De bokkenpruik op

bokkenpruik

Vaak wil ze ‘s morgens niet uit bed en eigenlijk wil ze dan niets. Even zo vaak wil ze ‘s avonds niet in bed geholpen worden, terwijl ze dan wel moe is.

Vanmorgen had ze ook de bokkenpruik op. Ik mocht haar bloedsuiker controleren, maar verder hield ze koppig vast aan haar “nee”. Lastig, want haar bloedsuiker was aan de lage kant en eten is dan de enige oplossing, maar ook dat wilde ze niet.

Ik gooi, als het om haar gaat, mijn vertelkunst in de strijd en zodra ik bij haar de kamer in kom begon ik mijn verhaal. Meestal over mijn kleinkinderen, maar ook wel eens over mijn ouders. Dan is ze afgeleid en kan ik haar gewoon helpen met wassen en aankleden. Aangezien ze gisteren de aankomst van Sinterklaas op tv had gezien besloot ik daarop voort te borduren.

“Weet je wie ik vannacht in mijn huis tegenkwam toen ik naar de wc ging? Sinterklaas en Zwarte Piet”.

“O meid echt waar? Wat leuk!”

“Ja, echt waar. Sinterklaas zei gisteren dat iedereen zijn schoen weer mocht zetten. Ik heb gewoon al mijn schoenen uit de kast gehaald en neergezet. Winterschoenen, sportschoenen, laarsjes, pantoffels, sandalen, slippers, gymschoenen en ook nog mijn schoenen met hakjes. Wat denk je dat Zwarte Piet zei?”

“Ja, wat zei hij?”

“Dat ik wel al mijn schoenen had neergezet, maar dat ik niet moest denken dat hij ook overal snoepjes in zou doen. Daar kon hij niet aan beginnen.”

“O meid, wat jammer!”

Ik borduurde nog wat voort op mijn Sinterklaasverhaal en al vertellend hielp ik haar met wassen en aankleden. Voordat ze het in de gaten had zat ze in haar stoel en reed ik haar naar de huiskamer zodat ze haar boterham met een gekookt eitje kon eten.

Advertisements

Een zalfje tegen de buikpijn

Kort door de bocht

“Hij heeft buikpijn en wil daar een zalfje voor”, laat mijn collega weten als ik aan het werk ga.

Ik schiet even in de lach, maar bedenk wel meteen dat ik deze zorgvraag waarschijnlijk moet vertalen in een totaal andere.

“Moet u naar het toilet?” Nee, dat is het niet, maar ik krijg wel een hele uitleg over een bevalling en dat het vervelend voelt als hij zit. En ja, hij wil een zalfje vanwege de buikpijn.

“Ja, een bevalling is pijnlijk, daar weet ik alles van, want ik heb drie kinderen.”

Ik weet ook, dat als hij niet op tijd naar het toilet geholpen wordt en hij het in zijn broek doet, de ontlasting straks overal zit. Aan zijn handen, in zijn haar, aan de muren en noem maar op.

“Weet u wat ik ga doen? Ik ga u toch even op het toilet helpen. Zet u de rolstoel even op de rem, dan haal ik de lift voor u.” Hij doet wat ik hem vraag en als ik terug kom met de lift leg ik hem uit dat ik, als hij op de wc zit, beter bij zijn buik kan. Dan kan ik zien of daar iets mis mee is en er eventueel een zalfje op smeren.
Als hij in de “sta-lift” staat en ik zijn broek naar beneden doe zie ik dat er al ontlasting in zijn inco zit. Niet veel gelukkig. Ik stel hem voor dat hij daar een poosje blijft zitten tot hij alles kwijt is.

Na een minuut of twintig geeft hij aan dat hij klaar is. Het was inderdaad een hele bevalling. Er hoeft geen zalf op zijn buik, want hij heeft geen buikpijn.

Hij kijkt me zelfs hoogstverbaasd aan en zegt: “Ik had helemaal geen buikpijn hoor!”

