Boos

boos

Hij moppert dat het een lieve lust is als ik hem naar bed help. Hij wil een dokter zien en spreken.

“Vanwege uw voet?”

“Ja, waarom anders? Die kut-dokter praat alleen maar met jullie terwijl ik met die poot zit. Stuurt ze me naar dat ziekenhuis in Harderwijk, nou daar was het een puinhoop.”

“Daar hadden ze u wel kunnen helpen, maar u wilde niet blijven.”

“Nee, niet in de rotzooi daar. Maar ik wil die kut-dokter nu wel eens zelf zien.”

“Die “kut-dokter”, zoals u haar noemt die werkt hier niet meer. We hebben nu een “meneer dokter” en die kan u niet zó noemen. Maandag is er artsenvisite, ik schrijf u op de lijst, meer kan ik u nu niet beloven. Soms praat een arts inderdaad met ons. Wij zijn de ogen van de arts, om het maar zo te noemen.”
“Nou, dan hebben jullie geen goede ogen.”
“Nee, ik had vast mijn verkeerde bril op.”

Gelukkig kan hij daar een klein beetje om lachen.

Ik denk er later nog eens over na en zie wel in dat hij gelijk heeft. Vaak zien onze bewoners helemaal geen arts en als er een arts komt herkennen ze die persoon vaak niet als arts. Geen witte jas en zo, meestal vrouwen en vaak ook nog eens heel jong. Nu hebben we een mannelijke arts die al wat ouder is.

Misschien moet een arts standaard een stethoscoop om zijn nek hangen. Dat deed de verpleeghuisarts in Purmerend en dat was vast niet omdat hij dat interessant vond staan.

Ik vertel het verhaal thuis aan mijn man die vervolgens in de lach schiet. Een kut-dokter is een gynaecoloog. Die heeft ook helemaal geen verstand van voeten.

Advertisements

Geen recht op

Net als in alle andere januari maanden trekt mijn ene ik ten strijde tegen mijn andere ik. Het komt ieder jaar terug en ik weet dat het ook weer wegtrekt. Soms al op 1 februari, en af en toe duurt het wat langer. Bah, wat heb ik een hekel aan die vervelende januari dip.

“Jij hebt helemaal geen recht op een januari dip. Moet je kijken wat er allemaal voor moois in je leven gebeurt. Je sloot het vorige jaar af met het spelen van de Aria van de Goldbergvariaties op een Steinway vleugel. Nota bene op een groot podium tijdens het pianotest”.

“Ja maar dat was vorig jaar. Dat telt dan toch niet mee? Maar eerlijk is eerlijk, ik vond het wel fantastisch om te doen. En het ging nog goed ook. En kerst was ook heel fijn. Wel wat jammer dat ik op kerstavond tot 23.15 uur moest werken, maar eerste kerstdag hebben we gewoon samen doorgebracht. Tweede kerstdag hebben we voor het eerst sinds jaren weer eens mijn (bijna) hele familie gevierd. Mijn lief heeft mijn  ouders Tweede Kerstdag opgehaald en ik bracht ze de volgende dag weer naar huis. Daarna begon die werkmarathon van vier dagen om 5.30 uur opstaan. Het weekend, oudejaarsdag en nieuwjaarsdag. Weet je wel dat ik er s’avonds als een vaatdoek bij hing op de bank?”

“Nu haal je zelf ook het laatste deel van vorig jaar er bij. Ben je nu al vergeten dat je op 2 januari naar het nieuwjaarsconcert van Wibi Soerjadi bent geweest. En ben je dan ook al kwijt hoe mooi je dat vond? Hij speelde o.a. Nocturne nr. 20 waar je zelf ook mee bezig bent. Je vijzelt ‘m weer mooi op nadat je er 7 jaar geleden ook aan begonnen was. Je hebt met gespitste oren zitten luisteren om op die manier iets van Wibi in jouw spel te kunnen leggen.”

