugtrekken, een soort waas in je hoofd waardoor het lijkt alsof je die piano voor het eerst ziet. Ik zie hem denken: “Ik wil het wel doen, maar laat het me alsjeblieft eerst thuis oefenen, dan doe ik het volgende week beter”.

Het zijn aannames van mij. Mischien denkt dat dit helemaal niet. Misschien ligt hij gewoon dwars, alhoewel hij me daar het type niet voor lijkt. Nee, ik hou het er op dat mijn gevoel me niet bedriegt.

Vandaag overviel het mij. Ik speelde en zong het liedje “De hemel is dichtbij”. In het refrein moet meer beweging. Het is me in de loop van de week goed gelukt om dat er in te krijgen. Maar nu dat zachtere deel waarna dat refrein weer komt. Het is raar om gewoon van dat zachte ineens “BAM” weer hard in te zetten. Er moet een overgang komen die dat voor de luisteraar ook aannemelijk maakt. Dat het logisch klinkt.

Mag ik even?” Natuurlijk mag mijn pianodocent even en hij doet iets op de piano, doet het nog een keer en nog een keer. Ik zie wat hij doet en voel dat waas optrekken waardoor ik vervolgens niet goed meer kan nadenken over wat ik hem net heb zien doen. In mijn schulp kruipen, dat is wat ik dan doe. Een deur dichtdoen en mezelf verstoppen. Ik begrijp wel wat hij bedoelt, maar om dat nu even ter plekke te reproduceren of iets te doen wat daarop lijkt zijn twee totaal verschillende dingen.

“Ga hier van de week thuis mee experimenteren dan werken we er volgende week verder aan.”

Kijk, dat is het voordeel van een pianodocent die mij wat langer kent en ook gerust wel ziet dat ik me op zo’n moment totaal niet comfortabel voel. Dat heeft niets met hem te maken, maar alles met mij. Hij weet dat ik er thuis aan werk en dat ik de volgende keer die overgang gerust wel maak.

Het nadeel van zo’n masterclass is dat je in dat ene uur iets moet neerzetten, maar dat jij die docent niet kent en die docent jou niet. Daar moet je dus wel een type voor zijn. Ik denk dat ik niet zo’n type ben. Ik heb tijd nodig en de ruimte om voor mezelf een oplossing te zoeken. Dat kan ik niet als er iemand op mijn vingers kijkt.

Mensen van vroeger

sociale kring

Op het terras zat nog een stel. Zij kwam me wat bekend voor, maar ik kon haar niet meteen plaatsen. Ik schoof net een stoel naar achteren toen zij mij vroeg of ik een dochter van Phillipson was. Dus toch, dat bekende gezicht, ik kende haar ergens van en ineens wist ik het. Ik noemde vragend haar naam en liep naar het tafeltje waaraan zij zaten.

Mijn lief liep met me mee en zo stonden we een poosje te praten tot ik voorstelde om er een stoel bij te zetten.

“Je ouders zijn nu op Malta hè? Geweldig dat zij dit nog kunnen doen.”
Ik vertelde dat mijn moeder me de dag ervoor had gebeld. Ze was blij mijn stem te horen, iets wat ik nog niet eerder van haar had gehoord. Schijnbaar miste ze me.

“Mijn broer is deze week opa geworden van een kleindochter”, zei ik en mijn lief liet weten dat ik al zes keer oma was.

We hebben een poosje zitten praten met elkaar tot we ieder weer onze eigen weg vervolgden. Zij op de fiets, wij wandelend. Ik zei tegen mijn lief dat ik de ontmoeting fijn had gevonden. Dat er momenten zijn dat ik het mis om mensen in de buurt te hebben die mijn ouders, mijn broer en mijn kinderen kennen. Die ook mij van vroeger kennen. Meestal ben ik daar niet zo mee bezig, maar nu werd ik er even met mijn neus bovenop gedrukt.

Vroeger bestond mijn sociale kring voornamelijk uit mensen die lid van dezelfde kerk waren als ik. Net als in elke kerk kan je daar veel van je vrije tijd insteken. Dat hoeft niet, maar ongemerkt gebeurt dat wel. Ik was op muziekgebied actief, speelde orgel in de kerk, zong in het kerkkoor, verving de dirigent bij afwezigheid en zong in ad-hoc koortjes. Pas halverwege de veertig besloot ik de kerk te verlaten. Er was een hoop aan vooraf gegaan voordat ik die beslissing nam. Mijn ouders namen me het niet kwalijk, maar vonden dit wel moeilijk. Ik begreep dit wel en in het begin was het ook wat ongemakkelijk tussen ons.