Zeiknat

zeiknat

Ja hoor, dat had ik weer. Ik had haar net in de sta-lift staan zodat ik haar van onderen kon wassen en aankleden en ineens schoot zij naar voren. Ze liet de lift los met haar ene hand, trok de waskom van het nachtkastje terwijl ik daar net een washandje uit zou halen. Zeiknat waren mijn spijkerbroek, schoenen en sokken. Het was wel duidelijk, ze wilde niet gewassen worden, maar het was wel even nodig.

Zorgprofessional of niet, ik was behoorlijk boos en liet dat merken. Zij weet heel goed wat ze doet, maar uit dat op wat ongebruikelijke wijze. Ik maakte af waar ik mee bezig was en liet haar in de rolstoel zakken.

“Ik wil koffie”, werd mij herhaaldelijk verteld. Tja en ik had even geen puf om nu heel vriendelijk en aardig een kop koffie voor haar in te schenken, zodat ik haar liet weten dat zij dat aan mijn collega moest vragen.

“Ik ga ondertussen mijn sokken uitdoen en andere schoenen aantrekken. Daarna heb ik het een poosje druk met mijn broek droog föhnen.”
Zo gezegd zo gedaan, sokken uit, schoenen omgeruild, steunzolen te drogen gelegd in mijn kluisje en toen, zittend op een kruk, mijn spijkerbroek droog föhnen. Dat duurde een mooi poosje terwijl ik de verdere zorg voor haar aan een ander overliet.

Na de warme maaltijd wilde zij naar bed en tot mijn verbazing werd dat vriendelijk gevraagd: “Mag ik alstublieft naar bed?” Meestal is het alleen: “Ik wil naar bed”. En dan niet één keer, maar gewoon als een soort mantra.

Ik heb haar naar bed geholpen en nog even over het voorval met de waskom gesproken.

“U bent toch bij uw volle verstand?”

“Ja!”
“Dan vind ik het wat raar dat u zo’n waskom over mij heen trekt.”

De volgende dag verliep rustig. Zij wilde niet uit bed, schreeuwde niet maar ineens bleek zij wel haar persoonlijke alarmbel te gebruiken. Dit had zij nog niet eerder gedaan, dus een beetje verbaasd was ik wel. Meestal horen we alleen geschreeuw als er iets is wat zij wil. Vaak wil zij dan uit bed en meestal is haar inco dan ook erg vies. Dus haar logica hebben we wel al ontdekt in hoe dit werkt.

Maar nu belde ze dus en ik liep bij haar naar binnen met de vraag wat ik voor haar kon doen. Tja, zij wilde uit bed en dit werd allemaal heel vriendelijk gezegd. Mijn eerste reactie was dat ik dit gedrag moest belonen, want tja, dit had ze niet eerder gedaan. Mijn tweede reactie was: Maar ik heb nu lunchpauze en als ik ieder verzoek rond die tijd honoreer dan schiet mijn lunchpauze er bij in. En eerlijk is eerlijk, ik moet toch eerst voor mezelf zorgen voordat ik goed voor een ander kan zorgen.

“Fijn dat u de bel hebt gebruikt. Ik heb nu alleen lunchpauze, maar als ik klaar ben met eten haal ik u meteen uit bed.”

Dat bleek niet helemaal haar bedoeling wat ze zette haar mantra weer in: “Ik wil uit bed”.

Ik legde haar weer uit hoe ik het ging doen en maakte met haar de afspraak dat zij niet zou gaan liggen schreeuwen en dat ik na mijn lunchpauze eerst haar uit bed zou halen. Daarna liep ik haar kamer uit. Ik had de deur nog niet dicht of het geschreeuw begon, zodat ik terug liep. Niet om haar meteen te helpen, maar om op haar goede verstand aan te spreken.

“Waarom schreeuwt u, dat was de afspraak niet. U bent toch goed bij uw verstand?”

Direct beaamde zij dit.

“Dan begrijp ik uw geschreeuw niet. De afspraak was dat u niet zou gaan schreeuwen en dat ik u na mijn lunchpauze direct uit bed zou halen.”

Heel even schreeuwde zij nog, maar toen werd het rustig. Na mijn lunchpauze heb ik haar een compliment gegeven dat zij zich aan de afspraak had gehouden en heb ik haar uit bed geholpen.