“Ja ja, dat weet ik heus nog wel. En die nocturne begint al aardig vorm te krijgen. Alleen al die lange notenreeksen die heel snel moeten, die willen nog niet zo. Althans, ze klinken nog lang niet zoals bij Wibi.

“Jemig mens, dat hoeft toch ook niet. De meeste mensen kunnen dat stuk helemaal niet spelen. En dan heel iets anders. Na dat concert kreeg je de volgende dag die mail met het verzoek te exposeren in de Markehof in Marknesse. EEN VERZOEK! Je hoeft niet eens met je schilderwerk te lopen leuren. Je werd er voor gevraagd en 22 januari ga je de boel daar ophangen.”

“Ja, ik weet het nog. Ik las de mail en stoof naar beneden om het mijn lief te laten weten. Hartstikke blij werd ik er van. Geen idee waarom zo’n blijdschap daarna zomaar minder wordt.”

“Hé, trouwens, je schilderij van die mus, die op steigerhout, die heb je toch maar mooi in de etalage van boekhandel Marsman mogen laten plaatsen. Wie weet verkoop je ‘m wel.”

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

“Daar ben ik inderdaad zelf achteraan gegaan. Maar dat gedoe van een prijs bepalen vinden ik dan heel vervelend. Als ik het voor een prikkie te koop zet neem ik mezelf niet serieus en als ik het te duur maakt koopt niemand het. Trouwens, als het schilderij verkocht wordt vind ik dat ook weer lastig. Het is toch een beetje een kindje van me”.

“Jemig hé wat kan jij zeuren. Die schilderijen van de honden van Jan heb je toch ook niet meer?”

img_7157img_7765 - kopie

“Nee, maar die kan ik wel iedere week vanuit het raam bekijken als ik pianoles heb. Niet dat ik dat doe, maar het kan wel.”

“En dat schilderij en het portret van je ouders? Die heb je ook niet meer.”img_5880img_6385

“Nee, maar die zie ik als ik daar ben. En trouwens, het is heus niet allemaal rozengeur en maneschijn hoor. Je vergeet zeker dat ik me best zorgen maak om mijn oudste dochter en haar twee kinderen. Het heeft bijna een jaar geduurd voordat die scheiding er doorheen was, maar daarna leek de ellende alleen maar groter te worden voor haar. En dat ik al drie jaar geen contact meer heb met mijn zoon ben je zeker ook vergeten? Gek genoeg went dat ook nog en soms bedenk ik dat het zonder het contact met hem een stuk rustiger is. Het gevoel daar eigenlijk niet welkom te zijn en altijd net het verkeerde te zeggen was soms dodelijk. Spitsroeden lopen deed ik als ik daar was. En dat ik dat dan zo voel vind ik dan eigenlijk ook weer verkeerd.”

“Nee, dat ben ik niet vergeten. Maar ik dacht dat je dit aardig naast je neergelegd had.”

“Dat heb ik ook, maar soms springt er een laatje open in mijn hersenkast en floept dit naar buiten. Dan ben ik er toch weer even mee bezig.”

“Jeetje joh, dat weet ik dan toch niet?”

“En dan mijn moeders verjaardag. Ze heeft weet ik hoe vaak gevraagd wat mijn vrije weekend was, zodat ze het in dat weekend zou vieren. En wat doet ze? Gaat ze ineens zelf aan het rekenen met die weekenden en nu viert ze het dus in mijn werkweekend. Ik heb in ieder geval kunnen regelen dat ik eerder weg kan, zodat ik niet heel laat in de middag aankom, maar toch. Morgen ga ik nog proberen of er een flex-medewerker voor me wil werken. Dan ben ik die dag gewoon vrij.”

“Ja, ik hoor het al, jij hebt echt een januari-dip, want je maakt overal een probleem van op dit moment. Weet je, zo halverwege februari is het vast weer over, want zo gaat dat ieder jaar. Je moet gewoon nog een paar weken doorbijten.”