Mijn sociale kring bestond van de ene op de andere dag niet meer. Niet dat er ruzie was of zo. Nee hoor, iedereen had zijn eigen leven en de enige binding die ik met deze mensen had bleek de kerk te zijn. Zo gaat dat soms.

Ik bouwde een ander leven op en ging zingen in een Kamerkoor. Dat kon eerder niet, want juist op die repetitieavond was ik actief in de kerk. Langzaam ontstond er een nieuwe sociale kring. Klein weliswaar, maar behoefte aan een hoop mensen had ik niet. Heb ik nooit gehad. Die kerk was er gewoon met al zijn mensen. Daar had ik niet om gevraagd.

Nadat ik mijn lief leerde kennen verhuisde ik van Middenbeemster, vlak bij Purmerend, naar de Flevopolder. Wat ik nooit beseft heb is dat het voor mensen als ik, een beetje einzelgänger,  lastig is om in een ander deel van het land weer een leven op te bouwen. Ik had in Purmerend een vriendin waar ik regelmatig mee fietste of wandelde en eens per jaar gingen we samen een dagje weg. Halfslachtig hadden we afgesproken dat we die dag eens per jaar zouden blijven doen, maar dan ergens halverwege zodat niet één van beiden het hele eind hoefde te rijden. Het is er nooit van gekomen. Buren uit mijn oude buurt, nog van tijdens mijn eerste huwelijk, bleven weg. Gek, want we hadden tot dan toe gewoon nog altijd contact en kwamen bij elkaar op verjaardagen. Misschien was het lastig voor ze vanwege mijn lief, die ze niet goed kenden. Mijn lief zei daar heel nuchter van: “De rit Purmerend-Emmeloord is altijd langer dan de rit Emmeloord-Purmerend”. Hij had zelf al eerder met dit bijltje gehakt.

Inmiddels leef ik hier mijn leven. Ik heb na wat omzwervingen een baan waar ik me prettig bij voel. Fijne collega’s en we waarderen elkaar om wie we zijn. Mijn muzikale leven heb ik weer op orde en er is een, weliswaar kleine, sociale kring ontstaan. En heus, ik ben niet alle dagen bezig met het feit dat ik hier geen mensen ken die mijn ouders of mijn kinderen kennen. En toch, tijdens die ontmoeting op dat terras merkte ik ineens dat ik dat soms toch wel een beetje mis.

Complete verwarring

verwarrend

Ik hou van overzicht. Alles een vaste plek en verder heb ik de eigenaardigheid om bij sommige dingen een bepaalde volgorde te hanteren. O jee, als ik dit zo opschrijf lijkt het net alsof ik wat autistische trekjes heb. Nou ja, niks mis mee, toch?

Naar pianoles, geen jas aan, want dat vond ik met dit weer niet nodig. Telefoon mee, want je weet maar nooit. Niet in mijn jaszak deze keer, dus legde ik ‘m naast me.

Op les aangekomen deed ik de auto op slot en wilde de sleutel in mijn zak doen. Tja, geen jas dus ook geen jaszak. Eenmaal binnen zette ik mijn “pianobril” op en legde de brillenkoker op een stapel muziekboeken. Mijn sleutel legde ik er naast.

In de auto onderweg naar huis sloeg de verwarring toe en de schrik mij om het hart. Adrenaline schoot door mijn lijf van mijn tenen tot mijn haarwortels. Paniekerig keek ik om me heen. Ja, mijn telefoon lag daar gewoon, maar waar was mijn sleutel? Lag die soms nog op de stapel muziekboeken?

Geen paniek, gewoon keren en mijn sleutel ophalen. En toen pas schoot ik in de lach, want de sleutel zat uiteraard gewoon in het contact.

Action

action

De ober ruimde het tafeltje achter ons af. Op het moment dat hij de borden stapelde vloog het mini-frituurmandje door de lucht. 

“Het zijn mandjes van de Action, die stellen niet veel voor. Als er niets in zit gaan ze kantelen en vliegen zo van je bord”, legde hij uit.

“Hopelijk is dit geen Action soep, want dan vliegt die straks zo onze soepkom uit”, zeiden wij tegen elkaar.