Ze heeft heerlijk zitten eten aan tafel en wilde na het eten vrijwel direct weer naar bed. Mijn collega zou haar helpen en liet haar weten dat ze nog even geduld moest hebben omdat er iemand dringend naar het toilet moest. En ook dat stukje verliep rustig.

Best fijn eigenlijk voor alle partijen.

 

Aanvalluh!

Aanval

Ze vonden elkaar duidelijk niet aardig, dat kon een blind paard zien. De ene stormde op de ander af, twijfelde op het laatste moment en bleef stil staan. Nonchalant draaide hij zich om en deed alsof hij de ander niet zag.

De ander deed het spelletje mee en zo keken zij langs elkaar heen, tot één van beiden het lang genoeg vond duren. Hij zette de aanval in en sprintte richting de ander, die meteen het hazepad koos en om de hoek van een huis verdween. De aanvaller schoot een tuin in en sloopt dicht langs de muur richting hoek.

Om de hoek van het huis bleef hij nog even gespannen staan. Toen uiteindelijk bleek dat er niets gebeurde  liep de kat met zijn staart omhoog rustig verder.

Op het podium

Op het podium

Goh, dat is nog eens wat anders dan in de zaal van het theater zitten. Zomaar zaten mijn lief en ik op het podium. O nee, niet om op te treden hoor, mocht je dat soms denken. We zaten bij een soort salonconcert en het podium was tot salon gebombardeerd. Overigens was het de tweede keer al dat we met een klein gezelschap op het podium zaten.

Als ik er goed over nadenk lijkt het wel alsof wij altijd naar optredens gaan die niet druk bezocht worden. Ach, wat zou het, ik voel me mijn hele leven bijna al een buitenbeentje, iets waar ik de laatste jaren niet meer zo mee kan zitten.

Tijdens de voorstelling van Mike Bodé, die voorlas uit zijn eigen boek “Zupheul, Febbo, en de kleine Grakjesbembaaf, kortweg Jan. waren wij ook maar één van de weinigen in de zaal. Overigens begrijp je natuurlijk wel dat tegenwoordig alle Jannen die wij kennen aangeduid worden met “Grak”.

Bij de Goldberg Variaties zaten wij in een kleine zaal om de vleugel heen en tijdens een optreden van het Peter Beets Trio die de jazz met Chopin probeerde te verbinden zat het publiek ook op het podium. En bij het Ciconia Consort was het publiek ook klein, maar zaten we wel in de grote zaal en niet op het podium. Dat kon ook niet, want het orkest nam alle ruimte in beslag.

Gisteravond zaten we op het podium bij LAVALU. Een optreden waar ik heen wilde omdat zij zingt als een popzangeres en dit combineert met klassiek pianospel. Ik was daar heel nieuwsgierig naar. Niet in de laatste plaats omdat ik sinds begin dit jaar zing en mezelf op de piano begeleid. Eerlijk gezegd wilde ik wel eens weten of ik dat ook op een andere manier zou kunnen dan ik tot nu toe doe.

Weet je wat trouwens heel irritant was gisteravond? Vlak voordat wij van huis gingen hoorde ik iets op de radio wat in mijn hoofd was blijven plakken. Ik ben bezig, nou ja, bezig? Ik moet nog beginnen met het liedje “The little drummer boy”. Dat ken je vast wel en zoals je weet zit daar eigenlijk alleen een trommel in als begeleiding. Dat wordt wel wat saai als pianobegeleiding. Ik struinde dus heel Youtube af naar opnames van dit liedje. Eerlijk gezegd kon ik niets bruikbaars vinden tot ik op de radio iets hoorde wat perfect in het ritme van dit liedje past. Tijd om het uit te proberen had ik niet, want we moesten de deur uit. Dan is het heel vervelend dat mijn hersens doorwerken, zelfs tijdens het optreden van LAVALU. Ondertussen keek ik wel naar wat haar handen deden op de toetsen van de vleugel. Wat mij opviel waren de vaak repeterende motiefjes die zij speelde. En ja hoor, mijn hersenen gingen ook daar druk mee aan de slag. In mijn hoofd hoorde ik “The little drummer boy” met een repeterend motiefje er door heen. Regelmatig riep ik mezelf tot de orde, want ik was niet voor niets naar deze voorstelling gegaan. Ik parkeerde het motiefje wat ik dus al vóór de voorstelling had gehoord en luisterde naar LAVALU. Grappig zoals zij Bach-achtige muziek onder een popliedje had gezet. Maar ook klanken die leken op de Gnossienes van Satie en op de eerste Arabesque van Debussy.