En zo zeurt het maar door in mijn hoofd. Het is net alsof mij ieder jaar overvalt dat het nieuwe jaar begonnen is en dat er eigenlijk niets verandert is. Eerlijk gezegd hoop ik, doordat ik het zo opgeschreven heb, dat het nu gewoon even rustig wordt in dat hoofd van mij. Ik heb de opname van het pianofest er bij gedaan en alle schilderijen die in mijn verhaal voorkwamen ook. En dan kom ik ook tot de conclusie dat ik toch echt geen recht heb op deze januari-dip. Maar helaas, ik heb er wel last van.

Huh?

huh

“Zuster, ligt mijn wandelstok in jullie keuken? Ik heb ‘m op tafel gelegd tijdens het eten en nu is ‘ie verdwenen. Zal wel gestolen zijn, gelijk met m’n portefeuille.”

“Als ik dit opgeruimd heb zal ik even voor u kijken.”

“Nee, uw wandelstok ligt niet in onze keuken.”

“Weet u het zeker, want tijdens het eten lag ‘ie nog op tafel”.

“Hij ligt er echt niet, maar ik wil straks wel even helpen zoeken hoor.”

“Nee, dat hoeft niet, want we hebben er vandaag al vier uur lang naar gezocht. Zelfs mijn zoon kon ‘m niet vinden.”

“Was u zoon vandaag bij u op bezoek. Wat fijn voor u.”

“Nee, hij was hier gisteren.”

“O.”

“De enige plek waar mijn stok zou kunnen liggen is onder het bed. Maar daar wilde niemand kijken.”

“Dan doe ik dat toch even”.

Ik zak op mijn knieën en ja hoor, helemaal tegen de muur lag de wandelstok. Nadat ik weer overeind was gekomen haalde ik het bed van de rem en reed het iets opzij zodat ik bij de wandelstok kon.

“Kijk, hier is uw wandelstok.”

“Waar heb je die gevonden?”

“Achter u bed. Hij was dus niet gestolen. Gelukkig maar.”

“Ik heb helemaal niet gezegd dat ‘ie gestolen was.”

Uh…………………………..en nee, een dank je wel voor mijn moeite kon er niet meer af.

Poepend rijk worden

Poepend rijk

Vooral moe was ik op nieuwjaarsdag. Het viel niet mee om na oudjaarsavond om 5.30 uur op te staan om vervolgens om 7.00 op mijn werk te beginnen.

Gelukkig hadden we een goede bezetting waardoor er gewoon aandacht aan de bewoners besteed kon worden. Na onze eigen lunch werd het tijd voor de warme maaltijd van de bewoners. Inmiddels was bij mij de “meligheid” toegeslagen. Gewoon doordat ik zo moe was. Vier dagen een vroege dienst en dan die jaarwisseling tussendoor hakten er bij mij goed in.

Ik zat bij de bewoners aan tafel toen zij aan hun toetje toe waren. Feestelijke toetjes met een laagje witte chocolade er om heen dat versierd was met en soort pareltjes. En juist die pareltjes gingen met mijn “meligheid” aan de haal.

“Wel die pareltjes opeten hoor. Dan groeit er een parelboom in onze buik en gaan we parteltjes poepen die we op de markt kunnen verkopen. Dan worden we poepend rijk.

Ook deze keer had ik eerst even opzij gekeken of haar mond wel leeg was, want een lachbui waarbij het toetje over tafel sproeit leek me wat rommelig worden. Haar mond was leefg en ze kreeg een enorme lachbui. De andere bewoners overigens ook. Kijk, daar is die “meligheid” dan weer goed voor.

Flauwekul

flauwekul

Er zijn van die momenten dat ik gewoon even melig moet doen op mijn werk. Gewoon om de lol er in te houden.

Hij had gisteren zijn bad-dag. Voor hem hoefde het niet zo nodig, ik mocht hem ook op bed wassen. Maar ja, hij begreep wel dat als hij in bad zat ik verder niet zo veel hoefde te doen. Ach tja, wat is “niet zo veel doen” in de zorg. Volgens mij moet dat nog uitgevonden worden.

We gingen op pad. Hij in het bed en ik er achter om het bed door de gang naar de grote badkamer te rijden. Daar liet ik het bad vollopen terwijl ik hem hielp met uitkleden. Vervolgens moest hij draaien zodat ik de tilmat voor de passieve lift onder hem kon schuiven. Toen hij eenmaal in de lift hing moest ik de lift verplaatsen tot boven het bad. Daarna kon ik hem laten zakken. Daar zat hij, prinsheerlijk in het schuim. Hij zou bellen als hij klaar was. Dat betekent dat ik dan terug moet snellen om de kraan dicht te draaien zodat er geen overstroming plaatsvindt.

Toen hij tien minuten later belde trok ik even een sprintje. Kraan dicht draaien, stop uit het bad halen anders schiet het nog niet op. De tilmat ergens onder hem vandaan halen om hem weer aan de passieve lift te kunnen vasthaken. Dan weer terug op bed en zorgen dat hij afgedroogd werd. Deken over hem heen en weer met het bed de gang over om hem vervolgens in zijn kamer aan te kleden.

(Hoe bedoelt u dat ik niks hoef te doen als hij in bad gaat?)

Tussen de middag aan tafel was ik melig van al het geren en gevlieg. Ik moest bij hem de insuline injecteren. Zo ergens rond de navel. Hij deed zijn overhemd omhoog en ik viste zijn onderhemd uit zijn lange broek. Nu is hij nogal omvangrijk dus riep ik quasi paniekerig: “Waar is je navel gebleven. O God nee toch? Niet te vinden. Waarschijnlijk weg gespoeld met het badwater. Dan moet ik straks het riool in om die navel van je te zoeken. O nee, toch niet, ik heb ‘m al gevonden.”

Voordat ik al deze onzin uitkraamde had ik wel even gekeken of zijn overbuurvrouw niet net haar mond vol eten had, want zij krijgt op dit soort momenten bijna de slappe lach. Ik zou toch niet willen dat zij zich door mijn meligheid verslikt.

Zomertijd – Wintertijd

zomertijd

Wat wil de Nederlandse bevolking, zomertijd of wintertijd afschaffen? Ieder jaar laait deze discussie weer op. Uiteindelijk wordt besloten het te laten zoals het is.

Maar kan je de wintertijd eigenlijk wel afschaffen? Bij mijn weten was dit toch ooit de Normale tijd. Volgens mij kan er in deze kwestie maar één vraag gesteld worden: “Schaffen we de zomertijd af?” Die werd namelijk in 1977 om puur economische redenen ingevoerd. Sinds 1973 was er de oliecrisis. Door de klok in het laatste weekend van maart een uur vooruit te zetten besparen we stroom, want de dag duurt in de zomermaanden daardoor een uur langer.

Zelf mag het van mij gewoon de Normale tijd blijven. Ik heb ieder jaar weer last van het verzetten van de klok. Zowel van het vooruit als van het achteruit zetten. Zo’n week of wat ben ik er wel mee zoet.

 

Zijn achterlijke zus

Niet aangeboren hersenletsel

Hij is een paar dagen naar een ander deel van het land geweest om de begrafenis van zijn moeder te regelen. Hondderddrie jaar is zij geworden.

Ik condoleer hem en vraag of het een mooie rouwplechtigheid is geweest. Hij knikt wat en vertelt dan dat hij een achterlijke zus heeft en dat het haar schuld is dat zijn moeder dood is.

Het valt mij op dat hij het heeft over zijn moeder, net alsof het niet de moeder van zijn zus is.