Nu even heel eerlijk: Ik denk niet dat ik dit kan, maar eigenlijk wil ik dit wel kunnen. Dus ben ik vandaag het motiefje gaan integreren in “The little drummer boy”. Misschien wordt het helemaal niet wat ik vind dat het zou moeten worden, maar dan heb ik het in ieder geval geprobeerd.

Moord en brand schreeuwen

moord en brand schreeuwen

Geduld heeft hij niet. Aan zijn vaste tijden houdt hij stevig vast. Zo stevig dat hij vaak al een half uur van te voren aan het schreeuwen slaat. Dan heeft hij hulp nodig, anders komt hij te laat. Waar hij te laat komt? Bij het ontbijt, of bij de warme maaltijd of om te slapen. Als de gang van zaken ook maar iets afwijkt raakt hij van streek. Ook als hij gedoucht of gewassen wordt schreeuwt hij moord en brand. Het moet sneller, of hij mag niet te lang staan van de regering. En het ligt ook altijd aan ons, want hij schreeuwt omdat wij het niet goed doen, of in ieder geval niet snel genoeg.

Hij heeft een licht verstandelijke beperking, is autistisch en heeft door een hersenbloeding ook nog eens Niet Aangeboren Hersenletsel. Tja, maar dan kan hij toch niets aan zijn gedrag doen? Zo dacht ik ook een hele poos. Inmiddels ken ik hem bijna een jaar en ontdekte ik wat openingen.

Zijn bril was kapot. Die ligt ‘s nachts op zijn nachtkastje en deze had hij in een boze bui kapot gemaakt. Het was een dure bril, dus zijn familie was hier niet blij mee. Ik besloot eens te kijken of wij hem met hem af konden spreken dat hij zijn bril, naast zijn beker op zijn bureau zou leggen. Mijn collega en ik herhaalden deze afspraak die dag een aantal keer. Ook liet ik het hem zelf een aantal keer hardop herhalen.

Het bleek ‘s nachts even een probleem te zijn geweest, maar er werd volgehouden. Zijn bril ligt nu al weken niet meer op zijn nachtkastje en dat geeft geen problemen. Reden voor mij om met meer dingen te experimenteren. Kleine dingetjes die het leven voor iedereen wat aangenamer maken.

‘s Morgens schreeuwde hij tot we hem om half acht kwamen helpen. Dat moet toch anders kunnen, redeneerde ik. Zo liep ik op een gegeven moment bij hem naar binnen en sprak ik met hem af dat ik over vijf minuten terug zou komen en dat hij in die tijd niet zou schreeuwen. Natuurlijk lukte dat niet op stel en sprong, dus na vijf minuten kwam ik uiterst teleurgesteld bij hem: “Ik heb me aan de afspraak gehouden, maar jij niet. Dat vind ik niet eerlijk. Dat moet anders. Morgen gaan we het weer oefenen.”

Inmiddels weet hij heel goed hoe de afspraak is en hoor ik hem wel mopperen en zuchten, maar hij schreeuwt niet meer.

Verder uitbouwen dus. Als hij aangekleed in zijn rolstoel zit moet het liefst meteen alles opgeruimd, inclusief de actieve lift. Dan heb je dus je handen vol, laat je iets liggen dan begint hij te schreeuwen. Stukje bij beetje oefende ik met hem dat ik eerst de was en zijn vieze inco ging opruimen, want ja, die inco stonk. De actieve lift liet ik dan bewust staan, want mijn handen waren vol. Het werkte op dezelfde manier en de eerste keer schreeuwde hij moord en brand dat ik iets was vergeten. Toen ik terugkwam hielp ik hem er weer aan herinneren dat we een afspraak hadden en dat ik me daaraan gehouden had. Ook liet ik weten dat ik het toch wel jammer vond dat hij dat niet had gedaan. Sinds kort schreeuwt hij dan niet meer en vraagt hij zelfs: “Het ik goed gewacht?” Dan prijs ik hem de hemel in, want complimenten ontvangen vindt iedereen leuk.