“Die achterlijke zus van mij vond het nodig dat mijn moeder naar een verpleeghuis ging. Dat is nu vier weken geleden. Ze ging daar hard achteruit en nu is ze dood.”

Hier weet ik niet goed op te reageren, dus hum ik alleen maar iets.

Wat vind ik hier nu eigenlijk van? Ooit werd mij door een familielid van mijzelf verweten dat ik het verkeerde beroep had gekozen omdat ik vind dat mensen ook de mogelijkheid moeten krijgen om waardig te sterven. Dat het leven niet altijd eindeloos gerekt hoeft te worden.

“Jullie in de zorg, moeten gewoon beter voor de mensen zorgen”  was vervolgens wat ik te horen kreeg.

Toch sta ik pal achter mijn mening. Zorgen voor een waardig einde is ook zorgen voor.

Haat – liefde

Mijn bril; ik heb er een haat-liefde verhouding mee. Het liefst zou ik brilloos door het leven gaan. Dat heb ik ook van mijn 20e tot mijn 40e gedaan. Toen droeg ik lenzen.

bril

Wat brillen betreft ben ik net de prinses op de erwt. Zo’n bril voel ik de hele dag. Is het niet aan mijn neus, dan wel achter mijn oren. Ik zie ‘m ook de hele dag. Hoezo dat dan? Nou, ik kijk tegen de randen van mijn bril aan. Met lenzen heb je dat in ieder geval niet. Met bril wel, want buiten die randen wordt de wereld wazig.

Iedere nieuwe bril betekent voor mij een hele periode wennen. Hoe voelt ‘ie op mijn neus, en hoe achter mijn oren. Waar knelt ‘ie en als ‘ie niet knelt dan zakt ‘ie voor mijn gevoel van mijn neus. En dan nog dat het zien van de randen van de bril. Dat is bij iedere nieuwe bril ook weer anders. Kortom, ik ben een vreselijke zeur als het om brillen gaat.

De laatste nieuwe bril spande de kroon. Eén die er best luxe uitzag, en waarvan ik dacht dat ‘ie heerlijk zou zitten. Zo eentje die niet van je neus glijdt. Dan komt het moment dat ik zo’n nieuwe bril ophaal, deze op mijn neus zet en denk: “Oeps, dit is wel heel anders. Bij deze kijk ik veel meer tegen de randen aan. Daar moet ik aan wennen, hou ik mezelf dan voor.

Na één dag nieuwe bril had ik hoofdpijn. De neusvleugeltjes duwden in mijn neus en ik had er flink rode plekken van. “Als dat maar geen decubitus wordt”, dacht ik nog. Na twee dagen had ik aan de rechterkant van mijn hoofd ook pijn.

Ik weet nog dat ik dacht, tijdens het pianoconcert wat mijn lief en ik bijwoonden, “zouden al die brildragende mensen zo’n last van hun bril hebben?”

Na drie dagen heb ik andere neusvleugeltjes laten plaatsen. Dat scheelde, althans dat dacht ik. Na een week heb ik de bril in de brillenkoker gedaan en mijn oude bril opgezet. Deze bril bracht hoofdpijn door mijn hele hoofd. Mijn hele schedel deed zeer. Ik kon een ander montuur uitkiezen, dus van die mogelijkheid ging ik gebruik maken. Het werd een lichtgewicht montuur. Zo één die, in ieder geval zonder glazen, bijna niets weegt. Met glazen woog ‘ie nog steeds heel weinig. Zelfs minder dan mijn oude bril.

Mooi, dat was opgelost. Ja, dat dacht ik. Niets was minder waar. Mijn neus deed zeer, ik voelde de poten van de bril boven mijn oren en na verloop van tijd ook achter mijn oren. Weer een gang naar de opticien. Er werd gebogen en verbogen en de bril leek beter te zitten. Helaas, nu had ik het gevoel dat ‘ie van mijn neus zakte. Helemaal als ik aan het werk was en op mijn hurken iemands veters strikte. Dan lag die bril nog net niet op die schoen. Mijn hoofd zeurde de hele dag en ik was constant bezig de bril af te zetten en weer opnieuw op te zetten. Een aantal keer ben ik ‘m weer op nieuw af laten stellen, waarna ik hoopte dat ik ‘m niet de hele dag zou voelen.

Alle andere signalen negeerde ik verder. Ik had heel helder zicht, zo helder dat aan het eind van de dag zelfs m’n oogkassen zeer deden. Tegelijkertijd had ik het gevoel dat ik de blauwe borden langs de snelweg niet goed kon lezen. Iedere witte letter leek een extra randje te hebben. “Ik moet mezelf gewoon de tijd geven om te wennen”, hield ik mezelf voor.

Tot ik het zat was en mijn oude bril weer opzette. Weg waren alle kwalen. Het gebruikelijke bleef, ik keek tegen de randen aan, ik voelde ‘m op de neus, maar dit voelde vertrouwd. Dat voel ik al jaren.

De sterkte van mijn glazen was gelijk gebleven, alleen mijn cilinderafwijking was met een kwart toegenomen. En ineens besefte ik dat dit misschien wel de boosdoener was van mijn hoofdpijn en gezeur met dat nieuwe montuur. Ik ging weer terug naar de opticien met dit verhaal. Er werd gemeten vanaf de sterkte van mijn oude bril. Van daar uit werd die cilindersterkte opnieuw bepaald.

Uiteindelijk krijg ik nu dus dezelfde glazen als ik al in mijn oude bril had. Aan één kant wel praktisch, kan ik ze allebei dragen.

Weet je wat wel gek is? Tijdens het meten gaf ik zelf een sterkere cilinderafwijking aan. Niet die kwart meer, maar zelfs driekwart meer. Maar deze keer werd ook nog een keer gemeten toen ik met beide ogen keek. Toen gaf ik aan dat ik niet die driekwart cilindersterkte wilde. Ook niet die kwart, maar gewoon mijn oude cilindersterkte. Dat was voor mijn ogen het rustigst.

En weet je waar ik nu zojuist vandaan kom? Juist ja, bij de opticien. Mijn oude bril zit prima hoor, maar ik was ineens een neusvleugeltje kwijt.

 

Memoires van een bladluis – Hoe het allemaal begon

 

01 mijn orgel in het orkest

Ooit, in een vorig leven, speelde ik kerkorgel. Een prachtig instrument, en toch ben ik blij dat ik dit instrument uiteindelijk inruilde voor een piano, maar dat even terzijde. In dat vorige leven was ik getrouwd met een man die van mijn muzikale bezieling niets begreep. Jaren heb ik mijn muzikale kant dan ook verwaarloosd en me voortdurend aangepast aan wat er van mij verwacht werd. Als ik daar nu aan terugdenk heb ik de neiging om daar nog steeds boos over te worden. Gelukkig kan ik het zo langzamerhand met wat mildheid ten opzichte van mezelf bekijken.

Op mijn 37e pakte ik mezelf bij de lurven en nam weer kerkorgelles. Mijn muzikale kant had ik rond die tijd al een beetje nieuw leven ingeblazen. Ik genoot van die lessen en al gauw kwam de vraag van mijn orgelleraar of ik tijdens een concert, waarbij hij onderdeel was van een ensemble wat een koor begeleidde, de bladzijden om wilde slaan. Ik vond het geweldig dat dit mij gevraagd werd. Goddank hoefde ik niet te registreren, dat was op het kistorgeltje niet nodig. Van dat registreren had ik totaal nog geen kaas gegeten.

Enthousiast vertelde ik thuis dat me dit gevraagd was en dat ik het heel leuk vond om te doen. Ik kreeg een reactie waar ik totaal niet op gerekend had: “Belachelijk, waarom vraagt die man dat aan jou, dat kan zijn vrouw toch wel doen?”