Het laatste wat ik met hem geoefend heb en wat hij best snel onder de knie heeft is dat zijn raam open gaat als hij gedoucht is en gaat onbijten. Eerder was dat absoluut geen optie, want al schreeuwend ging hij dat raam meteen weer dicht doen. Tegenwoordig zeg ik: “Ik zet je raam open. Als jij je ontbijt op hebt mag je het dicht doen.” Dan gaat hij zuchtend en steunend richting de huiskamer, maar hij schreeuwt niet.

Soms laat hij bij zo’n afspraak weten dat hij het best moeilijk vind. Dan zeg ik: “Dat begrijp ik en dat mag je ook moeilijk vinden. Ik vind ook wel eens iets moeilijk.”

Hé, ik ben helemaal niet gek

introvert

In de krant las ik een artikel dat over mij ging. Niet letterlijk natuurlijk, maar ik lees hierin over mezelf. Ik ben introvert en dat staat voor mijn gevoel haaks op het willen optreden met zang en piano, op het willen exposeren met mijn schilderwerk. Door het artikel begrijp ik dat dit samen kan gaan, want als introvert ben ik in het goede gezelschap van Obama, Lady Gaga, David Bowie en J.K. Rowling. Allemaal mensen die je niet direct het stempel introvert zou geven.

Voor “anderen”, niet introverte mensen is het dus handig om het volgende te weten:

  • Ik hou van stilte om me te kunnen concentreren.
  • Ik heb soms moeite om duidelijk of snel, dat laatste zeker, te communiceren.
  • Ik kan meer dan ik meestal laat zien.
  • Ik heb oog voor detail en langere processen.
  • Ik begrijp graag precies waarom ik iets doe en wat daar het nut van is.
  • Ik kan lastig delegeren en doe dus meestal te veel (inmiddels voor een groot deel afgeleerd).
  • Ik blijf liever doorwerken dan dat ik socialize. Dat betekent dat ik werk als de rest van het team een team-uitje heeft.
  • Ik functioneer goed met weinig supervisie en werk ook graag zelfstandig.
  • Ik heb een hekel aan competitie.

Groepen vind ik een gedoe, vandaar dat ik altijd een hekel aan school heb gehad. Niet vanwege het leren, want dat doe ik nog steeds graag, maar vanwege dat groepsgebeuren. Ik heb daar niks mee, kan daar niks mee en wil daar ook niks mee. Na een half uur denk ik al gauw: “Wat doe ik hier eigenlijk?”

Ik profileer mezelf niet en eigenlijk vind ik dat “men” gewoon oog moet hebben voor wat ik kan. Dat dit niet werkt in deze wereld is me wel duidelijk. Vandaar dat ik zelf achter het exposeren ben aangegaan, want ik wil wel degelijk dat er gezien wordt wat ik kan. Vandaar dat ik mezelf weer heb opgegeven om mee te werken aan een concert. Dit keer een benefiet concert voor Bangladesh. Vandaar dat ik laatst mijn leidinggevende een mail heb gestuurd met observaties over werkdruk. Ik roep dat soort dingen niet in een bespreking. Al helemaal niet als mijn collega’s dan beweren geen last te hebben van werkdruk, maar op de werkvloer vervolgens op hun tandvlees blijken te lopen.

Heel lang heb ik met mezelf geworsteld, uiteindelijk gewoon mezelf geaccepteerd zoals ik ben maar soms wel de vraag bllijven stellen of het wel normaal was. En nu ik dit gelezen heb weet ik waarom ik ben zoals ik ben. Ik ben blij met mezelf en als de niet introverten mij niet begrijpen wordt het tijd dat zij bedenken dat ik hen ook niet altijd begrijp, maar daar verder geen mening over heb.

En zo fijn: “Mijn lief herkende zichzelf ook in het artikel”. Zo makkelijk als je dat van jezelf en elkaar weet.