Stomverbaasd was ik. Zoals ik gewend was in dat huwelijk, gingen mijn gedachten razendsnel allerlei mogelijkheden af om te rechtvaardigen dat dit mij gevraagd was en ook nog eens om te rechtvaardigen dat ik dit leuk vond. Snel vloog de gedachte door mijn hoofd dat mijn orgelleraar zijn vrouw ook organist was, maar ook dat zij kleine kinderen hadden en daar moest toch iemand voor thuis zijn. Na al die razendsnelle gedachten was mijn reactie: “Ze hebben kleine kinderen, dus dat kan niet.” Zo zou ik nu echt nooit meer reageren.

De reactie die ik daarna kreeg vond ik nog veel schokkender: “Dan kan jij toch op hun kinderen passen?”

Het was wel duidelijk dat deze echtgenoot werkelijk niets van mij begreep en misschien zelfs wel jaloers was. Maar ik ben de bladzijden om gaan slaan tijdens dat concert, zelfs al gaf het een hoop geruzie thuis.

Tijdens het concert zat ik redelijk in het gezichtsveld van het publiek, dus had ik nagevraagd wat de koorkleding was. Ik paste mij hier zo goed mogelijk bij aan, wat gewaardeerd werd.

Ik genoot van die middag. De enige wanklank was dat ik halverwege het eerste deel van het concert twee bladzijden tegelijk omsloeg. Razendsnel sloeg mijn orgelleraar één bladzijde terug. Het schaamrood vloog mij naar de kaken. Wat voelde ik me daar ongemakkelijk bij zeg. Het bleek niet erg te zijn, het was iets wat gewoon kon gebeuren.

Memoires van een bladluis

 

bladluis

Na twee uitvoeringen van de operette “Clairette” in het theater werd nu een deel hiervan uitgevoerd in een woon-zorgcentrum. Geen orkest deze keer, maar een pianist voor de begeleiding en de daarbij horende bladluis.

Geconcentreerd las ik de muziek mee zodat ik op tijd om zou slaan. Het wordt een wat gênante vertoning als zo’n pianist iedere keer “ja” moet zeggen. Dat is ook wat storend. Zodoende mijn concentratie.

Halverwege het eerste deel voelde ik een klopje op mijn schouder. En nee, niet zo’n klopje dat laat weten hoe geweldig ik dat omslaan deed. Buiten dat klopje zag ik dat iemand haar hoofd naar mij toe boog. Vervolgens klonk de vraag: “Kan de piano ook zachter?”

Uit alle macht probeerde ik me te blijven concentreren en tegelijkertijd zocht ik naar een antwoord. Dat antwoord wist ik natuurlijk al, want een piano kan gewoon niet zachter. Hooguit kan de pianist wat zachter gaan spelen.

Mijn antwoord liet duidelijk te lang op zich wachten, dus de volgende vraag werd al op me afgevuurd: “Of kan de piano anders misschien meer naar achteren geschoven, want de mensen kunnen de zangers niet verstaan”.

Ook dat kon natuurlijk niet, want dan kon de pianist de dirigent niet meer zien. Bovendien stonden achter ons een stuk of wat zangers en dansers. Die hadden dan ook ergens anders heen gemoeten.

Hilarisch vond ik het en het enige antwoord wat ik kon verzinnen was: “Nee, niet nu.”

Daarna ook niet, maar dat zei ik er maar niet bij. Ik moest eerst uitvissen waar we in de muziek gebleven waren, zodat ik weer op tijd om kon slaan.

En over hilarisch gesproken: Voordat de voorstelling begon stond ik tegen een tafel geleund de zaal in te kijken tot er iemand naar me toe kwam: “Wil jij misschien even het publiek van koffie voorzien?” Multifunctioneel inzetbaar stond er schijnbaar op mijn voorhoofd geschreven.